15 jaar geleden

Is hoofdbedekking nog wel van deze tijd?

Leidraad: 1 Korinthe 11:5-10

“En iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en het zelfde alsof zij geschoren was … maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken … Daarom behoort een vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen … Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt?” (1 Korinthe 11:5,6,10,13).

Inhoud:

  • Inleiding
  • Aan wie is deze brief gericht?
  • Heeft de hoofddoek alleen culturele achtergronden?
  • Algemene scheppingsordening

Pro en contra:

  • A) De hoofdbedekking van de vrouw buiten de gemeente
  • B) De hoofdbedekking van de vrouw in de samenkomsten van de gemeente
  • Contra hoofdbedekking in de gemeente
  • Pro hoofdbedekking in de gemeente
  • Verdere argumenten pro-hoofdbedekking in de gemeente
  • C) De hoofdbedekking van de vrouw bij het persoonlijk gebed
  • Slot

Inleiding

Wat zegt u? Moet de vrouw haar hoofd bedekken? In welke tijd leeft u eigenlijk? Zijn wij hier zo ongeveer bij de moslims? Zo of zoiets dergelijks kan men horen, wanneer men het thema hoofdbedekking vanuit Christelijk oogpunt aansnijdt. Het is daarom niet eenvoudig in een tijd als vandaag, over zulk een thema een artikel samen te stellen. Maar moeten wij zwijgen, wanneer de Bijbel erover spreekt? Zullen wij dit thema dan maar uit de weg gaan? Moet men tegen van alles en nog wat stelling nemen? Maar steeds weer wordt over deze vragen onder Christenen gediscussieerd. En wij geloven niet zonder reden. Tenslotte loopt een vrouw gevaar door een verkeerd gedrag in deze zaak haar hoofd te onteren (vers 5), iets te doen wat in de ogen van God en voor de engelen schandelijk (vers 10) en onwelvoeglijk is (vers 10). Daarom willen wij toch enkele regels over dit thema schrijven.

Het is onmogelijk om vanaf deze plaats op ieder argument in te gaan die in de loop van de kerkgeschiedenis naar voren zijn gebracht. Toch zal de lezer merken dat wij zo velerlei naar voren gebrachte overtuigingen voor ongegrond, achterhaald houden of ook de moeite waard vinden om te overdenken. Dit artikel wil zeker geen nieuw gebod invoeren, maar tot nadenken over een niet onbelangrijke zaak aansporen.

Aan wie is de brief gericht?

Om het geldigheidsgebied van dit thema te begrijpen, moeten we ons bezig houden met de vraag aan wie deze 1e Korinthebrief geschreven werd. De beantwoording van deze vraag zal ons reeds tonen dat de gedachte dat deze boodschap alleen voor de Korinthiers geldt, ongegrond is. Al in de eerste 2 verzen van de 1e Korinthe-brief staat: “Paulus, geroepen apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, en Sosthenes, de broeder, aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]”.

Dat de boodschap van de 1e Korinthe-brief niet alleen aan Korinthe gericht was, vinden we ook in vele andere plaatsen in deze brief (bijvoorbeeld 4:17; 7:17; 14:33 37; 16:1). Het is al interessant om te zien dat deze bewijsvoering in geen enkele brief zo sterk is, als juist in deze brief die in de kerkgeschiedenis zo zwaar aangevochten werd. Niet alleen vanwege de plaats in 1 Korinthe 11, waar het om de hoofdbedekking gaat, maar bijvoorbeeld ook vanwege de plaatsen in 1 Korinthe 14:34-37, waar het om het zwijggebod voor de vrouwen in de gemeente gaat.

Heeft de hoofddoek alleen culturele achtergronden?

De brief is dus niet alleen voor Griekse tijdgenoten maar voor alle Christenen, die zich op de Bijbel als de enige bron van mededelingen van Goddelijke openbaringen gronden. Maar, zeg je misschien, de hoofdbedekking was alleen voor de toenmalige cultuur gedacht. Zoals we zojuist gezien hebben, gelden de aanwijzingen van de eerste Korinthebrief voor alle plaatsen, waar men de naam van de Heer Jezus aanroept. En toen al waren er vergaderingen [= gemeenten – vertaler] uit volkomen verschillende culturen. Dus is het volkomen onzinnig, hier aan aanwijzingen voor een heel bepaalde cultuur in Korinthe of Griekenland te denken. Bedenkt men bovendien dat Paulus in vers 10 schrijft: “Daarom behoort een vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen” – dan wordt het nog duidelijker, want er staat: “ter wille van de engelen”. Moeten engelen dan cultuurgebonden wezens zijn?

Als de vraag van de hoofdbedekking werkelijk cultuurgebonden geweest zou zijn, wie geeft ons dan de garantie dat niet vele dingen in deze brief en helemaal in de Bijbel ook enkel cultuurgebonden zijn. Waarom was het nog tot in het begin van de 20e eeuw volkomen natuurlijk dat een vrouw haar hoofd in een godsdienstoefening bedekte? Nog eens bewust extreem gevraagd: Was de weg van verlossing misschien ook cultuurgebonden en kunnen we vandaag het heil ook langs een andere weg verkrijgen? In dezelfde brief waarschuwt de apostel Paulus voor vele dingen, voor de afgodendienst, voor de onverschilligheid tegenover moreel boze mensen, voor het misbruik van de gaven, enzovoorts. Waren deze dingen nu werkelijk alleen voor de oren van de Korinthiers bedoeld? Waren deze dingen cultuurgebonden en voor ons vandaag niet meer relevant? Zeker, de afgodendienst is in onze tijd in de regel een andere als toen; zeker, de morele boosheid van vandaag is vaak van een andere soort als toen, en zeker moest de vrouw zich ook in haar hele leven afvragen waar zij eventueel haar positie als vrouw verlaat en die van de man inneemt (of omgekeerd!). Maar dezelfde afgodendienst zou ook vandaag nog verwerpelijk zijn, dezelfde morele boosheid zou vandaag evenzo boos zijn. Zou Paulus, wanneer hij vandaag deze brief zou moeten schrijven, werkelijk afzien van dit gedeelte in 1 Korinthe 11? Absoluut niet!

Waarom hebben wij geen problemen met de meeste uitingen en vermaningen van de apostel Paulus in deze brief, en beginnen wij alleen bij het thema hoofdbedekking en het zwijgen van de vrouwen in de gemeente te twijfelen? Moeten wij onszelf niet eerlijk toegeven dat deze dingen (hoofdbedekking en het zwijggebod voor de vrouwen) eenvoudig gewoon niet van onze tijd zijn en wij ons innerlijk daartegen verzetten? Velen valt het niet gemakkelijk deze principes in een tijd als vandaag te praktiseren, waar de cultuur geheel tegenovergesteld is. Zouden wij niet eenvoudig willen proberen om eerlijk naar onze God te gaan en Hem zeggen: “Heer, onze God, U ziet onze tijd waarin wij leven. Het zou voor onze vooruitgang veel eenvoudiger zijn deze dingen te praktiseren, omdat vroeger alle vrouwen met hoofdbedekking naar de kerk gingen, maar vandaag Heer, worden wij voor gek aangezien en wij worden als Moslims aangezien. Heer, alstublieft, help ons Uw Woord ook vandaag nog ernstig te nemen. Alstublieft, help ons als wij vaak in deze punten angst hebben om werkelijk aan het Bijbelse voorbeeld te beantwoorden”. Zou zulk een gebed niet oprechter zijn dan al die theologische probeersels die wij God aanbieden, alleen om onze gewetens te ontlasten?

Toelichting: De inbedding van deze thema’s in de algemene scheppingsordening

Hier willen wij een uittreksel van een overdenking van F.B. Hole citeren, omdat wij het zeer belangrijk vinden, te verstaan dat het niet om een of ander bijkomstig detail gaat, maar om de beschrijving van de scheppingsordening van God.

– “Het nieuwe gedeelte begint met vers 2, dat in directe tegenstelling staat met vers 17 … hier was er iets waarover de Korinthiërs onwetend waren. Blijkbaar hadden zij zich aan de overleveringen gehouden die hen over het gedrag van mannen en vrouwen in verbinding met gebed en profetie gegeven waren, zonder de waarheid te verstaan die aan deze profetieen ten grondslag lag. Dat de man deze geestelijke handelingen met onbedekt hoofd verrichten moest en de vrouw met bedekt hoofd, was niet zoiets als een grillige inval of een willekeurige ordening. Het was integendeel in overeenstemming met de Goddelijke ordening die in verbinding met Christus verricht is. Vers 3 noemt drie betrekkingen waarin het hoofd, waarop het betrekking heeft, een hoofdfunctie heeft.

De hoogste van hen berust daarop, dat de Heer Jezus toen Hij Mens werd, om als Middelaar te kunnen aantreden, de plaats van onderworpenheid innam. Jesaja heeft van de komende Knecht van de HEERE geprofeteerd, dat Hij het oor van een leerling zou hebben en nooit van het Goddelijk onderwijs zou afwijken [Jesaja 50:4 en 5 – vertaler]. Dus zou de HEERE Zijn Hoofd en Zijn leidsman in alle dingen zijn. Dit was in Christus volkomen vervuld en het feit dat Hij nu opgestaan en verheerlijkt is, heeft Zijn positie niet veranderd. Hij is nog altijd de dienaar vanwege de wil van God (hoewel Hij nooit geringer is dan God Zelf), en in eeuwigheid zal het welgevallen van de HEERE in Zijn hand gedijen. In dit opzicht is God het hoofd van Christus.

Maar dan is Christus het hoofd van de man, ter onderscheiding van de vrouw. Een zekere orde werd bij de schepping al ingesteld, omdat “Adam het eerst geschapen werd, daarna Eva”. Op deze ordening wordt ook in vers 8 en 9 van dit hoofdstuk gewezen. Zij deelde zijn plaats en zijn waardigheid met hem, maar zelfs in de dagen van onschuld was de leiding aan Adam overgedragen. De zonde heeft dit leiderschap niet veranderd, en de in Christus verschenen genade van God ook niet. Zo is Christus het hoofd van de man, en wel van iedere man. En het hoofd van de vrouw is de man.

Ieder lid van het menselijk lichaam wordt vanuit het hoofd bestuurd. Het beeld is daarom zeer eenvoudig en vol uitdrukking. Het is een vraag van leiding. De vrouw moet die van de man aannemen.

De man moet de leiding van Christus aannemen. En Christus neemt de leiding van God aan, en Hij doet dat op een volkomen wijze. Bij alle anderen gebeurt dat zeer onvolkomen. Het grootste deel van de mensheid erkent Christus helemaal niet, en in de tegenwoordige tijd is veel opstand in de vrouwenwereld tegen de leiding en het leiderschap van de mannen, en dat – kenmerkend genoeg – in het bijzonder in de Christenheid. Maar geen van deze verschijnselen verandert het Goddelijke ideaal en de Goddelijke ordening.

Wanneer nu de een of andere gelovige, man of vrouw, met God en Zijn dingen te doen heeft, zij het bij het bidden (dat betekent wanneer hij zich tot Hem richt) of in het profeteren (dat betekent wanneer hij woorden van Hem uitspreekt), dan moeten deze voorschriften met betrekking tot het onbedekte of bedekte hoofd in acht worden genomen als teken daarvan, dat de ordening van God erkend en opgevolgd wordt. Vers 14 en 15 tonen verder dat in verbinding daarmee de man kort en de vrouw lang haar draagt”. –

Pro en contra

Maar nu naar de eigenlijke argumenten voor, respectievelijk tegen de hoofdbedekking. Deze argumentatie moeten wij in drie categorieën indelen.

  • A) De hoofdbedekking van de vrouw bij het openlijk bidden buiten de gemeente
  • B) De hoofdbedekking van de vrouw in de samenkomsten van de gemeente
  • C) De hoofdbedekking van de vrouw bij het persoonlijk gebed

A) De hoofdbedekking van de vrouw buiten de gemeente

Al bij dit eerste punt komt de vraag: Hoe moeten wij het gedeelte over de hoofdbedekking in 1 Korinthe 11 verstaan? Schrijft Paulus hier alleen met het oog op de samenkomsten van de gemeente of geldt dat, wat hij schrijft, ook voor het normale dagelijkse leven van een Christenvrouw. Wanneer wij zeggen: dit geldt alleen voor de samenkomsten van de gemeente, tenslotte gaat het in 1 Korinthe 10 om de betekenis van de samenkomst tot broodbreking, en het verdere verloop van hoofdstuk 11 gaat over de samenkomsten van de gemeente en ook hoofdstuk 12 en 14 hebben de samenkomsten van de gemeente op het oog, dan dringt zich de vraag op waarom de apostel schrijft: “En iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd;” (vers 5). Staat er niet in hoofdstuk 14:34 dat de vrouwen moetenzwijgen in de gemeente? Hier staat echter, “En iedere vrouw die … profeteert”. – De slotconclusie ligt minstens zeer in de buurt van, en eigenlijk voor de hand, dat de apostel Paulus hier niet direct van de samenkomsten van de gemeente spreekt. Want profeteren kan zij volgens 1 Korinthe 14 in de samenkomsten van de gemeente niet. Maar ook in hoofstuk 10:23-33 – het voorafgaande gedeelte – heeft al geen betrekking op de samenkomsten van de gemeente maar algemeen geldig en in het volgende gedeelte vanaf hoofdstuk 11:17 komt de apostel er expliciet te spreken over “wanneer u als gemeente samenkomt”. De vraag of hoofdbedekking eigenlijk wel iets met de gemeente te maken heeft, zullen wij onder punt B) proberen te verklaren. In ieder geval menen wij dat men uit vers 5 overtuigend concluderen moet, dat Paulus hier niet uitsluitend over de zogenoemde samenkomsten als gemeente spreekt.

Vaak kan men het argument horen dat de vrouw in de gemeente niet leren moet, maar dat bidden en profeteren geoorloofd is. Wij twijfelen echter ernstig aan deze uitleg. Want als men 1 Korinthe 14:34 nauwkeuriger bekijkt, blijft daar eigenlijk geen ruimte voor de mogelijkheid dat een vrouw in de gemeente bidden of profeteren kan. Interessant is hier ook dat er in 1 Timotheüs 2:1 staat, dat de mannen op elke plaats moeten bidden. Verder kunnen wij hier echter niet op deze problematiek ingaan.

In ieder geval verwijst vers 5 minstens naar manifestaties buiten de gemeente, bijvoorbeeld in geestelijke gesprekken, in kinderbijeenkomsten, bij gelegenheden waar vrouwen elkaar ontmoeten, wanneer moeder met de kinderen bidt, enzovoorts. De vrouw moet altijd daar, waar zij de plaats van een man inneemt en bidt of profeteert, haar hoofd bedekken. Daarmee toont zij aan dezichtbare en onzichtbare wereld, respectievelijk engelenwereld , dat zij de haar door God gegeven positie waardeert en daarmee tevreden is. Dat geldt natuurlijk in het bijzonder dan, wanneer mannen aanwezig zijn.

Natuurlijk weten wij hoe zwaar het is, om dit in praktijk te brengen. Wij hebben zelf vrouwen die niet minder moeilijkheden met deze dingen hebben. Maar geef deze kwestie niet op, zet er niet te snel een punt achter, maar probeer altijd weer, ook in deze problemen, naar de wil van God te vragen en om kracht te bidden, en het dan ook te doen. Maar zoals de mannen opgeroepen worden op elke plaats te bidden en vele mannen deze opdracht nog niet nagekomen zijn, zo zou het fataal zijn wanneer deze mannen voor zichzelf eens voor altijd zouden besluiten, hun opdracht principieel niet na te komen. Zo zouden ook jullie, lieve zusters, je niet principieel moeten afsluiten voor deze gedachten. Spreek er toch eenvoudig eens open over wanneer jullie vrouwenkring of iets dergelijks hebt en je bang bent dat je voor gek wordt aangezien wanneer je op een keer bij het bidden het hoofd bedekt of bij het profeteren, dat betekent wanneer men van God iets tegen de mensen zegt. Vaak heeft men ook totaal ongegronde angst. Dus, wij willen niet ontmoedigen, wij willen jullie juist moed geven.

B) De hoofdbedekking van de vrouw in de samenkomsten van de gemeente

Contra hoofdbedekking in de gemeente

Zoals al aangeroerd is, moeten wij de vraag stellen, of de verzen 5 en 10 op de samenkomsten van de gemeente toegepast moeten worden. Wat ons heel zeker lijkt, is dat wij dit gedeelte niet tot de samenkomsten van de gemeente beperken kunnen. Weliswaar zou een vrouw kunnen argumenteren dat het bidden en profeteren op hoorbare uitingen toegepast zou moeten worden. Hoe wil men ook in de geest of in stilte profeteren? Dat mag bij het bidden functioneren maar met het profeteren wordt dat toch zeer moeilijk.

Verder wordt tegen de hoofdbedekking in de dienst nog het culturele aspect aangevoerd, maar dat hebben we boven al verder weerlegd.

Helaas stelt men in de praktijk vaak vast, dat zulken die tegen een hoofdbedekking in de dienst zijn, dit niet uit Bijbelse overtuiging zijn, maar dit eenvoudig niet meer van deze tijd toelijkt. Dit gevaar is natuurlijk op vele terreinen van ons Christelijk leven zeer groot; of we nu man of vrouw zijn, wij moeten ons wel afvragen in hoeverre wij ons door de tijdgeest in plaats van door de Geest van God laten leiden.

Pro hoofdbedekking in de gemeente

Er zijn drie argumenten tegen dit “Contra hoofdbedekking in de gemeente” aangevoerd:

  1. Dat een zuster, naar men hoopt, in stilte bidt in de samenkomst van de gemeente.
  2. Omdat zij de liederen meezingt die vaak een gebeds-karakter dragen, zij daardoor toch ook bidt.
  3. Dat, wanneer een broeder een gebed uitspreekt, hij dit doet als mond van de gemeente en zij daardoor meebidt.

Opmerkingen over deze argumenten van de contra-zijde

* Tegen punt 1 kan men aanvoeren dat een zuster toch zeker bij haar dagelijkse arbeid vaker in stilte bidt, en zij dan toch ook daar – dus zekerheidshalve altijd – een hoofdbedekking zou moeten dragen. Wie punt 1 verdedigt, moet, om consequent te zijn, de hele dag een hoofdbedekking dragen. Dat kan toch niet naar de gedachten van God zijn, omdat de apostel Paulus dan niet de beperking gegeven zou hebben “wanneer zij bidt of profeteert”. De opmerking zou overbodig geweest zijn, wanneer de vrouwen sowieso de hele dag het hoofd bedekken moesten. Anderzijds weten wij dat onze Heer voortdurend in gemeenschap met Zijn God en Vader was, en toch lezen wij van speciale tijden, waar Hij in gebed was – zoals wij bijvoorbeeld van Daniel lezen, dat hij driemaal daags bad. Wij moeten hier dus ook oppassen dat wij niet in de val lopen een argument bewust tot in het absurde door te voeren.

* Tegen punt 2 kan men aanvoeren dat het zingen van liederen toch anders in de Schrift ook gescheiden van gebed besproken wordt.

* Tegen punt 3 kan men aanvoeren dat wij het niet duidelijk in de Schrift vinden, dat wanneer een broeder bidt hij dit principieel doet als mond van de gemeente. Weliswaar vinden we een voorbeeld in de Schrift dat het minstens zo kan zijn. Zo vinden we in de Handelingen van de apostelen de aanwijzing, dat door de gemeente een voortdurend gebed tot God omhoog steeg. Dat wijst zeker daarop, dat zulk soort gebeden in de gemeente gevonden worden. Maar het is natuurlijk geen bewijs dat dit altijd bij ieder gebed van een broeder zo moet zijn. Ook de gedachten over de priesterdienst van de gelovigen brengen ons ertoe, een representatie-karakter in vele diensten/gebeden van de broeders in de gemeente te erkennen. Wij geven zeker toe dat wij ons hier heel duidelijk op het gebied van conclusies bewegen.

Verdere argumenten pro-hoofdbedekking in de gemeente

Toch zijn er verdere argumenten die ook voor de hoofdbedekking van de vrouw in de gemeente spreken. Een ervan luidt in vers 10: “Daarom behoort een vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen”. In verbinding met het onderwijs van de Efezebrief, namelijk dat de engelen in de gemeente de veelvoudige wijsheid van God zien, moesten zij dan ook, in het bijzonder wanneer men als gemeente samenkomt, kunnen zien hoe de vrouwen door het dragen van een hoofdbedekking uitdrukking geven aan haar instemming met de scheppingsordening van God. Als dan ook het bestaan van de gemeente onafhankelijk van het samenkomen is, zo geeft het toch te denken dat het karakter van de gemeente in het bijzonder dan duidelijk wordt, wanneer men ook als gemeente samenkomt. De gedachte dat de zusters dan een bijzonder teken voor de engelen moesten hebben, past zeker in deze geestelijke samenhang.

Een verdere gedachte in dit verband is deze, dat het zich bij het bidden en profeteren om twee steunpunten van het Christelijk handelen gaat. Bij het bidden wenden wij ons tot God en bij het profeteren wenden wij ons door God tot de mensen. Daarmee is de gedachte niet van de hand te wijzen dat al die handelingen, die daar ergens tussen liggen, dan zeker ook daarbij ingesloten zijn. Daartoe zou dan ook het bezoek aan de samenkomsten, het broodbreken, het zingen van geestelijke liederen enzovoorts, behoren.

Een ander argument zou kunnen zijn dat het hoofd van de man tenslotte Christus is (vers 3), waarom de man zijn hoofd niet bedekken moest (overigens in tegenstellint tot de Joden, waar de mannen bij religieuze verplichtingen steeds een hoofdbedekking dragen moesten, wat wel daaraan lag dat Christus nog niet geopenbaard was) en dat het hoofd van de vrouw de man is. Toch moest juist in de gemeente, waar Christus immers het hoofd is, niet het hoofd van de vrouw, dus de man, gezien worden; daarom dan ook de conclusie: “laat zij zich dan dekken”.

Ook – aan het vorige argument aanknopend – is de vrouw de heerlijkheid van de man (vers 7) en er moet juist in de gemeente niet de heerlijkheid van de man gezien worden, maar alleen de heerlijkheid van de Heer Jezus. Ook worden de lange haren van de vrouw haar “eer” genoemd (vers 15). Hier wordt voor “eer” hetzelfde Griekse woord gebruikt, zoals verder boven voor “heerlijkheid” . Dus kan men ook zeggen dat het lange haar van de vrouw haar “heerlijkheid” is. Zo zou men hier ook kunnen argumenteren dat in de gemeente de heerlijkheid van de vrouw niet gezien moest worden, maar alleen de “heerlijkheid” van de Heer. Hem alleen komt toe alle “eer”.

De vrouw is bovendien steeds het beeld van de gemeente. De Heer Jezus heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven, lezen wij in Efeze 5. Daar staat dat de man zijn vrouw moest liefhebben, evenals Christus de gemeente. Het is dus duidelijk dat de vrouw een beeld van de gemeente voorstelt. En omdat de gemeente steeds haar onderdanigheid tegenover haar hoofd duidelijk maken moest, zo stellen sommigen voor, toont de vrouw ook – in het bijzonder wanneer wij als gemeente samenkomen – haar onderdanigheid omdat zij haar hoofd bedekt.

Deze argumenten zijn natuurlijk in de eerste plaats conclusies en dat moeten wij er eenvoudig eerlijkheidshalve aan toevoegen. Naar onze overtuiging zijn deze conclusies echter alle volledig in overeenstemming met andere Bijbelplaatsen en zijn zeker eerder tot eer van de Heer dan tot oneer.

Eén ding staat in ieder geval vast, wanneer de vrouw zich bedekt in de gemeente, kan zij niet iets verkeerd doen en staat zij aan de veilige kant om de Heer niet te bedroeven.

Ook de argumentatie dat ongelovigen zich eventueel afgestoten zouden kunnen voelen, wordt door sommige opwekkingsbewegingen weerlegd, waar reien mensen tot geloof kwamen, hoewel men in deze gemeenten aan de hoofdbedekking van de vrouw vasthield (en dat ook in onze tijd!).

C) De hoofdbedekking van de vrouw bij het persoonlijk gebed

Vele uitleggers geloven dat het in dit gedeelte slechts gaat om openbaar bidden, en dat dit voorschrift niet van toepassing is wanneer een vrouw geheel persoonlijk voor haar God staat en bidt. Hoofdargumenten daarvoor zijn dat profeteren eigenlijk alleen in het openbaar gebeuren kan, en ten tweede dat het de apostel Paulus erom ging die voorvallen aan te spreken waar de vrouw de plaats van de man inneemt (waar zij dus openlijk bidt of profeteert, wat in eerste linie de opdracht van de man is – zie 1 Timotheus 2:1). En dat is immers bij persoonlijk gebed uitgesloten.

Anderen houden het voor een niet bewijsbare en niet acceptabele beperking. Ook zulken, die in het bidden en profeteren van de vrouw, zoals boven al genoemd is, de steunpunten van ons Christelijk handelen zien, geloven dat de vrouw zich bij zulk bidden en profeteren – persoonlijk of openbaar – moet bedekken.

Slot

Onze wens was het enige punten die voor ons in dit verband belangrijk waren, eens voor te stellen. Iedere gelovige vrouw behoort ernstig voor de Heer te overwegen hoe zij aan de in het begin geciteerde verzen uit 1 Korinthe 11 het beste recht doet. Daartoe mogen de boven onderzochte argumenten een hulp zijn. Ons doel is het niet om eisen te stellen of wetten te verordenen die wij niet ondubbelzinnig in de Schrift kunnen herkennen. Toch houden wij iedere lichtvaardigheid in deze vragen, die de scheppingsordening van God raken, voor nalatig en willen moed geven om aan de gedachten van God te voldoen, in plaats van dit thema met weinige, en ons inziens eerder bedenkelijke argumenten van de tafel te vegen.

Het geeft ook te denken dat in de hele kerkgeschiedenis tot de 20e eeuw hierover helemaal geen problemen waren, dat zich een Christelijke vrouw in de gemeente bedekte. Nu nog ziet men dat oudere vrouwen die naar de kerk gaan de hoed niet in de garderobe afdoen. De oudere mannen daarentegen doen hun hoed wel in de garderobe af – de jongere mannelijke generatie laten de in de mode gekomen petten bij het bidden vaak op. Deze eigenaardigheid zou ook eens op gelijke wijze overdacht moeten worden, daar het toch betekent dat de man zijn hoofd bij het bidden niet zou moeten bedekken. Wij wensen ons en iedere lezer, dat hij zich door de Geest van God en niet door de tijdgeest in deze vraagstukken leiden laat.

door Redaktie SoundWords

Uit: Soundwords

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW