2 jaar geleden

Ezra 3 vers 3 (II)

En zij plaatsten het altaar op zijn fundament, hoewel er verschrikking over hen was vanwege de volken van de landen rondom.

Wat een klein overblijfsel was er in Jeruzalem vergaderd, vergeleken met het talrijke volk dat onder Salomo’s regering in Jeruzalem samenkwam (2 Kron. 2:2). Het is voor ons zeer leerzaam te zien dat het uit Babel teruggevoerde overblijfsel van het volk van Israel eerst het altaar oprichtte op zijn plaats, op de plaats die de HEER verkozen had.

Ze deden het om brandoffers te kunnen offeren zoals geschreven stond in de wet van Mozes, de man van God. Ze begrepen dat ze eerst aan de rechten van God moesten denken en stelden zich daarmee onder de bescherming van het altaar. Zij schaamden zich niet voor God maar ze bouwden, door vijanden omgeven, de tempel weer op. Het fundament van de tempel van de HEER legden zij met lof en dank in wisselzang naar de aanwijzingen van David, de koning van Israel.

“Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven” (Rom. 15:4). Ook vandaag zien we in het christelijk getuigenis een ruïne. “Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent die de Zijnen zijn; laat ieder die de naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid” (2 Tim. 2:19). Door vijanden omgeven mag ook vandaag de trouwe gelovige onder de bescherming van Gods altaar de dienst aan God uitoefenen, door voortdurend een lofoffer te brengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die Zijn Naam belijden (Hebr. 13:15) op de plaats die Hij verkoren heeft om Zijn Naam daar te doen wonen. Deuteronomium 12 vers 13 waarschuwt het volk daarvoor niet hun brandoffers te offeren op elke plaats die zij zagen. Mocht er toch vrees in ons hart zijn om licht te verliezen over het samenkomen tot de Naam van de Heer Jezus. Laten wij waken en met vertrouwen volharden totdat Hij komt.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol