11 jaar geleden

Jeremia 35:16

De Rechabieten waren een tak van de Kenieten; zij bewoonden het land Kanaän vóór Israël (1 Kronieken 2:55; Genesis 15:19). Samen met de andere bewoners van het land stonden zij onder het oordeel van God. Vermoedelijk stammen zij uit de familie van Jethro, de schoonvader van Mozes, en zijn ze met de kinderen van Juda uit de Palmstad getrokken naar de woestijn van Juda om bij het volk van God te wonen (Richteren 1:16). Zo ontvluchtten ze het oordeel.

Hoofdstuk 35 van de profeet Jeremia laat zien dat Jónadab, de zoon van Rechab, te midden van Juda volkomen afgezonderd voor God leefde. Hij had zijn kinderen geboden geen wijn te drinken, geen huizen te bouwen, geen wijnberg te planten en alle dagen op aarde in tenten te wonen. Zo hadden zij en hun kinderen het 200 jaar lang gehouden, tot op die dag. De vader Jónadab was daarin voor zijn kinderen een lichtend voorbeeld geweest. Zijn hart behoorde God helemaal toe. Dat wenste hij ook voor zijn kinderen. Daarom gebood hij hun sommige dingen en zij gehoorzaamden hem. En zo konden zij nu anderen tot een voorbeeld zijn.

God moest over Juda en de bewoners van Jeruzalem ernstig klagen, omdat zij geen tucht aannamen. Hij had vaak door Zijn profeten tot hen gesproken dat zij zich van hun boze wegen moesten bekeren. Maar zij luisterden niet. Daarom kon het oordeel niet uitblijven. Maar van het huis van de Rechabieten kon God door Jeremia zeggen: “Er zal Jónadab, de zoon van Rechab, niet worden afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht staat, al de dagen”!

Wat een heerlijke belofte! Op gehoorzaamheid rust altijd Gods zegen!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM