11 jaar geleden

Mattheüs 27:46

Al het onuitsprekelijke lijden dat de mens in zijn haat en verblinding de Heer heeft aangedaan, is niets in vergelijking met wat Hij heeft gedragen, toen er duisternis over het hele land kwam, van het zesde uur tot het negende uur toe. Voor de ogen van de mensen verborgen, had Hij nu met God te maken. Als het “Lam van God” tot zonde gemaakt, moest Hij op dat moment het verzoenend lijden ten volle ondergaan. Het blijft voor ons een geheim wat Zijn heilige ziel doorgemaakt heeft in het oordeel over onze schuld.

“Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem”. Hoe smartelijk de mens Hem ook had behandeld, er was geen klacht uit Zijn mond gekomen; maar op dit moment getuigde deze roep van een onmetelijke nood. Had Hij tot dan toe altijd gezegd: “Abba, Vader”, “Vader”, “Mijn Vader”, zo klinkt er nu in het donker: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” De heilige God moest Hem verlaten, ja “het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem krank gemaakt”. En het “waarom” ervan doet ons diep in het stof buigen: “de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem” (zie Jesaja 53:10 en 5).

Hij stelde daar het schuld- en zondoffer voor; daar leed Hij om verzoening te doen voor onze zonden. Wij staan stil en zijn niet in staat om Hem te volgen in dit onmetelijke lijden en roepen het uit:

O, Lam voor onze zonden
op Golgotha geslacht.
U wordt uit vele monden
de lof en eer gebracht!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM