3 jaar geleden

Praktijk van de gemeente (2)

Weggaan

Sommige lezers zullen de Engels Bijbelleraar William Kelly (1821-1906) wel kennen. Hij heeft over vele boeken van de Bijbel geschreven – soms zijn het weergaven van zijn lezingen. In het volgende willen we iets uit zijn boeken citeren over de vergadering-praktijk (praktijk van de gemeente, praktijk van de kerk). Deze bijdrage gaat over de vraag of men het samenkomen van de gelovigen eenvoudig verlaten kan, of moet, indien er kwaad bestaat, en is uit een boek over “de leer van het Nieuwe Testament over de Heilige Geest “genomen (pag. 250 e.v.).

Er komt kwaad over de persoon van Christus in een vergadering (gemeenschap,
kerk) op

Wat, als verraderlijk kwaad, vooral met betrekking tot de persoon van Christus (want daarnaar streeft satan altijd), in een vergadering de overhand krijgt, wanneer genezing of veroordeling van het kwaad wordt afgewezen, wanneer een vergadering zich verzet – vanwege een of andere eigenzinnige reden – tegen elke poging om Gods Woord toe te passen op datgene wat in tegenstelling is tot Zijn eer, en Zijn waarheid en Heiligheid te niet doet?

Als het zo is, bevinden we ons natuurlijk op zeer gevaarlijk terrein. Maar als het kwaad heel duidelijk aan het licht gekomen is en men probeert het te bedekken en te laten voortduren in plaats van te veroordelen; als zij, die de plaats van de vergadering van God ingenomen hebben, zich eigenwillig tegen iedere vermaning van de Heilige Geest, om dat te oordelen wat met de Heer Jezus in strijd is, afsluiten, dan moeten we ons in de naam van de Heer daarvan afscheiden.

Afwenden – weggaan

Dit is zeer pijnlijk en beschamend, en het zal ons hart diep verwonden. Wanneer we echter duidelijk de tekenen van hetzelfde kwaad zien, waardoor, al vóór ons, meer oprechte harten dan de onze verbroken zijn, moeten we niet aarzelen.

Ik kan dit alleen nog eens herhalen, namelijk dat we ons in de kracht van de Heer van dat moeten afwenden, wat daardoor nog nietswaardiger geworden is, dat God aan zulk samenkomen nieuw licht gegeven heeft, maar men opzettelijk weigert naar dit licht te handelen. Nadat zij de genade van God opnieuw geproefd hebben, zijn ze doof geworden ten opzichte van Zijn Woord en misbruiken de genade van God tot losbandigheid. Moge de Heer ons voor dergelijke wegen behoeden en wij altijd een teer gevoel voor Zijn eer en Zijn geopenbaarde zullen houden.

Eerst gaan we ervan uit dat we onszelf vergissen!

We moeten altijd eerst bereid zijn om te veronderstellen dat we ons vergissen; we moeten zeer terughoudend zijn om gedachten ruimte te geven, dat Zijn gemeente Zijn eer zo verraden kan. Noch in één afzonderlijk geval noch met een hele gemeente kan men zo handelen, voordat men tot de trieste en verootmoedigende zekerheid wordt gedwongen, dat deze persoon of deze vergadering geheel en al ontrouw geworden is.

Nooit gedaan – maar wel de consequentie

Het uitsluiten van een persoon of  het veroordelen van een gehele vergadering, die als gemeente van God werd erkend, is het allerlaatste ding wat een kind van God zou moeten kenmerken. Langzaam en met veel pijn moeten we worstelen om een dergelijke stap te zetten.

Maar als God de dingen voor ons geweten duidelijk maakt, kunnen we ons daar niet voor afsluiten en moeten we daarmee niet aarzelen, om doortastend te handelen. Misschien kan deze opmerking enigen onder ons helpen leren, zoals de Geest van God werkt, niet alleen zoals het in het Woord wordt onthuld, maar ook hoe we in de huidige moeilijkheden in overeenstemming met onze verantwoordelijkheid praktisch moeten handelen.

Wordt D.V. vervolgd.

© Bibelpraxis.de, William Kelly

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol