8 minuten geleden

Het Johannes-evangelie (17b)

Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 34-35

“Ik neem echter het getuigenis van een mens niet aan; maar Ik zeg dit, opdat u behouden wordt” (vs. 34).

Johannes de Doper had getuigd over de Heer Jezus als het Licht (Joh. 1:6-7), hij had getuigd dat Hij de Zoon van God en het Lam van God was (Joh. 1:34,29), en toch zegt de Heer Jezus hier, dat Hij geen enkel menselijk getuigenis aanvaardt. Hij staat voor ons als de Zoon van God; en de Zoon van God heeft het getuigenis van een mens niet nodig om anderen te bewijzen, dat Hij God is. Evenmin zou men een kaars aansteken om te bewijzen, dat de zon schijnt en warmte geeft. De Heer Jezus had het getuigenis van Johannes helemaal niet nodig.

Johannes de Doper staat dus enigszins los van de volgende drie getuigen. De werken, de Vader Zelf en de Schrift kunnen op zichzelf een volmaakt getuigenis afleggen van de heerlijkheid van de Heer Jezus. Het getuigenis van Johannes, een mens, is op zichzelf niet voldoende om van de Heer Jezus te getuigen. En toch laat de Heer Jezus dit getuigenis bestaan, zodat de Joden zouden geloven. Maar Hij laat het niet alleen bestaan, Hij legitimeert dit getuigenis en onderstreept daarmee zijn getuigenis. Johannes de Doper, als mens, had zulke bevestiging nodig, en hij ontving die van Degene van Wie hij getuigde! Zo eert de Heer hen die in oprechtheid en trouw getuigen van Zijn heerlijkheid.

Hier zien we de diepe motivatie van de Heer Jezus voor Zijn woorden: Hij wilde geen oordeel vellen, maar zocht hun redding. Hij had tot dan toe vrijwel niets dan afwijzing van Zijn volk ervaren, en Hij kende hun harten en wist dat de dingen niet zouden veranderen. En hier, met dit viervoudige getuigenis, geeft Hij hen zelfs een uitgebreider getuigenis dan de Wet van een Jood vereiste (Deut. 17:6; 19:15; Matth. 18:16) – wat een genade!

“Hij was de brandende en schijnende lamp, en u hebt zich voor een tijd [1] in zijn licht willen verheugen” (vs. 35).

De beelden die de Heer Jezus gebruikt, zijn altijd volmaakt. Hij beschrijft Johannes de Doper als een brandende en schijnende lamp, innerlijk brandend voor zijn Heer en om zich heen schijnend. Dit was de vervulling van zijn leven (Hand. 13:24-25); zijn korte leven van ongeveer 30 jaar wordt afgeschilderd als een vervuld leven. Is het niet ons verlangen dat de Heer ons, als trouwe getuigen die ook vandaag de dag nog leven, zo’n getuigenis zou kunnen geven? Hij zoekt in ons een brandend hart voor Hem en een actief licht van getuigenis van Hem om ons heen. Zijn wij hemelse lichten in deze wereld, die het Woord van leven vertegenwoordigen (Fil. 2:15-16)? De wereld is sowieso in duisternis gehuld, maar er ligt ook een sluier van mist over veel van Gods kinderen. Ook daar hebben wij een taak: ons licht laten schijnen en getuigen van de waarheid.

Nikolaus Ludwig Graaf von Zinzendorf bezocht ooit een galerie in Parijs, waar hij enige tijd stilstond voor een schilderij van de kruisiging, met het opschrift: <Dit heb ik voor u gedaan – wat zult u voor Mij doen?> Dit betekende een fundamenteel keerpunt in zijn leven. Welk antwoord van geloof geven wij Hem? Is Hij nog steeds Degene die onze harten werkelijk in vuur en vlam zet, en onder Wiens invloed wij vervolgens onze opdracht vervullen en ons licht naar buiten laten schijnen?

Vervult deze Persoon ons hart? We vragen ons vaak af waarom ons getuigenis zo zwak is, en meestal denken we dan aan uiterlijke activiteiten voor de Heer. Een brandend verlangen naar Hem is een voorwaarde voor elke uiterlijke uiting van geloof. Als we innerlijk slechts een beetje vervuld zijn met de Heer Jezus, moeten we ons er niet over verwonderen, dat ons  getuigenis naar buiten toe weinig overtuigingskracht heeft. Aan de andere kant, als we innerlijk vervuld zijn met deze wonderbare Persoon, dan is getuigen van Hem een ​​natuurlijk onderdeel van ons leven. Dan kan het niet anders zijn, dat wij levende getuigen zijn van Hem, wat we in Zijn Persoon gevonden hebben.

En wat kan ons verhinderen om vervuld te zijn met Zijn Persoon? Mattheüs 5 vers 15 en Markus 4 vers 21 laten ons zien, dat we ons licht niet onder een korenmaat of onder het bed moeten verbergen. Het ene spreekt over overmatige drukte, bijvoorbeeld in ons professionele leven, het andere over een zekere neiging tot comfort. Beide kunnen ons de tijd en energie ontnemen die nodig zijn om ons op Zijn aanwezigheid te richten, met als gevolg dat ons uiterlijke getuigenis zwak wordt.

Een brandende lamp geeft ook warmte, en een schijnende lamp geeft licht. In deze uitdrukking denken we ook aan onze Heer Zelf, Die zowel verwarmende liefde als helder schijnend licht heeft geopenbaard. Ook ons ​​getuigenis moet deze balans tussen genade en waarheid, tussen liefde en licht, weerspiegelen.

In het verleden bestond licht alleen wanneer er daadwerkelijk iets brandde; een brandend vuur of een fakkel verspreidde licht. Tot een paar jaar geleden was licht onlosmakelijk verbonden met warmte. Bij de eerste gloeilampen was de warmte die werd gegenereerd zelfs groter dan de helderheid van de lamp. Tegenwoordig hebben we ledlampen die een overvloed aan licht uitstralen, maar vanbinnen koud blijven. Hoe zit het met ons? Functioneren wij als een ledlamp – hard en fel licht, maar vanbinnen koud – of stralen wij een uitnodigende warmte uit door ons getuigenis? We moeten eerst innerlijk branden van de grootheid en glorie van de Persoon van de Heer Jezus, en dan pas kunnen we een warm en helder schijnend getuigenis voor Hem afleggen.

In deze verzen benadrukt het woord ‘maar’ één van de vele contrasten in deze passage: enerzijds Johannes de Doper, en anderzijds de Joden tot wie de Heer Jezus spreekt. Hij getuigt over Johannes, maar wat de Joden in dit verband wilden, was onvoldoende. Deze brandende en schijnende lamp was bedoeld om meer te brengen dan slechts vluchtige vreugde. De boodschap van Johannes was ook geen boodschap om vrolijk te kunnen zijn; ze trof het geweten, legde het bloot en eiste ernstige innerlijke inkeer en bekering. Zo’n boodschap met vreugde ontvangen is slechts oppervlakkig en zonder fundament (Matth. 13:20-21). Allereerst moeten er verdriet en berouw zijn over iemands zondige toestand, wil men ware vreugde vinden in de boodschap. Maar de Joden wilden geen blijvende, permanente conclusies voor hun leven trekken; ze wilden slechts tijdelijk vreugde ervaren. Wat een verblinding! Een gebrek aan ernst leidt tot een gebrek aan blijvende kracht in het hart.

We denken aan Ezechiël, die ook geen vreugdevol nieuws aan de Joden kon brengen. Maar ze kwamen in grote aantallen naar hem toe – zoals ze ook naar Johannes waren gekomen – en hoorden zijn woorden, maar handelden er niet naar (Ezech. 33:31-33). Het is duidelijk, dat zelfs met zo’n ernstige en ook glorieuze boodschap iemand innerlijk gesloten kan raken. Dit leidt er dan toe, dat juist het getuigenis, dat bedoeld is voor redding, resulteert in oordeel.

Johannes zelf ervoer diepe vreugde toen hij de stem van de bruidegom hoorde (Joh. 3:29). Hij had de Heer Jezus gehoord en gezien en van Hem getuigd als de Zoon van God. En dat was precies wat degenen aan wie Johannes van de Heer Jezus had getuigd, niet wilden. Juist die Persoon wilden ze niet aannemen. Ze hadden Johannes zeker hoog in aanzien als profeet, maar Degene die voor Johannes de ware vreugde betekende, wilden ze niet.

 

NOTEN:
1. Letterlijk ‘uur’, zoals in vers 25 en 28; het woord doelt eigenlijk op een bepaald tijdstip, maar Johannes gebruikt het vaak voor een tijdsperiode gekarakteriseerd door een bepaald kenmerk; vergelijk 4:21,23; 12:27; 16:2,25,32; 1 Joh. 2:18.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 27.06.2019

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW