10 maanden geleden

Exodus 12 vers 13

“En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen”.

De verderfengel ging door het land. In de duisternis en het holst van de nacht deed hij zijn werk. Hij wist geen verschil tussen de huizen van de Israëlieten en die van de Egyptenaren tenzij ze gemarkeerd waren met bloed. Een dergelijk huis ging hij voorbij; als hij het bloed op de bovendorpel en de deurposten zag, keek hij niet verder – hij ging het huis niet binnen.

Al Gods omgang met zondaars moest gegrond zijn op Zijn heilig oordeel over de zonde. In het geval van redding doet Hij de ziel ontwaken om dit te beseffen. God zegt: het oordeel komt, en hier is het gevolg ervan. En dan laat Hij het bloed op de bovendorpel en de deurposten strijken. Voordat God de reis met ons begint, maakt Hij duidelijk dat Hij de kwestie van de zonde heeft geregeld; dat aan de eisen van Zijn rechtvaardigheid volmaakt is voldaan. God zal niet  met ons verdergaan totdat het probleem tussen Hemzelf en ons is opgelost. Hij kan in genade met ons omgaan, maar Hij gaat niet met ons op reis, totdat geheel is voldaan aan Zijn morele wezen. Voordat Israël zijn reis begonnen is, is God in oordeel aan hen voorbijgegaan.

Voordat we aan de wandel van het geloof beginnen, moet de kwestie van Gods oordeel over de zonde een opgelost probleem zijn. Alles wat in orde is, het christelijke leven, de ervaring, het leven van het geloof, is gebaseerd op het voorbijgaan van God aan ons. Hij kan niet aan de zonde voorbijgaan – Hij laat ons het bloed zien. Hij doet ons ontwaken tot het bewustzijn van de zonde, voordat we zelfs de reis van het geloof beginnen; Hij leert ons dat Hij het probleem eens en voor altijd heeft geregeld. Het geloof ziet en begrijpt, dat door Gods eigen werk en woord de kwestie tussen de  ziel en God is geregeld. Het bloed is tussen de ziel en God gezet – het bloed van Gods eigen Zoon. Ik zou mezelf kunnen zien als de meest verachtelijke van de zondaars, maar ik zie ook dat volmaakt is voldaan aan de eisen van Gods rechtvaardigheid.

Rechtvaardigheid drong aan op straf,
genade vroeg om vrijgeleide.
Hier trad Gods wijsheid tussenbeide,
die allebei voldoening gaf.
O wonderbare gunstbetoning,
o licht, dat zich van ’t kruis verspreidt!
Hier schittert Gods gerechtigheid,
hier straalt genadige verschoning.

Evangelische gezangen,
Brandt en Zoon 1877.

J.N. Darby, © The Lord is near

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol