5 jaar geleden

Grote verdrukking?

Moeten Christenen door de grote verdrukking gaan? Wanneer komt de Heer Jezus om de Zijnen tot Zich te nemen? Voor de grote verdrukking of na de grote verdrukking? We willen op deze belangrijke vraag eens ingaan en ons opnieuw laten motiveren, onze Heiland dagelijks uit de hemel te verwachten!

Voordat we op het onderwerp ingaan, wil ik nog twee waarheden uit de Schrift noemen, die ik graag als bekend zou willen veronderstellen:
Christus zal komen. Ook wanneer er in de wereld aan wordt getwijfeld (2 Petr. 3:1-7), het is een feit: Christus zal terugkomen. Hij heeft het zelf gezegd: “En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug” (Joh. 14:3). Een van de laatste woorden in de Bijbel is de belofte van onze Heer: “Ja, Ik kom spoedig” (Openb. 22:20). De grote verdrukking zal komen. Er komt een verdrukking van Israël en de gehele aarde, zoals sinds het begin van de wereld tot nu toe nog niet geweest en nooit meer zijn zal (Jer. 30:6,7; Dan. 12:1; Matth. 24:21; Openb. 3:10; 7:14). Deze verdrukking zal zeven jaar duren, waarbij de tweede 3,5 jaar bijzonder zwaar zal zijn (Dan. 9:27; Openb. 11:2; 13:5).

Christus komt en de grote verdrukking komt. Maar wat komt het eerst? Christus of de grote verdrukking? Het is Christus! Hij zal komen en de Zijnen vóór de grote verdrukking in de hemel opnemen. Met deze argumenten wil ik uitleggen waarom ik denk dat dit de enige mogelijke conclusie is:

• Het is allereerst belangrijk dat we onderscheid maken tussen de opname en de verschijning: De Heer zal de gelovigen tot Zich in de hemel opnemen (Joh. 14:1-3; 1 Thess. 4:17; 2 Thess. 2:1), om daarna met hen in macht en heerlijkheid op aarde te verschijnen (1 Thess. 3:13; 4:14; Judas :14; Zach. 14:4,5). Als we dit verschil duidelijk zien, zal het gemakkelijker zijn om de verschillende aspecten te begrijpen.

• Christenen verwachten elke dag, dat de Heer terugkomt, en roepen “Kom, Heer Jezus” (Luk. 12:36; Openb. 22:20). Deze roep zou nauwelijks zinvol zijn wanneer we eerst door de grote verdrukking zouden moeten gaan. Christenen wachten op Christus – en niet op de tijd van grote verdrukking, die met de openbaring van de antichrist verbonden is!

• Als de opname wordt beschreven, wordt de grote verdrukking niet genoemd (Joh. 14:1-3; 1 Thess. 4:13-17) en wordt er alleen van bemoediging gesproken. Blijkbaar is de opname een op zichzelf staande gebeurtenis, die we met ongestoorde vreugde kunnen verwachten. Als we de grote verdrukking moesten ondergaan – zouden we dan niet beter kunnen hopen tevoren te mogen ontslapen? Zou de vreugde over de opname zich niet onvermijdelijk met angst voor de beproevingen vermengen?

• In de grote verdrukking wordt de toorn van God en van het Lam over de aarde uitgegoten (Openb. 6:16,17) gegoten. Wij, de verloste christenen, zijn niet gesteld tot toorn maar tot het verkrijgen van de zaligheid (1 Thess. 5:9). We zullen niet de toekomende toorn ondergaan maar bevrijd worden wanneer de Heer ons in de hemel opneemt (1 Thess. 1:10, Rom. 5:9). Na de opname zal het verderf over de ongelovige komen (1 Thess. 5:3).

• In de tegenwoordige tijd – vóór de openbaring van de antichrist, de “mens van zonde” – is er nog iets anders “wat weerhoudt”, en een Persoon die het kwaad weerhoudt (2 Thess. 2:3,5,7). Deze Persoon is de van hemel gezonden Heilige Geest, die in iedere christen en in de gemeente woont. Deze Geest roept vandaag met de bruid van Christus: “Kom” (Openb. 22:17). Pas wanneer de Geest en de bruid niet meer op de aarde zijn, zal de tijd van benauwdheid kunnen beginnen, waarin de de antichrist zich zal openbaren.

• In de brieven van het Nieuwe Testament worden Christenen gewaarschuwd tegen veel kwade ontwikkelingen en gevaren (1 Tim. 4:1, etc.). Waarom ontbreekt de waarschuwing voor de komende tijd van grote verdrukking?

• Op plaatsen waar sprake is van de grote verdrukking, wordt de vergadering (gemeente) niet genoemd (Matth. 24:3-29; Mark. 13:4-24; Openb. 7:14-17, zie ook Deut. 4:30,31; Jer. 30:4-7; Dan. 12:1). Er is sprake van benauwdheid voor Jakob zowel als voor de volkeren, die uit de grote verdrukking komen – maar niet voor de vergadering of voor de christenen. Weliswaar wordt de gemeente in Openbaring 3 vers 10 in één adem met de grote verdrukking genoemd, maar juist deze plaats maakt duidelijk, dat de christenen het “uur van de verzoeking” niet ervaren zullen.

• De profeet Daniël heeft ervan gesproken, dat 70 weken (een week = 7 jaar) werden bepaald over de Israëlieten, totdat ze de zegeningen van het koninkrijk zouden kunnen ontvangen. Na 69 weken verwierp Gods volk hun Messias en de “klok  van Israël” werd gestopt (Dan. 9:24-27). Nu vergadert God uit alle naties een volk voor Zijn naam (Hand. 15:14). Als de volheid van de heidenen is binnengegaan (Rom. 11:25), zal God weer met Zijn volk verder gaan. De “klok van Israël” zal weer tikken, en de laatste jaarweek van Daniël (= 7 jaar van verdrukking) zal in vervulling gaan. Dan zal Israël worden ingevoerd in de zegeningen van het nieuwe verbond (Rom. 11:26,27). Pas wanneer de gemeente in de hemel is, zal uitkomen wat de profeten over de verdrukking en zegen van Israël gesproken hebben.

• Een voorafschaduwing uit het Oude Testament illustreert op indrukwekkende wijze de opname: Henoch werd opgenomen vóór de zondvloed, terwijl Noach werd behouden door de vloed heen (Gen. 5-8; Hebr. 11:5-7). Henoch is een beeld van de christenen, terwijl Noach een beeld van het joodse overblijfsel in de verdrukkingstijd voorstelt.

• Een zinnebeeld verduidelijkt de opname vóór de verdrukking: Christus als de Morgenster wordt aangeduid, die verschijnt voordat de zon opkomt (Openb. 2:28; 22:16). Omdat de zon de verschijning van Christus in heerlijkheid voorstelt (Mal. 4:1,2), herkennen we in de Morgenster een heenwijzing naar Christus, die ons vooraf in de “nacht van Zijn verwerping” tot Zichzelf opneemt.

Het boek van de Openbaring

In het boek Openbaring wordt de zevenjarige verdrukking in detail beschreven (Openb. 6-19). We kunnen zeker verwachten hier duidelijke aanwijzingen te verkrijgen, of christenen deze tijd beleven zullen of niet:

• In Openbaring 1-3 komt het woord vergadering (of vergaderingen) 17 keer voor. In de hoofdstukken 6-19, waarin de gerichten getoond worden, komt het woord vergadering helemaal niet voor. Dat spreekt voor zich.

• In Openbaring 2 en 3 vinden we in elk van de zeven zendbrieven telkens de oproep: “Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt”. In Openbaring 13 vers 9 is er weer sprake van een oor, dat horen moet. Maar hier, temidden van de oordelen, lezen wij niet dat de Geest tegen de gemeenten iets zegt. Dat wijst er ook opnieuw op, dat de gemeente niet meer op aarde is.

• In Openbaring 3 vers 10 wordt aan christenen beloofd, dat ze bewaard zullen worden vóór de ure der verzoeking die over de aarde komen zal. Om voor een uur bewaard te worden, die de hele aarde treft, moet men de aarde voor die tijd verlaten hebben. Precies dat zal er met de verloste christenen gebeuren.

• Openbaring 2 en 3 geven een overzicht van de geschiedenis van de gemeente. Daarna wordt een tijd beschreven die ook vandaag nog in de toekomst ligt. Wat ligt er meer voor de hand dan om in de woorden: “Kom hier omhoog!” (Openb. 4:1) een ​​aanduiding van de opname te zien?

Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn. Zo dan, troost elkaar met deze woorden (1 Thess. 4 vers 16-18).

• Vanaf Openbaring 4 is er sprake van 24 oudsten in de hemel, die een symbool van de gelovigen zijn (Openb. 4:9; 5:5,6 etc.)1. Ze stellen niet de engelen voor, want van deze worden zij onderscheiden (Openb. 4:8,11). Het zijn verheerlijkte verlosten die Gods gedachten kennen, het Lam aanbidden en zich voor biddende heiligen op aarde voor God inzetten (Openb. 5:8). Vóór de oordelen komen (Openb. 6:1 ev) zijn er dus verheerlijkte gelovigen in de hemel, niet alleen in het paradijs!

• Er zullen tijdens de “ure der verzoeking” zeker ook gelovigen op aarde zijn, maar dat zijn geen christenen. Want dat, wat van deze gelovigen gezegd wordt, past niet bij de positie en roeping van christenen.

• In Openbaring 6 vers 9 tot 11 is er sprake van martelaren, die in de eerste helft van de verdrukking gedood werden. Zij roepen om wraak en gebruiken bewoordingen, die we kennen uit de Psalmen (Openb. 6:10; Ps. 90:13; Ps. 119:84; Ps. 94:1-3). Deze roep om wraak past niet bij christenen (Hand. 7:60; Matth. 5:44).

• In Openbaring 7 wordt van verzegelden uit elke stam van de zonen van Israël gesproken, zowel van een volksmenigte uit de volkeren. Deze door de verdrukking gaande gelovigen (Openb. 7:14) behoren niet tot de gemeente, omdat de gemeente van “Joden” en “volken” als zodanig onderscheiden worden (Ef. 2:16, Kolosse 3:11; 1 Kor. 10:32).

• In Openbaring 11 vers 1 tot 13 lezen we van twee profeten van God, die in hun dienst aan Mozes en Elia doen denken en tal van plagen op de aarde brengen en eveneens goddeloze mensen kwellen. Maar christenen moeten hun vijanden liefhebben en hen goedheid bewijzen (Rom. 12:14,19; 1 Kor. 4:11-13).

• In Openbaring 13:8 ontdekken we ook mensen die het beest, de komende Romeinse heerser, niet zullen aanbidden*. Hun namen zijn vanaf de grondlegging van de wereld in het boek van het leven van het geslachte Lam geschreven. Van christenen wordt echter gezegd, dat zij vóór de grondlegging van de wereld uitverkoren zijn (Ef. 1:4).

• Openbaring 14 vers 1 laat gelovigen zien, die na de grote verdrukking meegemaakt te hebben ​​op de berg Sion staan. De (letterlijke) berg Sion heeft een speciale betekenis voor het aardse volk van God en niet voor christenen (Ps. 14:7; 69:36). Christenen worden in dit gezicht weer in de 24 oudsten gezien (Openb. 14:3).

• In Openbaring 15 vers 2 tot 4 worden de overwinnaars over het “beest” getoond. Ze zingen het lied van Mozes, dat de overwinning van de oordelen van God over de macht van het kwaad prijst. Het lied herinnert aan de bevrijding van de Israëlieten uit de macht van Egypte (vgl. Ex. 15).

• Alleen in Openbaring 12 vers 5 wordt expliciet over ‘weggerukt’ gesproken. De zoon van een vrouw wordt weggerukt. De vrouw is een symbool van het volk Israël, waaruit de Heer Jezus – dat is de Zoon – in het vlees, kwam (Matth. 1; Rom. 1:3, 9:5; 2 Tim. 2:8, Openb. 22:16). Christus werd ná Zijn dood en Zijn opstanding aan de macht van satan ontrukt. Hij zal alle volken met een ijzeren staf hoeden (Openb. 12:5). Christenen zullen dat ook doen, zoals Openbaring 2 vers 27 zegt – en wel met Christus. Dan dringt zich de gedachte op, dat christenen net zoals Christus, met Wie zij nauw verbonden zijn, vóór de grote verdrukking opgenomen worden, en niet zoals de vrouw in de grote verdrukking bewaard worden (Openb. 12:6).

• In Openbaring 12 vers 7 tot 12 wordt beschreven, dat de duivel in het midden van de zeven jaar durende verdrukking uit de hemel wordt geworpen. In de hemel klinkt een stem, die satan als “aanklager van onze broeders” aanduidt en betuigt dat deze broeders satan overwonnen hebben (Openb. 12:10,11). Dit moeten gelovigen in de hemel zijn, die de vervolgden op aarde als hun broeders aanwijzen. Engelen zullen zo niet spreken, omdat ze ons ons als mede-dienaren, maar niet als broeders kennen (Openb. 22:9).

• In Openbaring 13 vers 6, vinden we, dat het “beest uit de zee” (de Romeinse keizer) de namen van God lastert, en hen, die in de hemel wonen2 (zie opmerking in de Elberfelder Vertaling). Degenen die in de hemel wonen, zijn de “heiligen van de allerhoogste plaatsen” {Herziene Staten Vertaling heeft iets anders, namelijk: “heiligen van de Allerhoogste” – vertaler}, die met Christus het koninkrijk der hemelen ontvangen zullen (Dan. 7:18).

Verwachten wij Hem?

Wij weten niet op welke dag de Heer Jezus komt, maar we weten wel dat Hij komt (Matth. 25:13). Maar alleen het weten is niet genoeg – we moeten Hem ook elke dag verwachten (Rom. 8:23; Gal. 5:5; 1 Thess. 1:10; Titus 2:13; Hebr. 9:28; Jud. :21). Verwachten we Hem niet, dan geven we de scheiding van de wereld op en zullen onzorgvuldig in onze arbeid voor Christus (vgl. Matth. 24:48,49) worden. Maar de dagelijkse verwachting van de Heer …

• … moedigt ons aan om trouwe getuigen en dienaren te zijn (Luk. 12:35-40).

• … bemoedigt ons als wij het moeilijk hebben (Joh 14:1-3).

• … troost ons, als we lichamelijk lijden (Rom. 8:23).

• … laat ons geestelijk waakzaam worden (Rom. 13:11).

• … motiveert ons in het dienen van de Heer (1 Kor. 15:51-58).

• … richt onze blik naar boven (Fil. 3:20,21).

• … spoort ons aan (1 Thess. 4:15-18).

• … voorkomt dat we geschokt worden (2 Thess. 2:1).

• … brengt vandaag al geluk (Titus 2:13).

• … leidt ons naar innerlijke reiniging (vgl. 1 Joh 3:3)

NOOT:
1. De 24 (2×12) oudsten stellen de gelovigen van het Oude en Nieuwe Testament voor. In Openbaring 19 vers 6-9, op het bruiloftsfeest van het Lam, is niet langer meer sprake van 24 oudsten, maar van een bruid (dat is de gemeente) en bruiloftsgasten (de gelovigen, die niet tot de bruid behoren, zie Johannes 3:29).
2. Deze uitdrukking maakt duidelijk, dat het niet om ontslapenen, maar om verheerlijkte heiligen gaat.
NOOT VERTALER:
* Dat er zijn die het beest niet aanbidden, ligt opgesloten in de mededeling in dit vers 8 dat zij die niet geschreven staan in het boek des levens van het Lam het beest zullen aanbidden. Dat houdt dan natuurlijk ook in, dat zij die wel geschreven staan in boek des levens van het Lam het beest niet zullen aanbidden.

Uit: © Folge mir nach, Gerrid Setzer

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol