3 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (16b)

Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 21-23

“Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil” (vs. 21).

Met deze woorden maakt de Heer Jezus onderscheid tussen het opwekken van de doden en het levend maken ervan. We vinden deze twee uitdrukkingen ook naast elkaar in Kolosse 2 vers 12-13 en Efeze 2 vers 5-6. Het opwekken van de doden brengt ons naar een andere wereld, terwijl het levend maken ons in een andere toestand brengt. Met betrekking tot de Zoon wordt hier de tweede handeling, het levend maken van ons, benadrukt; pas in vers 28 lezen we, dat Hij ook de doden zal opwekken. De Zoon maakt de geestelijk doden levend, brengt hen tot leven. Deze levengevende kracht is Hem niet gegeven, Hij bezit die als de Zoon, net zoals de Vader die bezit.

Vraag: Wat is het verschil tussen levend maken en wedergeboren worden? Wanneer vinden deze twee gebeurtenissen in ons leven plaats?

Antwoord: Wij zijn levend gemaakt met Christus omdat wij dood waren in onze zonden en overtredingen (Ef. 2:5); wedergeboren worden geeft aan, dat we op een volledig nieuwe wijze geboren worden, waarbij de nadruk ligt op de nieuwheid van de geboorte, namelijk, uit water en de Geest (Joh. 3:5). In het gesprek met Nicodémus bevinden we ons nog steeds voor het kruis, en dit wedergeboren worden is ook van toepassing op de mensen uit het Oude Testament; geen mens kan in gemeenschap met God komen zonder uit Hem geboren te worden. Nu het verlossingswerk volbracht is, wordt de mens levend gemaakt met Christus. In de bedeling waarin wij leven, verwijzen beide uitdrukkingen daarom tegelijkertijd naar één en hetzelfde. Het is het allereerste wat ons overkomt. Op het moment, dat iemand zich bekeert en zich tot God wendt, ontvangt hij nieuw leven en wordt hij ook wedergeboren.

In Gods ogen is er niets goeds in een mens. De natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest van God is (vgl. 1 Kor. 2:14); er is geen antenne voor iets Goddelijks in hem. Als dat niet het geval was, zou er iets goeds in de mens zijn. Maar de mensheid is volkomen verdorven (Rom. 3:12)! Daarom is de wedergeboorte Gods eerste werk. Maar op hetzelfde moment vindt de bekering plaats, de omkeer tot God. Als we Handelingen 13 vers 48 vergelijken met Handelingen 14 vers 1, kunnen we ons afvragen: wat is juist? Bekeerden de toehoorders zich omdat ze voorbestemd waren voor het eeuwige leven, of bekeerden ze zich omdat de prediking hun harten hadden geraakt? Beide kanten zijn waar! Maar God komt eerst. De wedergeboorte, of levend gemaakt worden met Christus (wat pas kon gebeuren nadat het werk volbracht was), is het allereerste, omdat de natuurlijke mens tot niets in staat is; er is geen zaad in hem om iets van God te ontvangen. Daarom moet God eerst in de mens werken.

Vanuit het verband van Romeinen 8 vers 11 kunnen we misschien zelfs zeggen, dat levend maken meer inhoudt dan alleen geestelijk leven geven; het omvat ook onze lichamelijke opstanding.

“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven” (vs. 22).

Het vermogen en de macht om leven te geven, is iets wat de Zoon bezit zonder dat het Hem gegeven hoeft te worden. Maar dit tweede aspect van de grotere werken, de bevoegdheid om te oordelen, werd door de Vader aan de Zoon gegeven en overgedragen. De Zoon, Die hier als Mens stond voor de ogen van hen die Hem verwierpen, heeft het volledige oordeel zonder uitzondering. Het volledige oordeel is aan de Zoon toevertrouwd; de Vader heeft er niets van voor Zichzelf gereserveerd.

Wanneer Johannes 8 vers 50 zegt, dat de Vader oordeelt, verwijst dat niet naar het oordeel als een daad, maar eerder naar het feit, dat Hij het gepaste oordeel zal vellen en het aan het licht zal brengen, en dat Hij niet zal zwijgen wanneer iemand de Heer onteert. Hij zal persoonlijk ingrijpen wanneer het gaat om aanvallen op de Heer.

Vraag: Verwijst de uitdrukking “heel het oordeel” naar de verschillende soorten oordelen die de Heer Jezus uitspreekt, waaronder dan ook alle krijgsoordelen, het oordeel over de levenden en het oordeel over de doden vallen, of betekent het veeleer het volledige oordeel aan het einde voor de grote witte troon (Openb. 20:11 e.v.)? Moeten we in dit verband ook denken aan de rechterstoel waarvoor ook wij ooit zullen verschijnen, maar die een rechterstoel is voor de gelovigen en geenszins een rechtszitting vertegenwoordigt?

Antwoord: Allereerst betekent de rechterstoel van Christus in 2 Korinthe 5 vers 10, dat alle mensen daar voor Hem moeten verschijnen – maar niet allemaal op hetzelfde tijdstip. De eerste gebeurtenis is de openbaring van gelovigen na de Opname, waar we een beloning zullen ontvangen voor het goede in ons leven; het kwade in ons leven is eens en voor altijd geoordeeld op Golgotha ​​in de Heer Jezus. Vervolgens, als tweede handeling van de rechterstoel, vóór de vestiging van de 1000-jarige heerschappij, vindt het oordeel van de levenden plaats (Matth. 25:31 e.v.; Openb. 20:4; Hand. 17:31), waar gelovigen en ongelovigen zullen verschijnen. En de derde handeling van de rechterstoel is de laatste rechtszitting voor de grote witte troon. Deze verschillende rechtszittingen vallen onder de uitdrukking “heel het oordeel.” Dit komt ook overeen met het begin van dit vers, dat de Vader niemand oordeelt; het is een oordeel in zijn volle omvang. Dit komt ook overeen met alle andere passages in het Nieuwe Testament waarin we zien hoe het oordeel wordt uitgeoefend (bijv. 2 Thess. 1:7-9; 2 Tim. 4:1; 2 Thess. 2:8; Openb. 19:15).

De Heer Jezus, als Mens, is Degene Die het oordeel voltrekt, de Rechter Zelf. Daarom kan niemand zich verontschuldigen voor het stellen van buitensporige eisen, want de Heer Jezus, Die als mens alles heeft meegemaakt, is de Rechter.

Het is opvallend dat de verzen 20 tot en met 22 allemaal beginnen met een “want.” Vers 20 verwijst naar de eeuwige Zoon binnen de Godheid, vers 21 naar Goddelijke almacht en eenheid in het handelen in de opstanding van de doden (maar niet de opstanding van de Heer zelf), en dan hier in vers 22 naar de Zoon als Mens, want als God de Zoon heeft de Vader Hem nooit iets gegeven. Wanneer we hier goed over nadenken, voelen we, dat we onze grenzen bereiken. Toch is er een onderscheid tussen het gezichtspunt van de Zoon van God Die Mens werd en de Zoon des mensen hier op aarde. Het is altijd dezelfde Persoon. Het oordeel wordt Hem niet gegeven als de Zoon in Zijn eeuwige hoedanigheid, maar als Degene Die Zich vrijwillig vernederde en zo van Zijn God ontving, wat Hij Hem gaf (vgl. Joh. 17:22). En al deze drie gezichtspunten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; ze bouwen op elkaar voort. Wij staan ​​in aanbidding en verwondering over het feit, dat de Zoon van God Zich zó vernederd heeft en in onze omstandigheden gekomen is om daarin als Mens God volkomen te openbaren.

“… opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet Die Hem heeft gezonden” (vs. 23).

Een nieuw aspect van de eenheid tussen de Vader en de Zoon: eer komt hun toe, en deze eer zal hun ten deel vallen. De Vader verlangt, dat allen de Zoon eren. Zij die levend gemaakt worden, eren de Zoon gewillig; maar de anderen moeten dat ook absoluut doen. Wie de Zoon niet eert, eert uiteindelijk ook de Vader niet. De Vader is in alle opzichten één met de Zoon, met Hem als de eeuwige Zoon, en met Hem als Degene Die Hij als Mens naar deze aarde zond. En Hij aanvaardt geen eer die niet aan Zijn Zoon gegeven wordt (1 Joh. 2:23).

Hoeveel mensen zijn er, zelfs binnen christelijke kerken, die in God geloven, maar niet in de Zoon? Er zijn hele religies, zoals bijvoorbeeld de Islam, waar geleerd wordt, dat God geen Zoon heeft en het vandaag de dag onmogelijk zou zijn om in God te geloven (verg. 1 Joh. 2:23). We kunnen niet negeren, dat mensen schijnbaar vandaag oprecht in God gelooft, maar van de Zoon niets willen weten – dit is een onmogelijkheid die we in elke verkondiging van het evangelie duidelijk moeten maken (Hand. 4:12).

Wie de Heer Jezus in zijn leven niet eert, zal Hem op een dag als Rechter moeten eren (Fil. 2:10). De Vader wil, dat Zijn Zoon in alle opzichten geëerd wordt. Filippi 2 vers 10 beschrijft geen vrijwillige onderwerping van mensen, want als zij het oordeel van eeuwige verdoemenis ervaren en zich vrijwillig voor Hem zouden buigen (Rom. 14:11; Jes. 45:23), dan zou er in hen bekering moeten hebben plaatsgevonden. Het is een gedwongen onderwerping (vgl. Ef. 1:20-22), geen erkenning. De verheerlijking van de Heer ligt uitsluitend in het feit, dat Hij, volgens de maatstaf van Goddelijke gerechtigheid, de zondaar toebedeelt wat hem toekomt. Er zullen in de hel geen positieve impulsen zijn, zoals misschien het verlangen naar bekering, maar alleen de uiting van vreselijke kwelling en zelfbeschuldiging. Het is alleen de worm die nooit ophoudt te knagen en het vuur, dat nooit uitgaat – eeuwig ver van God en Zijn licht! Dit zijn de ergste beschuldigingen die een mens tegen zichzelf kan uiten, en ze zullen dat tot in alle eeuwigheid blijven doen.

De Heer Jezus heeft ook een heerlijkheid als Rechter, en wanneer Hij oordeelt over hen die Hem niet erkennen, die zich voor Hem zouden moeten buigen, dan verheerlijkt Hij Zichzelf in het oordeel! In Johannes 18 vers 6 zien we een soortgelijk neervallen van de vijanden van de Heer; ze kunnen niet anders en vallen ter aarde voor de heerlijkheid van de Heer.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online seit dem 04.03.2019

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW