1 jaar geleden

Gods woonplaats (3)

Tempel

Schriftgedeelte: Handelingen 7 vers 47-50

3. Het volgende beeld van het wonen van God bij de mensen (de tent der samenkomst) zal ons later nog bezighouden. Het is niet een tijdelijk bezoek aan een individu, maar een blijven bij Zijn volk tijdens de woestijnreis en daarna.

4. Toen de tent der samenkomst in het land gebracht was, werd het opgesteld in Silo. Na de rampzalige geschiedenis van Israël, zoals beschreven in het boek Richteren – de ene afvalligheid na de andere -, werd de ark door de Filistijnen meegenomen; en hoewel God deze uit hun hand bevrijdde, werd ze toch nooit meer in de tent der samenkomst in Silo opgesteld (verg. Ps. 78:60-72). En dat is een van de meerdere aanwijzingen dat de tent der samenkomst alleen een symbolische waarde had – omdat het van Christus sprak. 2 Kronieken 1 vers 3 en 13 toont ons de tent der samenkomst te Gibeon, maar niet voor de vastgestelde dienst, voor zover ons wordt vermeld.

5. We komen vervolgens bij een symbool van de permanente woonplaats van God op aarde – de tempel. Deze, gebouwd door Salomo, was de schitterende bekroning van zijn prachtige regering. Terwijl in principe het plan van de tent der samenkomst wordt gehandhaafd, spreekt toch alles van bestendigheid: De stenen spreken van goddelijke stabiliteit; zijn houtsnijwerk en zijn goud van heerlijkheid. Maar het is nog altijd slechts een symbool. “En Salomo bouwde Hem een ​​huis”, verklaarde Stéfanus, alleen echter om zijn luisteraars er tegelijk aan te herinneren, dat “de Allerhoogste niet in met handen gemaakte [tempels] woont” (Hand. 7:47-50). Merkwaardig genoeg besluit Stéfanus zijn samenvatting van de geschiedenis van Israël met de tempel. Het was het hoogtepunt van de heerlijkheid van het volk, en we hoeven alleen maar de geschiedenis van Salomo te volgen om te zien, dat alles alleen een schaduw was. Het inwijdingsgebed was in de bergen van Jeruzalem nog niet helemaal weggestorven, toen Salomo in schandelijke zonde en afgoderij viel. Alles was slechts een beeld wachtend daarop, dat de gehele heerlijkheid van God Iemand zou worden toevertrouwd, Die volkomen, absoluut en voortdurend – in hart, leven en wezen – de voorstelling van God was.

6. Nebukadnezar vernietigde de tempel, verbrandde het volledig en voerde de gouden vaten met het volk naar Babylon weg. Door genade werd een overblijfsel van het volk na 70 jaar gevangenschap weer naar Jeruzalem teruggebracht, en de tempel werd herbouwd. Zeker, alles was zeer beperkt, en we lezen er niets van, dat de Shekinah-wolk te zien was. Maar het huis van God was er en ook de belofte aan het volk, dat als ze zich oprecht tot God bekeerden, Hij de heerlijkheid van het laatste huis groter maken zou dan die van de eerste (Haggaï 2:10).

Samuel Ridout, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol