11 jaar geleden

Genesis 3:6

Adam en Eva leefden in de hof van Eden in de gelukkigste omstandigheden die maar denkbaar zijn. Het ontbrak hen aan niets: onschuldige mensen, die iedere vrijheid kenden. Het enige gebod dat zij hadden – zij mochten van de boom van kennis van goed en kwaad niet eten – liet zien dat zij van God afhankelijke schepselen waren, die Hem gehoorzaamheid verschuldigd waren. Hoe lang deze paradijselijke toestand geduurd heeft, weten wij niet. In elk geval verscheen satan, de vijand van God en mensen op het toneel en openbaarde zijn invloed. Helaas luisterden onze voorouders naar zijn stem.

Genesis 3 vers 6 toont hoe het kwam, dat de mens de dupe werd van de verleiding van de duivel en van de verboden vrucht at. Allereerst werkten de woorden van de slang in op de eetlust. Eva zag, dat er goede, smakelijke vruchten aan de boom groeiden. Toen zag zij, dat zij een lust voor het oog was, en tenslotte meende zij, door ervan te eten haar kennis te vermeerderen en als God te kunnen worden. Mag men dan niets smakelijks eten? Moet het dan zo onaanzienlijk mogelijk zijn? Moet men toch voor onwetendheid pleiten? Op alle drie de vragen kan alleen gezegd worden: in geen geval! Het erge was dat Adam en Eva door hun handelwijze het duidelijke bevel van God minachtten, door de vijand in de val gelokt werden, en zondigden.

Als de god van deze wereld verleidt de duivel de mensen nog altijd op dezelfde manier. Daarom waarschuwt Johannes: "Hebt de wereld niet lief" en somt dan de drie verleidingen van de wereld op: "de begeerte des vleses, de begeerte der ogen en de hoogmoed van het levens" (1 Johannes 2:16).

Alleen bij de Heer Jezus kunnen we bewaard blijven.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol