11 jaar geleden

Mattheüs 6:26

Een jonge vrouw zat bij het raam en naaide ijverig aan een jas voor haar kleine Freek, wiens vrolijk gelach opklonk vanuit de tuin. Haar man, thuisgekomen van zijn werk, ging bij zijn vrouw zitten om een poosje uit te rusten en haar naar het verloop van de dag te vragen.

“Wat moeten we beginnen, Henk, als de winter komt? Je verdient nauwelijks genoeg om nu in de zomer van te leven, hoe zal dat dan in de winter gaan?”

Eerst zweeg de man, toen verscheen er op zijn gezicht een fijn glimlachje. Hij vroeg, terwijl hij haar liefdevol aankeek: “Wat naai je daar eigenlijk?” – “Een jas voor onze Freek” – “Dat dacht ik al. Weet die kleine man het al?” – “Absoluut niet!” – “Zou je het hem dan niet zeggen om een einde te maken aan zijn kwellende zorgen voor de komende winter?”

“Hoe kom je op die gedachte?!” vroeg de jonge vrouw en keek haar man verbaasd aan. “Waarom zou hij zich zorgen maken? Hoor je hem dan niet? Hij is bijna de hele dag buiten geweest en is vrolijk en blij. Hij denkt toch niet aan de nood die de winter zou kunnen brengen. Waarom zou hij ook! Hij weet immers dat wij er zijn en voor hem zorgen. Hij vertrouwt ons toch!”

“Geloof je werkelijk dat hij ons vertrouwt? Nu, dan moet ik zeggen dat onze Freek wijzer is dan zijn moeder!”

Een poosje was het stil tussen hen beiden. Langzaam vulden de ogen van de jonge vrouw zich met tranen en de wolk die boven haar had gehangen, verdween. Verjaagd door het vertrouwen van haar kind.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM