13 jaar geleden

Pasen 2006. De kleding van de Heer Jezus

Sinds de zondeval dragen de mensen kleding. Toen Adam en Eva gewaar werden, dat zij naakt waren, bekleedden zij zich met schorten uit vijgenbladeren. God verving deze dan door rokken van vellen. Sindsdien vermeldt het Woord van God op vele plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament kledingstukken. Ook over de kleding van de Heer Jezus bericht de Bijbel. En we zingen: “Moet Hij dat spotkleed dragen …. Ja, ik kost Hem die slagen … Ik doe dat kleed Hem dragen …”

In doeken gewikkeld

“… en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in doeken …” (Lukas 2:7). “En dit zal voor u het teken zijn: u zult een kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe” (vers 12). Wat een tegenstelling tussen Zijn kleding en Zijn daadwerkelijke macht en waardigheid! Hij, door Wie en voor (tot) Wie alle dingen geschapen zijn (Kolosse 1:16), die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht (Hebreeën 1:3) werd als kind in deze wereld geboren. De doeken – in verbinding met de menswording van de Heer – tonen Zijn diepe vernedering, Zijn armoede,1 Zijn ootmoed. Hij deed afstand van de uiterlijke vertoning van Zijn macht en grootheid (hoewel Hij deze altijd had), om ons nabij te komen. Hij kan kinderen begrijpen – Hij is Zelf een kind geweest. Hij is daarna een jongeling geweest – Hij kan jongeren begrijpen.

Zo kunnen wij ons slechts verwonderen, op welke wijze de Heer op deze aarde is gekomen en mens geworden is. Dat is niet met het verstand te begrijpen. Wij bewonderen eenvoudig Hem, van Wie er staat, dat Hij “in het vlees geopenbaard is” (1 Timotheüs 3:16).

De zomen van Zijn kleed

Van het kleed dat de Heer Jezus in de jaren van Zijn openlijke dienst gedragen heeft, lezen we op verschillende plaatsen in de evangeliën. Daarbij ontmoeten wij de vrouw, die twaalf jaar bloedvloeiingen had gehad en van achteren de zoom van Zijn kleed aanraakte. Dit bericht staat in Mattheüs 9:20, Markus 5:27 en Lukas 8:44. Bovendien lezen we in Mattheüs 14:36 en Markus 6:56 van lijdenden die deze zomen wilden aanraken. Wanneer wij deze plaatsen goed willen begrijpen, moeten we Numeri 15:37-40 erbij nemen: De kinderen van Israël moesten aan de hoeken (zomen) van hun kleren snoertjes maken en op de snoertjes een hemelsblauwe draad zetten, “opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet … en uw God heilig zijt”. Het hemelsblauwe (of het blauwpurper) spreekt van hemelse heerlijkheid. Het vermelden van de kleren met de zomen in de drie evangeliën wijst erop, dat onze Heer Jezus zowel als Koning van Israël (Mattheüs) als ook de ware Knecht (Markus) en de volkomen Mens (Lukas) van hemelse afkomst is en de hele wet in zijn gehele omvang vervuld heeft (Mattheüs 5:17 en 18; Lukas 2:22-24, 27 en 39). In het evangelie van Johannes wordt de zoom niet genoemd: met het oog op de vele verwijzingen naar de Zoon van God in het Johannes-evangelie gebruikt God deze toegevoegde symbolische verwijzing naar de hemelse afkomst van de Heer niet.

Wat gebeurde er nu met dit kleed? In Johannes 13:3, 4 en 12 lezen wij, dat Hij de bovenkleding aflegt en zich met een linnen doek omgordt. Hij de Heer legt het uiterlijk teken van Zijn waardigheid af, om de discipelen de voeten te wassen. Hoe diep vernedert Hij zich nogmaals, om te bereiken dat de discipelen zich in “Zijn gastverblijf” (Markus 14:14) thuis voelen. Ook aan ons wil Hij deze dienst doen, en wij moeten Hem van onze kant het genoegen doen ons de vuilheid – de verontreinigingen – van de weg laten afwassen met water (beeld van de toepassing van het Woord van God). De Heer Jezus wil graag alle hindernissen uit de weg ruimen, die de gemeenschap tussen ons en Hem zouden kunnen verstoren (Johannes 13:8-10).

Mensenhanden en de kleding van de Heer Jezus

Na de veroordeling, geseling en bespotting van de Heer door de soldaten trokken dezen Hem weer Zijn eigen kleren aan (Mattheüs 27:31 en Markus 15:20). Allen konden op Zijn weg naar Golgotha nog eenmaal Zijn kleren (en de zomen daaraan!) aanschouwen – – Zijn aanklagers, Zijn onrechtvaardige rechter, de soldaten, het volk, en zij zagen – in beeld gesproken – het getuigenis: Hij is van hemelse afkomst, en Hij heeft in alles de wet vervuld, want het volk zou immers de zomen dragen, om zich de wet te herinneren. Maar niemand nam dit getuigenis van de Zoon van God aan!

Nadat Hij gekruisigd was, verdeelden de soldaten Zijn kleren en wierpen zij het lot om Zijn onderkleed (Mattheüs 27:35; Markus 15:24; Lukas 23:34; Johannes 19:23-24). Onze Heer liet het gebeuren, want ook daardoor werd de Schrift vervuld (Psalm 22:18). Hoe zien wij ook daarin, Hoe Hij Zichzelf ontledigd heeft (Filippi 2:6-8) en het laatste overgaf wat Hij op deze aarde Zijn eigendom noemen kon. Zo hing Hij aan het kruis – voor u en voor mij!

Na Zijn gevangenname vinden we verder nog twee kledingstukken, waarmee de mensen onze Heer Jezus bekleed hebben. In Lukas 23:11-12 lezen wij, dat Herodes Hem verachtelijk behandeld en bespot had, Hem een schitterend (blinkend) kleed om deed en Hem naar Pilatus terugzond. Hoeveel mensen handelen ook vandaag nog op deze wijze: Zij bespotten Hem. Zeker – sommigen geven misschien nog toe, dat Hij een “goed mens”, een “voorbeeld”, een “religie-stichter” was. Maar desondanks “zonden zij Hem weg”. Hoe vreselijk zal het zijn, wanneer deze mensen in het oordeel voor Hem staan zullen.

De soldaten die Hem bespotten, trokken Hem een purperen mantel (Markus 15:20; Johannes 19:2,5) respectievelijk een scharlaken (karmozijn gekleurde) mantel om (Mattheüs 27:28). Zo hoonden zij Hem, terwijl zij als in een opvoering van een toneelstuk de koning van Israël spottend eer bewezen. De spot heeft daarbij meerdere zijden: Een gevangene die door Zijn volk was verraden, het middel van de spot was een mantel, zoals de Romeinse soldaten, de onderdrukkers van deze natie, deze droegen, en op Zijn hoofd zette men het symbool van de vloek over de aardbodem (Genesis 3:18) – de doornenkroon. Ook vandaag nog handelen vele mensen in deze geest met onze Heer: Ook als zij misschien Zijn geschiedkundig bestaan of Zijn afkomst als nakomeling van David zouden moeten erkennen: Zij loochenen dat Hij de Zoon van God is.

De kleding in Zijn dood

Na Zijn dood aan het kruis zorgde God door middel van mensen ervoor, dat het lichaam van de Heer Jezus niet ongekleed in het graf gelegd werd. In alle vier evangeliën wordt betuigd, dat Zijn lichaam in een rein, fijn linnen doek (in het Oude Testament ook Byssus genaamd) gewikkeld werd (Mattheüs 27:59; Markus 15:46; Johannes 19:40). Het reine, fijne linnen spreekt van de reinheid voor God. Het was de kleding van de priester in het oude verbond. Onze Heer Jezus heeft aan het kruis onze zonden in Zijn lichaam gedragen (1 Petrus 2:24), Hij werd voor ons tot zonde gemaakt (2 Korinthe 5:21). Maar met Zijn dood zijn onze zonden verzoend (1 Johannes 2:2,4,10; Hebreeën 2:17), is de zonde in de ogen van God afgeschaft (Hebreeën 9:26). Dit kon alleen gebeuren, omdat Hijzelf zonder zonde was (zie Johannes 8:46; 1 Petrus 2:22; 1 Johannes 3:5; 2 Korinthe 5:21). Van deze volkomen reinheid spreekt het fijne stuk witte linnen.

Bij de overdenking van de kleding van onze Heer Jezus, die Hij als Mens op deze aarde droeg, valt op, dat alle bestanddelen van de voorhang in de tent van de samenkomst en ook in de tempel worden vermeld (Exodus 26:31 en 36:35; 2 Kronieken 3:14). De voorhang spreekt immers van Zijn lichaam (vlees, Hebreeën 10:20). En zo hebben we het blauwe (aan de zomen van zijn bovenkleed) en het rode purper2 (Markus 15:20; Johannes 19:25), karmozijn (Mattheüs 27:28) en de Byssus, het fijne stuk linnen, aan Hem gezien.

Heel bijzondere kleding

De overdenking van Zijn kleding zou onvolledig zijn, wanneer we niet met de Heer Jezus en Zijn discipelen Petrus, Johannes en Jakobus de berg van de verheerlijking zouden opgaan. Hier werden Zijn kleren wit als het licht (Mattheüs 17:2), glanzend, zeer wit als sneeuw (Markus 9:3), wit, glinsterend (Lukas 9:29). Daarbij horen we het getuigenis van God over Zijn Zoon. Hier wordt ons een korte blik in de onmetelijke waardering van God voor Zijn geliefde Zoon vergund. En profetisch zien we Zijn heerlijkheid, die op de aarde in het duizendjarig rijk geopenbaard wordt. De drie apostelen mochten pas na de opstanding van de Heer Jezus over dat spreken, wat zij gezien hadden, maar toen hebben zij het betuigd (2 Petrus 1:16-19)!

Over de kleding van de Heer Jezus in de dagen na Zijn opstanding tot aan Zijn hemelvaart vinden we in de Bijbel geen aanwijzingen. Maar in het laatste boek van de Bijbel, in de Openbaring, lezen we nog eens van Zijn kleding. Al in het eerste hoofdstuk, toen de apostel Johannes zich omkeerde, om de stem te zien die met Hem sprak, ziet hij de Heer Jezus bekleed met een gewaad tot de voeten en aan de borst omgord met een gouden gordel” (vers 12-13). Het lange gewaad onderstreept Zijn majesteit. Hij stelt Zich hier immers aan de gemeente als de rechter voor. In de hoofdstukken 2 en 3 lezen we dat Hij oordeel moet aankondigen en uitoefenen. En wanneer wij onszelf bezien, gevoelen wij, dat Hij ook bij ons veel moet oordelen (1 Petrus 4:17). Zijn oordeel baseert zich niet op onze meningen en gevoelens. Ook Zijn borst als zetel van Zijn gevoelens voor ons, Zijn liefde tot ons, is omgordt met een gordel van goud – het beeld van de Goddelijke heerlijkheid en gerechtigheid. Zijn gemeente moet reeds op aarde voldoen aan de aanspraken van de Goddelijke gerechtigheid en heiligheid (Psalm 93:5; Efeze 5:27).

In Openbaring 19 volgen wij – voorgesteld in het beeld van de legerscharen in de hemel – onze Heer Jezus, de Ruiter die gekleed is in een met bloed gedoopt kleed. Dit kleed is een teken van het oordeel over de levenden, waartegen de Heer Jezus met ons, Zijn legerscharen, uittrekt. Een aanwijzing naar deze betekenis hebben wij in Jesaja 63:1-6, waar net zo over het oordeel over de volken gesproken wordt. Op Zijn hoofd zien we niet meer de doornenkroon, maar vele diademen als teken van Zijn hoogheid en majesteit. De gelovigen zien we daar bekleed met wit, fijn, rein linnen – de gerechtigheden van de heiligen.

In elk opzicht hebben wij nodig de Heer Jezus te beschouwen om Hem beter te leren kennen. Wanneer wij Hem in Zijn veelvoudige heerlijkheden aanschouwen, brengt ons dat tot aanbidding en tot een levenswandel, die door reinheid en toewijding gekenmerkt wordt.

“Daarom, heilige broeders, deelgenoten van de hemelse roeping, beschouwt de apostel en hogepriester van onze belijdenis, Jezus, die trouw is aan Hem die Hem heeft aangesteld …” (Hebreeën 3:1-2).

Dietmar Gottschild

NOTEN:
1. Het geeft de indruk, dat de Heer Jezus zonder verdere kleding met de doeken in de kribbe gelegd werd. Laat dit ons ook niet zien, in welke armoedige omstandigheden de Heer geboren werd?
2. Weliswaar wordt de Heer Jezus deze purperen mantel door mensen met spot overworpen. En toch mogen we ons er van bewust zijn, dat God het zo geleid heeft, dat ook dit bestanddeel van de voorhang met de Heer Jezus in verbinding kwam.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM