1 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (2)

Een kort profetisch overzicht

Voor het begrijpen van de afzonderlijke verzen van de pelgrimsliederen is het nodig om de toekomstige gebeurtenissen te kennen, die na de opname van de gemeente op aarde zal plaatsvinden. We willen daarom een overzicht over deze tijd geven.

De laatste jaarweek van Daniël

De bijbel spreekt zeer uitvoerig over deze toekomstige tijd. Daniël 9 schetst de gebeurtenissen op aarde van de terugkeer van de joden uit de Babylonische gevangenschap tot in de toekomstige tijd van verdrukking. De duur wordt met 70 jaarweken van elk 7 jaren aangegeven. 69 jaarweken zijn tot aan de eerste komst van de Messias al in vervulling gegaan.

De huidige tijd van genade blijft in de bijbelse profetie verborgen. Maar na de opname volgt de laatste, de 70e jaarweek van Daniël. Ze duurt eveneens 7 jaren en verdeelt zich in tweemaal 31/2 jaar. De eerste helft beschrijft Jezus in Mattheüs 24 vers 4-14 en noemt dit “het begin van de weeën” (vs. 8). In deze tijd wordt het evangelie van het koninkrijk verkondigd (vs. 14), dat zich eerst tot de mensen uit het volk Israël richt. Ze worden opgeroepen zich te bekeren en de door God beloofde Koning en Messias te verwachten. Deze oproep zal door een klein deel van de joden opgevolgd worden, dat dan het “gelovige overblijfsel” vormt. Voor deze gelovigen zal het al in de eerste 31/2 jaar heel zwaar zijn.

In Mattheus 24 vers 15-31 spreekt de Heer over de tweede helft van de tijd van de verdrukking. Hij noemt dit de “grote verdrukking” (vs. 21). Ze zal door een bijzondere gebeurtenis ingeleid worden: De antichrist zal in de tempel een afgodsbeeld opstellen. Het is de gruwel van de verwoesting (vs. 15) [2]. Wanneer de trouwe joden dit standbeeld op de heilige plaats (in de tempel) zullen zien staan, moeten ze direct de bergen in vluchten. Het grootste deel van het gelovige overblijfsel zal dan in de woestijn en de omliggende landen kunnen vluchten. Maar enkelen zal de vlucht niet lukken. Ze zullen in Jeruzalem moeten blijven en daar ontzaglijk lijden.

De politieke situatie in die tijd

Allereerst zal de antichrist koning over Israël worden. De grote meerderheid van het volk zal hem als staatshoofd erkennen. Dat vinden we in Psalm 16 vers 4 voorzegd: “Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven” [1]. Jezus spreekt daarvan ook: “Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen” (Joh. 5:43). Jezus werd als Christus niet alleen afgewezen, maar zelfs voor het gerecht gebracht. Zo stonden Hij en Barabbas toen voor Pilatus. De volksmenigte en hun leiders verwierpen de Heer Jezus en kozen Barabbas. Deze is een beeld van de antichrist, die de joden als hun leider aan zullen nemen. Hij zal zich in Jeruzalem als politiek heerser over Israël vestigen.

Het volk Israël zal dan een noordelijke buurman hebben, waarover in het bijzonder de profeet Daniël spreekt. Hij noemt hem de koning van het noorden (Dan. 11:40). Deze is voor het land Israël een grote bedreiging. Als direct noordelijk buurland zal hij politiek door een nog noordelijker gelegen macht ondersteund worden. De profeet Ezechiël: Het is Gog, het land van Magog, het land in het uiterste noorden (verg. Ezech. 38:2-6). De koning van het noorden en Gog worden bij Jesaja en Jeremia samengevat en daar als Assyriër of koning van  Assur beschreven.

De antichrist en de joden nemen vanwege deze sterke bedreiging uit het noorden hun toevlucht tot een verbond met het opkomende Europese machtsblok (het Romeinse Rijk), waar Rome de hoofdstad van zal zijn. In deze stad zal een man over Europa regeren, die in Openbaring 13 vers 1 “het beest uit de zee” genoemd wordt. De alliantie tussen Israël en Europa wordt ons in Jesaja 28 vers 15 beschreven: “Omdat u zegt: Wij hebben een verbond gesloten met de dood, en met het rijk van de dood zijn wij een verdrag aangegaan, wanneer de alles wegspoelende gesel voorbijtrekt …”. God beschouwt dit verbond met de heerser in Rome, die dan de hoogste macht op aarde heeft, als een verbinding met de dood en het graf [4]. Maar niet alle joden zullen hun toevlucht tot deze heerser nemen. In vers 16 staat verder: “Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is. Wie gelooft, zal zich niet weghaasten”. Een klein overblijfsel zal zijn vertrouwen niet op Rome, maar op de Hoeksteen, de door God beloofde Messias, stellen.

De religieuze situatie in die tijd

De antichrist zal ook de religieuze leider van de joden zijn. Deze zullen weliswaar het evangelie van het koninkrijk horen, maar de meerderheid van het volk zal het afwijzen en de religie van de antichrist volgen. Na de opname zal er ook nog de christenheid – zonder de verlosten – zijn. De religieuze structuren en de naamchristenen zullen nog blijven bestaan.

De leidende christelijke organisatie, het zogenoemde Babylon (Openbaring 17-18) – zal met de antichrist om de religieuze heerschappij strijden. Deze strijd zal in het midden van de zeven jaren, dus na 31/2 jaar, ten gunste van de antichrist beslist worden. De antichrist zal als religieus leider van het jodendom en van de christenheid het afgodsbeeld in de tempel opstellen. Zo zal hij beide religies onder zijn leiding samenbrengen.

In 1 Johannes 2 vers 22 staat: “Wie is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent”. De antichrist ontkent dat Jezus de Christus is. Als zodanig staat hij in betrekking tot het jodendom. Maar hij loochent ook de waarheid over de Vader en de Zoon. Deze waarheid is het bijzondere kenmerk van het christendom. De antichrist verheft zich ook als religieus leider over het jodendom en het christendom, doordat hij hoofdwaarheden loochent en een nieuwe religie invoert.

Het was altijd de bedoeling van de vijand, de verschillende bedelingen (heilsperioden) door elkaar te mengen en te verwarren. Een voorbeeld daarvoor vinden we in Handelingen 16. Het meisje (slavin) met de waarzeggende geest beweerde, dat de apostel en zijn medearbeiders slaven van God, de Allerhoogste waren. Daarmee verbond de vijand de christelijke dienst van Paulus met God als de Allerhoogste. Zo openbaarde God Zich eens aan Abraham (Gen. 14:19). Maar de christenen kennen God als hun Vader. Verder probeert de vijand vandaag de bedeling van de wet en de tijd van de genade te vermengen. Of hij vermengt joodse elementen van het aardse volk van God (Israël) met de christelijke elementen van het hemels volk (de gemeente van God).

Aan het begin van de 19e eeuw begonnen godvruchtige mannen het Woord van God te onderzoeken en zich in het bijzonder met de profetie van het Oude Testament bezig te houden. Daarbij deden zij de verbazingwekkende ontdekking dat de uitspraken van het Oude Testament geen enkel woord van de gemeente van God bevatten. Zij vonden daardoor de mededeling van de apostel Paulus in Efeze 3  bevestigd. Daar verklaart hij namelijk, dat hij met betrekking tot de gemeente van God door openbaring een verborgenheid van God ontvangen had, die voor de mensen van vroegere tijdsperioden verborgen was (Ef. 3:1-5). Wanneer ze het duidelijke onderscheid tussen Israël en de gemeente van God erkenden, begrepen ze ook het eigenlijke karakter van de huidige tijd. Helaas worden deze verschillen vandaag weer vervaagd. Dat is een werk van de vijand, die in de toekomst het jodendom en het christendom onder de antichrist tot één religie verenigen wil.

De gebeurtenissen aan het eind van de zeven jaren

Kort voor het eind van de periode van verdrukking zal de koning van het noorden Israël binnenvallen en het overwinnen. Het zal Jeruzalem verwoesten en verder naar Egypte trekken (Dan. 11:40-43). Dan zal het politieke verbond met Rome tot bloei komen. De Europese machten zullen hun legers bij Harmagedon opstellen (Openb. 16:16). Verder zal het gevluchte overblijfsel naar Jeruzalem terugkeren, omdat het afgodsbeeld door de aanval van de koning van het noorden vernietigd zal worden. De koning van het noorden, die zich tot deze tijd nog in Egypte ophoudt, zal het gerucht van de militaire activiteiten horen en terugkeren en een tweede maal Jeruzalem belegeren. De tenten van zijn paleis zullen dan tussen Jeruzalem en de Middellandse Zee (dat is in de Gazastrook) staan (Dan. 11:44,45).

Op dit moment zal de Heer Jezus ten gunste van de Zijnen ingrijpen. Enerzijds zal Hij het Europese leger in Harmageddon vernietigen alsook de antichrist en de Romeinse heerser levend in de poel van vuur werpen (Openb. 19:19-21). Anderzijds zal Hij Zich tegen de koning van het noorden wenden. Dat gebeurt bij Zijn verschijning op de Olijfberg (Zach. 14:4). Allereerst zal Hij Zich met het gelovig overblijfsel verbinden en dan met hen samen de strijd tegen de koning van het noorden opnemen en hem overwinnen. Daarna zal een gelovig overblijfsel uit de ontbrekende tien stammen van Israël in het land terugkeren. Tenslotte zal de koning van het uiterste noorden Israël binnenvallen. Hij zal echter op de bergen van Israël zijn einde vinden (Ezech. 38-39).

De gevoelens van het overblijfsel

De psalmen geven ons geen geschiedkundige beschrijving van deze toekomstige gebeurtenissen, maar beschrijven de gevoelens van het gelovig overblijfsel in deze tijd. We moeten echter de achtergronden kennen, opdat we de afzonderlijke uitspraken in de pelgrimsliederen juist begrijpen.

De pelgrimsliederen drukken de gevoelens van de gelovige joden uit, die zich op de vlucht ver van Jeruzalem bevinden zullen. Ze beschrijven ook de innerlijke nood van hen, die in Jeruzalem blijven en in het bijzonder aan de boosheid van de antichrist blootgesteld zijn zullen. We lezen ook van hun vreugde, wanneer de vluchtelingen terugkeren en zich weer met hen zullen verenigen.

Deze psalmen spreken bovendien van de oefeningen van hun ziel en hun verootmoediging bij hun terugkeer tot God. Tenslotte vinden we hun innerlijk verlangen naar de plaats waar God woont, en hun geestelijke groei tot aanbidding.

 

NOOT VERTALER:
1. De Duitse Elberfelder Vertaling heeft dit wat duidelijker: “Zahlreich werden der Schmerzen deren sein, die einem anderen nachecken”.
2. Zie ook Daniël 9:27; 11:31; 12:11.
3. Interessant hierbij is de vermelding op WiliPedia: <<De eerste vermelding in de Bijbel en de Tenach is te vinden in de zogenoemde genealogie van de volkeren in Genesis 10:2, waar Magog genoemd wordt als een van de zeven zonen van Japhet. Hij wordt genoemd tussen Gomer en Madai waaruit men afleidt dat het woongebied van zijn nakomelingen ook tussen de gebieden van Gomer en Madai lagen. Gomer werd geassocieerd met de Cimmeriërs die ten noorden van de Zwarte Zee tussen Don en Donau zouden geleefd hebben. De Cimmeriërs trokken vanuit de Krim over de Kaukasus naar het zuiden en bedreigden Klein-Azië en Assyrië, maar werden weggedrongen naar het westen. Ze trokken door Klein-Azië en versloegen het Phrygische rijk. De nakomelingen van Madai worden geassocieerd met de Meden en de Ariërs in Indië. Magog werd op die manier geassocieerd met het meest noordelijke deel van de toen gekende wereld.
Al voor de Babylonische ballingschap waren er apocalyptische profetieën terug te vinden in het Oude Testament (de Tenach) bij Amos (2:4-6:14), Jesaja (24:1-27:13) en Jeremia (1:14-16 en 4 tot 6) met vijanden die van het noorden kwamen namelijk Assyrië en Babylonië. In de tijd van de ballingschap neemt dit soort profetieën in aantal toe vooral met Zacharias  en Joel. Het is Ezechiël die met zijn profetie over het einde der tijden en het gebruik van Gog van Magog als beeld van de vijandige heidense naties, de basis zal leggen voor het latere joodse, christelijke en islamitische eschatologische denken. Het boek van Ezechiël levert al de nodige ingrediënten: een barbaars volk van het verre noorden, vijand van de mensen en van God die op het einde der tijden hun rol zullen spelen in de vernieling van de wereld. Het kwam er nu nog vooral op aan die vijand te identificeren>>.
4. In de SV is dit begrip met “hel” vertaald. Op het eerste gezicht lijkt “het rijk van de dood” daar een sterke afzwakking van te zijn. Dit is echter niet het geval. Allereerst is het bepaald niet zo dat “hel” overal vervangen is door “rijk van de dood”. Er zijn drie begrippen in de Bijbel die door de Statenvertaling weergegeven worden met “hel”. Het betreft de woorden “she’ol” in het Oude Testament en de woorden “hades” en “gehenna” in het Nieuwe Testament. Wie de Statenvertaling erbij houdt – met de Kanttekeningen (!) – en bijvoorbeeld met de concordantie van Trommius alle plaatsen doorneemt waar in het Hebreeuws het woord “she’ol” staat, zal merken dat de Statenvertaling hier verre van consequent is geweest. Het woord komt maar liefst 65 keer voor in het Oude Testament. Naar believen wordt de ene keer voor “graf” en de andere keer voor “hel” gekozen. Ging het om een gelovige, zoals Jakob, dan werd het “graf”. Ging het om een ongelovige, dan werd het “hel”. Maar meestal loopt het helemaal door elkaar hen, en wordt, wanneer er voor “hel” is gekozen, in de Kanttekeningen vermeldt dat hier “graf” eigenlijk bedoeld wordt. Dat is niet wenselijk. Het gaat in het Oude Testament maar om één enkel begrip en dat moet je proberen zo consistent mogelijk te vertalen. Andere vertalingen hebben “dodenrijk”, maar dat hebben de herzieners willen vermijden. “Dodenrijk” roept immers associaties op met de klassieke mythologie. Wel maakt de Bijbelschrijver bijvoorbeeld in Ezechiël 32 heel onbekommerd gebruik van beelden en voorstellingen die we ook bij de volken rondom Israël vinden. Met name in gedeelten van Jesaja en Ezechiël. In de HSV is het woord “she’ol” in het Oude Testament meestal vertaald met “graf”. Wel met die kanttekening dat we het woord “graf” hier wel in meer abstracte zin bedoelen als “de plaats waar de doden zich bevinden” en niet als “de plaats waar iemand begraven ligt”. Op een aantal plaatsen, met name daar waar een duidelijk contrast met het woord “hemel” is (zoals Job 11:8, Psalm 139:8), of waar daadwerkelijk de hel wordt aangeduid, is gekozen voor “hel” (Deuteronomium 32:22). Een enkele keer (6 x in het Oude Testament) roept het gebruik van “graf” óók misverstanden op, zoals in Jesaja 14 en Ezechiël 32. Daarom is daar gekozen voor “rijk van de dood”. Deze keus heeft dus niet te maken met afzwakking of het minder ernstig nemen van de hel, maar alleen omdat “graf” of “hel” hier meer vragen oproept dan duidelijkheid verschaft.

 

Max Billiter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol