7 jaar geleden

Elia – Een profeet van de Heere (10)

De Jordaan en de vurige wagen

Lezen: 2 Koningen 2:1-15

Elia gaat in zijn zeldzaam belevenisvolle leven van wonder naar wonder, en de slotscène is het grootste van allen. Er is nauwelijks een meer opmerkelijke reis als de pelgrimsweg van zijn laatste dagen van Gilgal naar de Jordaan. Door de Geest van God geleid, zoekt hij plaatsen op, die op opvallende wijze van het handelen van de HEERE met Israël spreken.

We zien ten eerste dat de profeet begeleid wordt door Elisa, die in zijn plaats gezalfd was. Voor Elia was nu de tijd gekomen, naar de hemel op te varen en Elia achter te laten; Elisa zou hier op aarde de man, die in de hemel opgenomen is, representeren. Het uitgangspunt van de dienst van Elisa is een opgevaren mens. Hij moest op aarde het getuigenis van de macht en genade zijn, die een mens op rechtvaardige ondanks zonde, dood en alle macht van de vijand in de hemel zou kunnen brengen.

Gilgal

Laten we er verder aan denken, dat, wanneer de mens op de aarde de mens in de hemel op rechtvaardige wijze vertolken moet, hij eveneens de weg afleggen moet, die over Gilgal, Bethel en Jericho naar de oever van de Jordaan voert, opdat hij daar ooggetuige van de heerlijkheid van de hemelvaart wordt.

In deze grote geheimenissen hebben we een treffend beeld van de ware positie van een christen op zijn weg door deze wereld. Wanneer wij voor een korte tijd op aarde achtergelaten zijn, en dus om die reden, opdat wij de Mens, die in de hemel ingegaan is, zouden voorstellen – Christus Jezus, de Mens in de heerlijkheid. Welk een hoge eer is ons ten deel gevallen om een klein poosje in de wereld te blijven, door welke Hij verworpen werd! Wij mogen een nederige en onbetekenende positie in deze wereld innemen, maar tot een hoog doel zijn we hier gelaten, namelijk om niets minder dan Christus in het dagelijks leven voor te stellen. Deze gedachte brengt goddelijke glans in het meest eentonige leven, troost en kracht in de treurigste omstandigheden.

Maar om oprechte getuigen te zijn, moeten we in de ervaring van onze zielen iets van de grote waarheden kennen, die in deze laatste weg van Elia aangeduid worden. Ook wij moeten van Gilgal naar de Jordaan trekken en een openbaring van de opgevaren en verheerlijkte Mens verkrijgen, voordat wij Zijn genade en Zijn voortreffelijkheden aan een wereld, door wie Hij uitgestoten werd, minstens in een zekere mate bekend kunnen maken.

Gilgal was het uitgangspunt van deze gedenkwaardige dag. In Gilgal werd Israël door de besnijdenis voor God afgezonderd, en daar kon God, toen zij besneden waren, tot het volk zeggen: “Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld” (Joz. 5:9). Daar werd het vlees afgesneden en de schande van Egypte afgewenteld. Aan de Rode Zee werden ze van Egypte bevrijd; maar de schande van Egypte werd pas afgewenteld, toen ze aan de oever van de Jordaan besneden waren.

We weten uit de brief aan de Kolossers, dat de besnijdenis een beeld van “het uittrekken van het lichaam van het vlees” is. We zijn door de dood van dat kwaad, dat het woord van God vlees noemt, bevrijd. Maar die bevrijding ligt in de dood van Christus, en het geloof neemt het in aanspraak, dat wij met Christus gestorven zijn. Op dit grote feit gegrond, vinden wij de vermaning: “Dood dan uw leden die op de aarde zijn …” (Kol. 3:5). De apostel zegt ons dan tegelijk, wat deze leden zijn: “ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is”. Verder moeten wij afleggen: “toorn, woede, slechtheid, laster, en schandelijke taal uit uw mond” en leugens. Het is belangrijk te bedenken, dat dit niet de leden van het lichaam, maar de leden van het vlees zijn. De leden van het lichaam moeten we God ter beschikking stellen (Rom. 6:13), de leden van het vlees moeten we doden. Wederom worden we niet vermaand, het vlees te doden, maar de leden van het vlees. Het vlees is aan het kruis teniet gedaan. Dat neemt het geloof in aanspraak. Maar in onze dagelijkse wandel moeten we elk naar voren komen van het vlees besnijden – die hatelijke en boze dingen, waarin wij leefden, toen wij nog in de wereld waren. In die mate, waarin deze dingen nog aan ons gezien worden, kleeft ons nog de schande van Egypte aan. Want al deze dingen laten niet alleen zien, dat wij in de wereld geweest zijn, maar ook het soort leven, dat we in de wereld geleid hebben; daarom worden ze tot een schande voor ons. Wanneer echter dit naar voren komen van het vlees besneden en niet langer meer te zien is, dan is de schande van Egypte afgewenteld; want als deze dingen weggedaan zijn, kan niemand zeggen, wat voor mensen wij waren, toen wij nog in de wereld leefden. Dit doden van de leden van het vlees is het Gilgal van de christen, en evenzo als Jozua na afloop van zijn overwinning steeds weer naar Gilgal terugkeerde, zo moet ook de christen zich na iedere nieuwe overwinning voor het openbaar worden van het vlees hoeden en het niets ontziend veroordelen. Dat is het eerste station van de weg, en haar betekenis kan niet overschat worden. Hoe noodzakelijk is het, wanneer wij de Mens Christus Jezus, die in de hemel ingegaan is, voorstellen willen, dat elk openbaar worden van het vlees volledig geoordeeld en verafschuwd wordt.

Bethel

Bethel is het volgende station. De diepe betekenis van deze beroemde plaats vinden we in de geschiedenis van Jakob. Op zijn reis van Berseba naar Haran rustte hij op een bepaalde plaats uit en bracht daar de hele nacht door. De aarde wordt zijn bed en steen zijn kussen, en hij legt zich neer om te slapen. De Heere verschijnt hem in een droom en geeft hem drie onvoorwaardelijke beloften (Gen. 28:10-15):
Met betrekking tot het land: Het zou Jakob en zijn zaad gegeven worden. Israël nam het land in bezit en verloor het weer op de bodem van de verantwoordelijkheid. Zij hebben het tot op vandaag in overeenstemming met deze belofte volgens het principe van de onbeperkte genade nog nooit bezeten.Met betrekking tot de Israëlieten, de nakomelingen van Jakob: Zij moeten zo talrijk worden als het stof van de aarde en zich uitbreiden naar het westen en naar het oosten en naar het noorden en naar het zuiden heen, en door Israël moeten alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.Met betrekking tot Jakob zelf: Twintig jaar lang zal hij een pelgrim zijn en ongemak en gevaren tegenkomen; maar de Heere verzekert hem, dat Hij met hem zijn zal en hem behoeden en in dit land terugbrengen zou. “Ik zal u niet verlaten”, sprak de Heere, “totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!” Zo getuigt Bethel van de onwankelbare trouw van God ten opzichte van Zijn volk, doordat Hij een plaats voor hen verzekert en ieder afzonderlijk zo bewaart en voor hen zorgt, dat niemand omkomt, hoe ruw en lang de weg ook zijn mag.

Hoe gezegend is het, gedurende onze pelgrimsreis door deze wereld de zekerheid te hebben, dat het thuisland waarheen wij trekken, voor ons door dezelfde onveranderlijke trouw van God zeker is. De apostel herinnert ons eraan, dat een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis in de hemelen voor ons bewaard wordt (1 Petr. 1:4). Het volk Israël heeft hier op aarde een land, dat het vast toegezegd is; de christen heeft volgens de belofte van de Heer zijn thuisland in de hemel.

Maar meer nog, evenals Israël voor het land bewaard blijft, zo zal ook de christen “door de kracht van God bewaakt door het geloof tot de zaligheid, die gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd” (1 Petr. 1:5).

En wanneer we dan tenslotte allen bij het einddoel aangekomen zijn, zullen we ervaren, dat geen van de Zijnen ontbreken zal. De reis mag lang duren, de weg mag ruw, de tegenstand groot en de strijd heet zijn, we mogen vaak struikelen en vallen, maar de woorden van de Heer aan Jakob worden door de apostel ook aan ons gericht: “Ik zal u niet begeven, noch u verlaten”. Als Gilgal van de onveranderlijke boosheid van het vlees spreekt, waarvan wij de werkingen gezamenlijk en afzonderlijk in de dood te houden hebben, dan spreekt Bethel van de onveranderlijke trouw van God, waarin onze zielen in volledig vertrouwen rusten kunnen.

Maar in de dagen van de profeten was het getuigenis van Gilgal en Bethel voor de betrekking van de Heere met Israël een pure herinnering, die alleen door geloof in gedachtenis gebracht kon worden. Voor het oog waren Gilgal en Bethel het getuigenis voor de zonde van het volk geworden. Amos, de herder, beschuldigt het volk van de overtredingen in Bethel en nog meer overtredingen in Gilgal (Amos 4:4). Bethel, als de zetel van het gouden kalveren, was een middelpunt van de afgodendienst; en terwijl de overtreding door afgoden algemeen was, stond het in Gilgal daarmee bijzonder erg. Het geloof van Elia ziet over de verschrikkelijke zonde van de natie heen en erkent het plan van God, een volk te bezitten, dat voor Hem afgezonderd is en dat op de enige grondslag van Zijn onveranderlijke trouw en van Zijn onbeperkte genade in de zegeningen ingevoerd wordt.

Op soortgelijke wijze wordt in de laatste dagen van het christelijke tijdperk het kruis, dat van Gods kant het getuigenis van het oordeel over het vlees is, in de hand van de mens tot een voorwerp van algemeen verbreide afgodendienst en daarmee tot een getuigenis van zijn zonde geworden. Hoe velen vereren het kruis en verwerpen met afschuw alles, wat het kruis betekent, en haten Christus, die aan het kruis leed! Evenzo is Bethel, wat “huis van God” betekent, de plaats van zegeningen voor de ontvouwing van al datgene, wat God in Zijn onveranderlijke trouw is, tot een houten en stenen gebouw afgewaardeerd, dat de hoogmoed en de roemzucht van de mens openbaart. Niets bewijst zowel in de dagen van Elia als ook in de onze zo overtuigend van het totale verval van dat, wat de naam van God belijdt, dan de verdorvenheid van dat, wat oorspronkelijk uit God voortkwam. Daar is er geen hoop meer, en er blijft niets anders over dan oordeel.

Dat wordt ons op het volgende station op de weg van Elia voor ogen gesteld. De profeet wordt naar Jericho gezonden, de stad waarover God de vloek uitgesproken had. In verzet tegen God hebben mannen deze stad weer opgebouwd, maar alleen, om oordeel over zichzelf te brengen. Zo wordt de Heere een getuigenis van het oordeel van God tegen hen, die Zijn volk weerstaan en tegen Hemzelf in opstand komen. Het geloof van Elia zag vooruit, dat het volk in haar opstand tegen God het oordeel tegemoet ging; evenzo als het geloof vandaag onderkent, dat de belijdende christenheid snel haar noodlot tegemoet snelt.

Van Jericho trekt Elia op weg naar de Jordaan. In het voorbeeld is de Jordaan de rivier van de dood. Israël was met droge erdoor heen het land ingetrokken, en nu trekken Elia en Elisa er droogvoets doorheen. Maar voor hen is het een weg van vlucht uit het land, dat onder het oordeel van God stond. Deze trek door de Jordaan wordt tot getuigenis daarvoor, dat alle verbindingen tussen God en Israël op de bodem van haar verantwoordelijkheid afgebroken zijn. Oordeel dreigt over hen te treffen, en het geloof erkent, dat de dood de enige weg is, om het komende oordeel te ontvluchten.

Gilgal zegt ons, dat de eisen van het vlees afgewezen zijn en de schande van Egypte afgewenteld moet worden, wanneer Israël het land erven zal.

Bethel spreekt van de soevereine plannen van God, om Zijn volk op de grondslag van Zijn onbeperkte genade te zegenen.

Jericho getuigt ervan, dat de volken op de bodem van de verantwoordelijkheid onder het oordeel staan.

De Jordaan tenslotte betuigt, dat de enige weg, om het oordeel te ontvluchten, door de dood voert.

Wordt D.V. vervolgd.

* De teksten worden nu in deze artikelenserie genomen uit de Herziene Staten Vertaling.

Hamilton Smith: “Elia – ein Prophet Jehovas”
© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW