12 maanden geleden

Handelingen 11 vers 26

“…..en de discipelen werden voor het eerst christenen genoemd”.

De uitdrukking christen wordt op 3 plaatsen genoemd in het Nieuwe Testament.

De eerste keer horen we hier in Antiochie. Het geloof groeide en verplaatste zich tot buiten Judea en Samaria en naar de heidenen. Meer en meer heidenen kwamen tot Christus, en dit was het geval in Antiochie (Hand 11:19-20).

De tweede keer horen we de naam christen op de lippen van een heidense koning. De apostel Paulus staat voor koning Agrippa en geeft de koning een getuigenis van zijn ontmoeting met de Heer (Hand 9:1-19). Paulus was zijn hemelse roeping niet ongehoorzaam geweest, en werd van een vervolger van de gemeente een volgeling van Christus. Koning Agrippa kon niets anders antwoorden: Je overtuigt me bijna om christen te worden (Hand 26:28).

Het derde gebruik van het woord christen is meer plechtig: Als hij echter als christen lijdt, laat hij zich niet schamen maar God verheerlijken in deze naam (1 Petr. 4:16). De gelovigen werden vervolgd door de hand van de Keizer Nero, alleen omdat ze christenen waren. Petrus vermaande hen dat ze God moesten groot maken en prijzen en door moesten gaan ondanks de vervolging. Heeft niet de Heer Jezus gezegd: “Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en <liegend> allerlei kwaad van u spreken terwille van Mij?” (Matth 5:11). De gelovigen in het boek Handelingen noemden zichzelf geen christenen, maar mensen van de Weg (Hand. 9:2;19:9,23; 22:4; 24:14,22). Zij volgden de Heer Jezus Christus die “de weg en de waarheid en het leven” (Joh. 14:6).

In deze wereld zijn meer dan 2 biljoen mensen die zichzelf christenen noemen. Maar toch, van die grote menigte zijn maar weinigen ware volgers van ‘de weg’. Hoe staat het met jouw navolging van de Heer Jezus Christus? Ken jij de Heer Jezus Christus als je Redder en Zaligmaker?

28 oktober 2016

Jorim Kranenborg, © Frisse Wateren

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol