10 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (2)

“Of weet gij niet wat de Schrift zegt [in de geschiedenis] van Elia?” (Rom. 11:2)

Krith – de uitgedroogde beek

1 Koningen 17 vers 2-7

De profeet was met God op een verborgen plaats in gebed alleen geweest. Dan legt hij op een bepaald ogenblik in de tegenwoordigheid van de afvallige koning de goede belijdenis af. Maar er wacht Elia een veel grotere dienst; de dag zal komen, waarop hij niet alleen voor de koning van God getuigen zou, maar waar hij de profeten van Baäl in vertwijfeling brengen en het volk Israël tot de levende God richten zal. Maar de tijd voor Karmel is nog niet rijp. De profeet is niet toebereid om te spreken en de natie niet toebereid om te horen. Israël moet de jaren van hongersnood lijden, voordat het aan het Woord van God gehoor schenkt; Elia moet in het verborgene gevormd worden, voordat hij voor God spreken kan. De profeet moet in de eenzaamheid naar de beek Krith gaan en in het ver verwijderde Zarfath wonen, voordat hij op de Karmel staan kan.

De eerste stap die naar Karmel in het westen voert, moet eerst in een andere richting gedaan worden. “Ga weg van hier en wend u naar het oosten” (vs. 3), is het woord van de Heere. God zal Zijn dienaar op Zijn tijd naar de plaats brengen, waar Hij hem gebruiken wil. En Hij zal hem in de juiste toestand daarheen brengen. Om voor de dienst van de Meester een bruikbaar vat te worden, moet hij een tijdlang op een eenzame plaats blijven en ruwe wegen gaan; daarbij moet hij zijn eigen zwakheid en de machtige kracht van God leren kennen.

Iedere dienaar van God heeft zijn Krith, voor hij zijn Karmel bereikt. Jozef moest op de weg naar onbeperkte heerschappij zijn Krith doormaken. Zijn weg moest door een kuil en de gevangenis voeren, voor hij over het hele land Egypte gesteld werd. Mozes moest zijn Krith aan het uiterste einde van de woestijn beleven, voor hij de leider van het volk van God door de woestijn werd. En was de Heer Zelf niet veertig dagen in de woestijn alleen, onder wilde dieren en werd door satan verzocht, voor Hij in Zijn openbare dienst voor de mensen optrad? Bij Hem gebeurde dit toch om een heel andere reden dan bij ons. Wij moeten onze zwakheid kennen en van onze vermeende bekwaamheden los gemaakt worden. Bij Hem daarentegen diende het ertoe, Zijn oneindige volkomenheid te openbaren en ons Zijn volkomen geschiktheid voor het werk te onthullen, dat niemand dan Hij zelf voleindigen kon. De beproevende omstandigheden die daartoe dienden om de volkomenheid van Christus te openbaren, zijn bij ons nodig om onze onvolkomenheden aan het licht te brengen, opdat alles in de tegenwoordigheid van God geoordeeld wordt en wij zo vaten worden, die tot Zijn dienst geschikt gemaakt zijn.

Dat was inderdaad de eerste les, die Elia aan de beek Krith leren moest – de les van het lege vat. “Ga weg van hier”, zei de Heere, “en verberg u”. De man die op het punt staat voor God te getuigen, moet leren zichzelf uit het oog te verliezen. Om daarvoor bewaard te worden, iets uit zichzelf te doen en groot van zichzelf te denken, moet hij zijn eigen nietigheid voor God ervaren. Elia moet drieeneenhalf jaar in het verborgene, in de teruggetrokkenheid met God verkeren, voor hij één dag in grootheid voor de mensen verschijnen kan.

Maar God heeft nog andere lessen voor Elia. Moest hij openlijk voor geheel Israël tonen, wat geloof in de levende God betekent? Dan moest hij eerst leren, door geloof van dag tot dag in het verborgene voor God te leven. De beek en de raven waren door God uitgekozen om in de behoeften van Zijn dienaar te voorzien; maar het vertrouwen van Elia moest op de onzichtbare en levende God gericht zijn en niet op zichtbare dingen – op de beek en de raven. “Ik heb … geboden”, zei de Heere, en het geloof steunt op het woord van de Heere.

Verder moet zich de profeet, om zich op de zorgen van God te verheugen, naar de door God bepaalde plaats begeven. Het woord aan Elia luidt: “Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen” (vs. 4). Het werd niet aan Elia overgelaten om zichzelf een verborgen plaats te kiezen. Hij moest zich aan Gods keus onderwerpen. Daar alleen zou hij zich in de zegeningen van God verheugen. Absolute gehoorzaamheid ten opzichte van het woord van de Heere is de enige weg tot zegen. Elia ging zijn weg, want we lezen: “Hij dan ging heen, en deed naar het woord van de HEERE” (vs. 5). Hij ging heen waarheen de Heere hem geboden had te gaan, hij deed, wat de Heere hem geboden had te doen. Als de Heere zegt: “Ga heen en doe”, zoals de wetgeleerden in het evangelie, dan is onmiddellijke gehoorzaamheid, die niet naar de reden vraagt, het enige juiste.

Maar de beek Krith bergt nog een diepere en moeilijker les voor de profeet – de les van de beek, die verdroogt. De Heere had gezegd: “… dat gij uit de beek drinken zult”; in gehoorzaamheid aan dat woord “dronk hij uit de beek”. Dan lezen we, wat eerst zo vreemd klinkt: “… dat de beek uitdroogde”. Dezelfde beek, die de Heer uitgekozen had, waaruit Hij de profeet geboden had te drinken, droogde uit. Wat kan dat betekenen? Heeft Elia misschien een verkeerde stap gedaan, bevindt hij zich in een verkeerde positie? Onmogelijk! God had gezegd: “Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen”. Deed hij iets wat onrechtvaardig was? In de verste verte niet; had God niet gezegd: “… dat gij uit de beek drinken zult”? Zonder twijfel was hij op de juiste plaats, die God bepaald had; hij was aan het woord van de Heere gehoorzaam – en toch verdroogde de beek.

Hoe smartelijk is deze ervaring, hoe raadselachtig deze beschikking! Op de plaats van bestemming van God te zijn, in gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn uitdrukkelijk gebod te handelen en dan toch plotseling voor het volledig gebrek aan zorg gesteld te worden, die God voor de dagelijkse behoeften getroffen heeft. Wat een beproeving voor het geloof! Had Elia niet voor de koning moedig gezegd, dat hij voor de levende God staat? Nu wordt hij voor de uitgedroogde beek gesteld, en de werkelijkheid van zijn geloof aan de levende God wordt beproefd. Zal zijn geloof in de levende God onwankelbaar blijven, wanneer aardse stromen afnemen? Als God leeft, wat maakt het dan uit, wanneer de beek verdroogd? God is groter dan alle goedertierenheden, die Hij bewijst. Goedertierenheden mogen onttrokken worden, God echter blijft. De profeet moet leren, God meer te vertrouwen dan de gaven, die Hij geeft. Dat de Gever groter is dan Zijn gave, is de diepe les van de verdroogde beek.

Wordt niet de geschiedenis van de verdroogde beek, op een andere wijze bericht, toen in latere dagen ziekte en dood in het stille familieleven in Bethanië binnendrongen? Twee zusters, aan wie een enige broer door de dood ontrukt werd, kwamen in nauwe aanraking met de verdroogde beek. Maar hun beproeving verwisselde in de “heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God er door verheerlijkt wordt” (Joh. 11:4). Wat de Zoon van God verheerlijkt, brengt de heiligen zegen. Wanneer Lazarus ook genomen wordt, Jezus, de Zoon van God, bleef en nam door gebrek aan aardse stromen de gelegenheid, een bron van liefde die nooit minder wordt, en een bron van kracht die geen grenzen heeft, te openbaren. Zo werd ook ten tijde van de profeet de verdroogde beek de gelegenheid, grotere heerlijkheden van de Heere en rijkere zegeningen voor Elia te onthullen. Het was slechts een gebeurtenis die God gebruikte, om de profeet op zijn reis van Krith – de plaats van de verdroogde beek – tot het huis in Zarfath te leiden; daar zou hij ervaren, dat het meel niet opraakt en de olie niet afnam, en dat God doden opwekt. Wanneer God toelaat dat de beek verdroogd, gebeurt dat omdat Hij voor Zijn geliefde dienaar een beter, heerlijker deel voorzien had.

Met het volk van God is het vandaag niet anders. Wij allen hebben graag een of andere aardse hulpbron, waar we een beroep op kunnen doen; maar hoe vaak moeten we op de wegen van onze hemelse Vader, die weet dat wij dit alles nodig hebben, voor de beek gesteld worden, die verdroogt. In verschillende vormen kruist hij onze weg. Misschien bevinden we ons als gevolg van een smartelijk verlies of door het ontbreken van goede gezondheid of het plotseling begeven van een of andere verzorgingsbron aan de beek die verdroogt. Het is goed, als we in zulke ogenblikken alles in geloof in de levende God van Hem aanvaarden kunnen en ons boven de ondergang van aardse hoop en de teloorgang van menselijke steun verheffen. Dan zullen wij ervaren, dat God ons juist door middel van de beproeving, die Hij gebruikt, de onmetelijke hulpbronnen van Zijn hart van liefde onthult en onze zielen in diepere, rijkere zegeningen voert, die wij voorheen nooit gekend hebben.

Wordt D.V. vervolgd.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”

© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW