12 jaar geleden

Het Calvijnjaar (1)

Op 10 juli 1509 werd Johannes Calvijn geboren. Zijn vader heette Gérard Cauvin en zijn moeder Jeanne Lefranc. Hij was de vierde van zes kinderen. Dit jaar is dat dus 500 jaar geleden. Het wordt daarom dit jaar het “Calvijnjaar” genoemd. Of Calvijn hiermee zelf wel zo gelukkig zou zijn geweest, valt misschien te betwijfelen. Maar ja, sommigen in de christenheid van onze tijd hebben daar blijkbaar behoefte aan of zien er mogelijkheden in om deze reformator weer eens voor het voetlicht te brengen. Calvijn is zeker een gedegen tegenhanger van de evolutionist Darwin. We hebben al het “Darwinjaar”, daar kan ook nog wel een “Calvijnjaar” bij, zo zou je kunnen denken. Ongetwijfeld is deze man in de geschiedenis van de kerk – naast anderen als bijvoorbeeld Luther, Farel, Zwingli – van grote betekenis geweest, en voor velen nog steeds. Hoe dan ook, er valt best het een en ander ‘van’ en ‘over’ Johannes Calvijn te leren, hij was namelijk onder andere iemand van “ware godsvrucht”. Zijn moeder oefende een vrome invloed op Calvijn uit. Door de positie van Calvijns vader als bisschoppelijk ambtenaar, kon Calvijn huisonderwijs volgen met een groep adellijke jongens. Later volgde hij onderwijs aan het College der Capetten (een vooraanstaande jongensschool), waar hij een ijverige leerling bleek te zijn. In 1523 werd Calvijn op veertienjarige leeftijd door zijn vader naar het Collège de la Marche in Parijs gestuurd, waar hij onderwijs volgde in Latijn en Frans bij onder andere Mathurin Cordier. Daarnaast bezocht Calvijn enige tijd het Collège Montaignu. Gérard Cauvin wilde aanvankelijk dat zijn zoon priester zou worden, maar toen dit door een geschil met het kapittel onmogelijk werd, liet hij Calvijn rechten en letteren studeren. Calvijn begon zijn studie in 1528 te Orléans en vervolgde zijn studie in 1529 in Bourges, waarna hij in 1532 doctor in het recht werd in Orléans. Volgens de gewoonte van die tijd ging Calvijn zich toen Johannes Calvinus noemen. Deze gelatiniseerde vorm werd in het Frans Jean Cauvin en in het Nederlands Johannes Calvijn.

De komst van Calvijn in Genève

In de maand augustus van het jaar 1536 vertoonde zich onder de scharen vluchtelingen, die dagelijks de poorten van Genève binnen kwamen, een Fransman, geboren uit Picardië, jong, pas achtentwintig jaar oud, van een slanke gestalte en een bleek gezicht. Hij kwam om gedurende de nacht uit te rusten, en de volgende morgen verder te gaan. Deze jonge man was Johannes Calvijn. Hoezeer nog jong en van een zedig voorkomen, was hij niet zonder naam als letterkundige en godgeleerde, noch onbeproefd als een vriend van der Hervorming. Hij was op reis van Italië, met de bedoeling zijn vast verblijf te vestigen te Bazel of te Straatsburg; maar de oorlog die toen heerste tussen Duitsland en Frankrijk, noodzaakte hem een omweg te maken over Genève. Maar de vurige Farel meende, dat de schrijver van de “Instituties” juist de man was voor Genève, en drong bij hem aan om te blijven. De God van alle genade, dacht hij, had hem op dit beslissende ogenblik gezonden.

Calvijn antwoordde, dat zijn opvoeding nog niet voltooid was; dat hij meer studie en vlijt behoefde om geschikt te zijn voor zo’n moeilijke post, als die van Genève hem voorkwam, en verzocht hem vergunning om naar Bazel of Straatsburg door te gaan. Hierop verhief Farel zijn stem als met het gezag van een rechtstreekse bode van God, en zei: “Maar ik verklaar u in de naam van God, dat, zo u weigert hier met ons aan het werk van de Heer te arbeiden, Zijn vloek op u zal rusten daar gij, onder voorwendsel van uw studie, uzelf zoekt in plaats van Hem”. Calvijn had tot nu toe gedacht, dat zijn eigenlijke sfeer zijn boekvertrek en zijn hoofdwerktuig de pen was; maar overweldigd door een zo gezaghebbende verklaring van de wil van God, afgelegd door een zo doorluchtig apostel van de Hervorming, durfde hij het juk van de bediening, zo blijkbaar door de Heer op hem gelegd, niet af te wijzen. Hij gaf zijn hand aan Farel, en zijn hart aan het werk van de Heer in Genève. Hij werd onmiddellijk aangesteld tot professor in de godgeleerdheid, en spoedig daarna tot predikant van een van de voornaamste parochies. Deze dubbele bezigheid verleende ruimte genoeg voor de tentoonspreiding van zijn grote hoedanigheden, en baande de weg tot die bijzondere invloed, die hij later verkreeg, zowel in de kerk als in de staat. Hier arbeidde hij achtentwintig jaar met uitzondering van een korte verbanning en werd de grote leider van de zaak van het protestantisme en het uitmuntende hoofd van de Hervorming.

Calvijn’s jeugd

Daar de beroemde Franse hervormer nu te Genève gevestigd is, en voortaan de hoofdfiguur in de grote hervormingsbeweging zal uitmaken, dienen wij enigszins nader omtrent zijn vroeger leven ingelicht te worden. Calvijn werd op 10 juli 1509 in Noyon in Picardië geboren. Zijn ouders hadden een matig fortuin, maar waren zeer gezien bij hen, onder wie zij leefden. Zijn vader, Gerard Calvijn, was secretaris van de bisschop, en zo geacht bij de voorname heren uit de omtrek, dat zijn zoon Johannes zijn eerste opvoeding verkreeg tegelijk met de kinderen van een adellijke familie, de Mommor genaamd. Zijn vader droeg echter bij in de kosten, en daar dit een probleem was, vroeg en verkreeg hij voor zijn twaalfjarige zoon de kapelaansbetrekking van la Gésine. Weinige dagen na zijn benoeming, in mei 1521, onderging de jonge kapelaan de tonsuur*. Toen Calvijn later beslist had de Roomse kerk vaarwel te zeggen, heeft hij vrijwillig afstand gedaan van alle voordelen die hij van haar trok1.

Op veertienjarige leeftijd zond zijn vader hem naar Parijs om zijn studies voort te zetten, en hij had daar tot onderwijzer in de Latijnse taal, aan het college van la Marche, de beroemde Mathurin Cordier. Een van diens boeken is nog wel bekend in enkele scholen als Cordier’s samenspraken. Maar hij was meer dan een uitstekend onderwijzer; hij was iemand van ware godsvrucht. Nadat hij het hervormde geloof had aangenomen, vertrok hij ten laatste naar Genéve, waar hij tot het eind van zijn leven als leraar in de openbare school werkzaam bleef. Hij stierf in 1564, omtrent zes maanden na zijn vermaarde leerling, en op vijfentachtigjarige leeftijd.

Nadat Calvijn het onderwijs van Cordier bijgewoond had, ging hij in 1526 over naar het college van Montaigu, een seminarie tot opleiding van priesters, waar hij ruimschoots gelegenheid vond zijn strenge geest in de kunst van redeneren en bewijsvoeren te oefenen.

Calvijn’s bekering

Het is niet van belang ontbloot een innig verband te ontdekken tussen de bekering van Calvijn en de Sorbonne van Parijs. Wij zagen reeds vroeger, hoe Lefèvre het middel was van de bekering van Farel. Het blijkt nu dat een ander jong mens omtrent dezelfde tijd de lessen bijwoonde, en tot kennis van de waarheid, die in Jezus is, gebracht werd. Dit was Olivetanus, geboren te Noyon, een neef van Calvijn en enige jaren ouder. Het was diezelfde Olivetanus, door wie later de Bijbel, volgens Lefèvre’s lezing, in het Frans vertaald werd. Toen zijn neef in Parijs aankwam, maakte hij hem met het evangelie bekend, dat hijzelf aangenomen had. De jonge Calvijn was in die tijd streng rooms, en sterkte zich tegen de bewijzen van zijn neef door de stipte waarneming van al de kerkelijke voorschriften.

“Oprechte godsdienst”, zei Olivetanus, “bestaat niet in die menigte plechtigheden en gebruiken, welke de kerk haar volgelingen oplegt, en waardoor de ziel van Christus afgehouden wordt. O mijn lieve neef, houd op van roepen met de pausgezinden: de vaders! de doctors! de kerk! en luister veeleer naar de profeten en apostelen. Bestudeer de Schriften”. “Ik wil uw nieuwe leringen niet”, antwoordde Calvijn, “haar nieuwheid stuit mij. Ik kan niet naar u luisteren. Denkt u, dat ik mijn gehele leven in dwaling ben opgevoed? Neen, ik zal krachtdadig aan uw aanvallen weerstand bieden”. Olivetanus gaf hem de Bijbel in handen, met de uitnodiging het Woord van God oplettend te onderzoeken.

De Hervorming bracht destijds alle scholen van geleerdheid in beroering. Leraars en studenten hielden zich met niets anders bezig; sommigen ongetwijfeld uit pure nieuwsgierigheid of om minachting te brengen over de hervormers en hun leer; maar over het algemeen was er een ontwaking van de gewetens, en een bereidheid om het ware evangelie van de genade van God te geloven. Gelukkig voor Calvijn behoorde hij tot de laatste soort. De Heilige Schrift maakte hem, onder Gods zegen, los van het Rooms-katholicisme, zoals zij dit zijn neef Olivetanus gedaan had.

Men veronderstelt, dat Calvijn gedurende meer dan drie jaren – van 1523 tot 1527 – diepe ziels-ervaringen maakte. M. d’Aubigné zegt daaromtrent: “Toch kon Calvijn met zijn voortreffelijke, waarnemende geest onmogelijk getuige zijn van de grote beweging, die in de wereld plaats greep, zonder na te denken over de waarheid, over de dwaling en over zichzelf. Dikwijls als hij alleen was, en de stemmen van der mensen niet meer door hem vernomen werden, sprak een machtiger stem, tot zijn ziel, en werd zijn kamer het tooneel van worstelingen, niet minder hevig dan in de cel van Erfurt [Luther – bewerker FW]. Door dezelfde stormen heen bereikten beide deze grote hervormers de haven der rust”. Maar de bekering van Calvijn wekt, ook vanwege het gemis van veel bijzonderheden, niet die diepe belangstelling die ieder gevoelt in de bekering van Luther. De brieven die hij toen aan zijn vader schreef, zowel als die aan Olivetanus, zijn niet gevonden. Theodorus Beza, zijn vertrouwdste vriend, zegt: “Calvijn, onderwezen in de ware godsdienst door een van zijn bloedverwanten, Olivetanus genaamd, en de Heilige Schrift zorgvuldig gelezen hebbende, begon van de leer van de Roomse kerk een afschuw te krijgen, en had het voornemen haar gemeenschap op te zeggen”. Hier is het nog maar het voornemen Rome te verlaten; zijn eigen woorden op latere leeftijd zijn beslist: “Toen ik de hardnekkige slaaf was van de bijgelovigheden van het pausdom”, zo spreekt hij, “en het onmogelijk scheen mij uit de diepe modderpoel te trekken, bracht God mij door een plotselinge bekering tot onderwerping, en bewerkte mijn hart tot gehoorzaamheid aan zijn Woord”. Aldus zien wij de verschillende geestelijke banden tussen de Sorbonne en de eerste en grootste hervormers. “Farel”, zegt d’Aubigné, “is de wegbereider voor de Hervorming in Frankrijk en Zwitserland. Hij werpt zich in het bos, houwt met zijn bijl de reuzen van het woud neer. Calvijn kwam daarna net als Melanchtón van wie hij overigens in karakter veel verschilde, maar op wie hij geleek als godgeleerde en organiserend genie. Deze twee mannen bouwden op, stelden vast, en gaven wetten op het gebied, door de eerste twee hervormers veroverd”. En Beza spreekt van Lefèvre als van de man “die moedig de verlevendiging van de zuivere godsdienst van Jezus Christus ter hand nam, en uit wiens leeszaal vele van de meest uitstekende mannen van die tijd en van de kerk voortkwamen”.

Calvijn legt zich toe op de rechtsgeleerdheid

Het goddelijk licht, dat nu de ziel van Calvijn vervulde, toonde hem de middernachtelijke duisternis van de kerk van Rome. Hetgeen eenmaal in zijn oog kon bogen op de schitterendste luister en de eerwaardigheid van de oudheid, wat hij aangezien had voor de woning van God en de poort van de hemel, werd nu voor zijn pas geopend oog de tempel van de afgoden en de poort tot het verderf. Dit blijkt uit het feit, dat hij niet langer haar altaren bedienen kon en zijn gewijd ambt neerlegde. Dit ging met de toestemming van zijn vader gepaard; en onmiddellijk was hij er op bedacht te Orleans en te Bourges in het burgerlijk recht te gaan studeren. De lessen in de wetenschap van de wet, die hij nu moest bijwonen, pasten echter slecht voor hem, die eerst onlangs aan de vlammen van het martelaarschap in Parijs ontvlucht was. “Het is de plicht van de overheid”, zei zijn onderwijzer, “misdaden tegen de godsdienst even zo goed te straffen als die tegen de staat”. “Hoe”, riep hij soms uit, “zullen wij een dief hangen, die ons van onze beurs berooft, en niet de ketter verbranden, die ons berooft van de hemel?” De uitwerking van dergelijke stellingen op de geest van het volk, wanneer nog bovendien de priesters de invloed daarvan versterkten, moest alle natuurlijk medegevoel verstompen en het ter dood brengen van ketters doen goedkeuren. Zulke denkbeelden werden destijds aan Calvijn en de anderen ingeprent, en daar zij een schijn van recht hadden, en gezegd werden tot bescherming van de ware godsdienst te worden toegepast, wortelden zij zich vast in het bijgelovig gemoed, en zullen zelfs op Calvijn’s strenge geest dieper indruk achtergelaten hebben, dan hijzelf vermoedde.

Calvijn keert tot de godgeleerdheid terug

Toen Calvijn te Bourges was, liet hij de studie van de rechtsgeleerdheid varen, en keerde zich opnieuw tot de kerk, zoals hij die nu in de Schrift gevonden had. Hij legde zich toe op de Griekse, Hebreeuwse en Syrische taal, ten einde het Oude Testament beter te verstaan; want de godgeleerdheid bleef hem het meest aantrekken. Ook bezielde hem de wens de waarheid, waarin hij nu geloofde en zijn vreugde vond, aan anderen bekend te maken. Daar hij veel toehoorders kreeg, kon hij zich weinig meer – zoals eigenlijk zijn lust was – in de eenzaamheid ophouden. “Wat mij aangaat”, zegt hij, “daar ik van nature bedeesd en teruggetrokken ben, heb ik altijd de voorkeur gegeven aan de rust en afzondering; ik begon te zoeken naar een plaats om mij te verbergen en naar een middel om mij aan de wereld te onttrekken; maar wel verre van mijn wens te verkrijgen, werd elk toevluchtsoord en elke plaats van afzondering, voor mij een openbare leerplaats”. Hij behoorde dan ook tot hen, die niet zwijgen kunnen over hetgeen zij geloven. Hij predikte in de geheime bijeenkomsten te Bourges en te Parijs. Theodorus Beza zegt: “Hij bevorderde op wonderbare wijze de zaak van God in vele huisgezinnen, de waarheid onderwijzende, niet met gemaakte woorden, waarvan hij altijd een afkeer had, maar met een diepte van kennis en ernst van taal, die niemand kon aanhoren, zonder vervuld te worden met bewondering.

Calvijn waagde zich nog eens binnen Parijs. Hij had vurig begeerd, dat Frankrijk het veld en Parijs het middelpunt mocht zijn van zijn arbeid; maar de hevigheid van de vervolging noodzaakte hem zowel zichzelf als zijn plannen verborgen te houden. Hij was nu omtrent vierentwintig jaar oud, en vol ijver en werkzaamheid. Een van zijn vrienden, Nicolaas Cop, de zoon van een burger in Bazel, die eerste geneesheer van de koning en rector van de Parijse universiteit was, moest volgens de gewoonte op Allerheiligen een redevoering uitspreken. Een schone gelegenheid, zo fluisterde Calvijn zijn vriend Cop in, om het evangelie bekend te maken van de meest openbare van alle kansels van de Christenheid! Daar Cop zich echter niet in staat voelde zo’n toespraak op te stellen, werd er bepaald, dat Calvijn ze schrijven en Cop ze voordragen zou. Op 1 november 1533 sprak de rector zijn redevoering uit, in het midden van de geleerde mannen van Parijs, voor een stil en verbaasd getal toehoorders. Calvijn had, hoezeer het Allerheiligen was, vergeten één woord over de heiligen te zeggen, maar verhief de genade van God als ‘s mensen enige hoop op vergeving en behoud, door middel van de kostbare offerande van Christus.

Toen de vergadering opstond, brak de storm los. Er werd geklaagd over verraad jegens de heiligen, en een ondermijnen van de fundamenten van Rome. Cop was echter de eerste geneesheer en gunsteling van de koning; wat zou men doen? De Sorbonne klaagde hem aan bij het parlement en bij de ketter-rechter Morin.

Cop bemerkte tijdig het gevaar, vluchtte naar Bazel en ontsnapte zodoende aan het martelvuur. Maar al was hij gevlucht, men hield Calvijn verdacht van de wezenlijke opsteller van de redevoering te zijn. De ketter-rechter Morin had bevel hem gevangen te nemen. Terwijl hij veilig in zijn afzondering meende te zijn, stormde een vriend zijn kamer binnen, bij hem aandringende om een onmiddellijk te vluchten, daar de gerechtsdienaars buiten stonden. Door zich door middel van een beddenlaken uit het venster te laten zakken, ontkwam hij; en onder de naam van d’Espeville, als boer gekleed, met een tuinschoffel op de schouder, bereikte hij Angoulème, en werd opgenomen in het huis van de kanunnik du Tillet, waar hij enige tijd vertoefde, en een rijke boekverzameling tot zijn beschikking vond.

NOTEN:
1. Tot het begin van de zestiende eeuw was het niets ongewoons zelfs de hoogste kerkelijke betrekkingen aan kinderen weg te schenken, ten einde hun de geldelijke inkomsten daarvan te bezorgen. Zo had men in Frankrijk een kardinaal van 16 jaar; in Portugal een van 8 jaar; en Paus Leo X, die hem daartoe benoemd had, was zelfs op 5 jarige leeftijd aartsbisschop van Aix geweest (N. v. d. V.).

 

NOTEN VERTALER:
* De tonsuur of kruinschering is een gebruik in het christendom dat reeds te vinden is bij vele volken van de oudheid als teken van rouw, slavernij, onderwerping of toewijding aan de goden. Zo gold het bij Egyptische priesters als middel tot lichamelijke reinheid bij rituele praktijken.
In de Katholieke Kerk is de tonsuur overgenomen door monniken, later ook bij de wereldgeestelijken. Het is bedoeld als symbool van toewijding aan God. Er bestaan twee soorten tonsuur:
  • De tonsuur van een kleine cirkel op de kruin, de Romeinse of Petrus-tonsuur, stamt uit de Middeleeuwen.
  • Grote tonsuren (de zogenaamde Paulustonsuur) kenmerken de leden van kloosterordes als de Dominicanen, Karmelieten, Kapucijnen, Benedictijnen en Kartuizers.
De tonsuur werd het teken van het opgenomen zijn in de geestelijke stand en verbonden met een inkledingsritus. Deze ritus werd door het motu proprio Ministeria quaedam van Paus Paulus VI op 1 januari 1973 afgeschaft [Wikipedia].

Wordt D.V. vervolgd.

Uit: Algemene geschiedenis van de Christelijke kerk” (oorspronkelijke titel: Church History).
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes. In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW