2 jaar geleden

Kolosse 3 vers 12

Doet dan aan als uitverkoren van God, heiligen en geliefden: innige ontferming, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid …

God spreekt in Zijn Woord hen die van harte geloven in Zijn Zoon aan als heiligen. Hoe treurig ook hun verleden moge zijn geweest, Hij zegt tot hen: “… maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de Naam van de Heer Jezus <Christus> en door de Geest van onze God” (1 Kor. 6:11). Maar wij zijn niet alleen ‘geheiligd’ (= apart gezet) maar worden ook aangesproken als “heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping” (Hebr. 3:1). De vermaning om  trouw te wandelen is gegrond op het feit dat wij ” de nieuwe mens hebben aangedaan, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid”; dat wij nu handelen en wandelen moeten, “zoals het heiligen past” (Ef. 4:24; 5:3).

Wat wij door de genade van God geworden zijn: “heiligen en geliefden” moeten we ook in onze wandel laten zien als “kinderen van het licht” en als “geliefde kinderen” (Ef. 5:1,8). God roept ons toe: “Weest heilig, want Ik ben heilig!” “Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand de Heer zien zal” (1 Petr. 1:16; Hebr. 12:14). O, dat we er ons altijd van bewust zijn dat wij, die de Heer Jezus toebehoren, heiligen en geliefden zijn!

Zoals eens op de plaat van louter goud aan de voorkant van de hoed van de hogepriester klaar en duidelijk al van verre zichtbaar te lezen was: “DE HEILIGHEID VAN DE HEERE” (Ex. 28:36), zo moeten ook wij op grond van de gerechtigheid en heiligheid van God, dat ons deel geworden is, in praktische gerechtigheid en heiligheid als een heilig priesterdom (1 Petr. 2:5) een getuigenis voor de wereld zijn (Joh. 17:14).

Laten wij ons onthouden van alle soort van kwaad (1 Thess. 5:22) en laten wij de heiligheid volbrengen in de vrees van God (2 Kor. 7:1).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol