2 jaar geleden

Gods woonplaats (2)

Abrahams tent

Schriftgedeelte: Genesis 18 vers 1-8

2. We gaan verder met een andere verwijzing in het boek Genesis naar het wonen van God, of beter gezegd het bezoek van God bij de mensen. Is er een mooier beeld in dit boek dan het bezoek van die drie vreemdelingen bij Abraham (Gen. 18:1-8), toen hij in de hitte van de dag aan de ingang van zijn tent zat? De gelovige aartsvader ziet de vreemdelingen aankomen en biedt hen enthousiast de gastvrijheid van zijn huis aan. Eén van hen is de levende God, de andere twee zijn Zijn engelen, die Hij binnenkort voor een andere dienst uitzenden zal. De heilige God aanvaardt de aangeboden gastvrijheid en wordt een Gast in de tent van Abraham, de pelgrim.

Hier, in het eerste boek van de Schrift, hebben we een beeld van het karakter van de intimiteit tussen God en Zijn volk. In de als voedsel aangeboden ongezuurde broden en het kalf, zien we in beeld, “het brood van God” – de zondeloze persoon van Christus – en Zijn offer. Dit is de enige basis waarop een rechtvaardig en heilig God gemeenschap met een gevallen schepsel hebben kan; het geloof erkent dat altijd, beginnend bij Abel.

In ernstige tegenstelling daarmee worden de engelen naar Sodom gezonden, waar Lot zijn thuis gevonden heeft. Daar is geen tent, noch altaar. Lot heeft voor aards gewin zijn karakter als vreemdeling en als priester opgeofferd, daarom benadert God hem ook niet persoonlijk. Zijn engelen hem redden door genade, maar er is geen vertrouwdheid.

Samuel Ridout, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol