10 jaar geleden

Een struikelblok weggenomen (1)

Hebreeën 6:1-12 en 10:26-30.

“Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van de leer der wassingen en van oplegging der handen en van opstanding der doden en van eeuwig oordeel. En dit zullen wij doen, als God het vergunt. Want het is onmogelijk, hen die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gave gesmaakt hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn, en het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt hebben, en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken. Want de grond die dikwijls daarop komende regen indrinkt en nuttig gewas voortbrengt voor hen, ten behoeve van wie hij ook bebouwd wordt, ontvangt zegen van God; maar als hij doornen en distels voortbrengt, blijkt hij verwerpelijk [te zijn] en de vervloeking nabij, en zijn einde is de verbranding. Maar, geliefden, wij zijn wat u betreft, overtuigd van betere en met de behoudenis verbonden dingen, ook al spreken wij zo. Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die gij bewezen hebt voor Zijn naam, doordat gij de heiligen gediend hebt en [nog] dient. Maar het is onze begeerte, dat een ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver betoont tot de volle zekerheid van de hoop, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers van hen die door geloof en geduld de beloften beërven” (Hebr. 6:1-12).

“Want als wij moedwillig zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, maar een vreselijke verwachting van het oordeel en de felheid van het vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. Iemand die de wet van Mozes verworpen heeft, sterft zonder barmhartigheid op [het woord van] twee of drie getuigen, hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest van genade gesmaad heeft? Want wij kennen Hem, die gezegd heeft: ‘Aan Mij de wraak; Ik zal vergelden, spreekt [de] Heer’. En ook: “[De] Heere zal Zijn volk oordelen’. Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God! Maar denkt terug aan de dagen van weleer, toen gij na verlicht te zijn, veel strijd in het lijden verdragen hebt, hetzij dat gij zelf door smaad en verdrukking een schouwspel geworden zijt, hetzij dat gij gemeenschap had met hen die zo behandeld werden. Want gij hebt meegeleden met de gevangenen en de roof van uw bezittingen met blijdschap aanvaard, want gij wist, dat gij voor uzelf een beter en blijvend bezit hebt. Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning heeft. Want gij hebt volharding nodig, opdat gij, na de wil van God gedaan te hebben, moogt ontvangen wat beloofd is. Want nog een zeer korte tijd, ‘en Hij die komt, zal komen en niet uitblijven. Maar de rechtvaardige zal op grond van geloof leven; en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen’. Wij echter behoren niet tot hen, die zich onttrekken tot verderf, maar tot hen die geloven tot behoud van de ziel” (Hebr. 10:26-39).

Ik laat deze twee gedeelten uit de brief aan de Hebreeën op elkaar volgen, omdat daarin hetzelfde onderwerp behandeld wordt. Het is een zeer belangrijk onderwerp, dat al onze aandacht en behartiging waard is. De woorden die wij lazen, hebben voor vele gelovigen grote moeilijkheden opgeleverd; en de duivel heeft ze menigmaal gebruikt om een struikelblok te leggen voor de voet van hen, van wie de zielen verontrust waren over hun toestand voor God. Menigeen is door een verkeerd gebruik van deze woorden van zijn vrede beroofd, en geheel in verwarring gebracht. En toch, in plaats van dat deze woorden een struikelblok zijn, geven zij integendeel aanleiding tot versterking van de gelovigen, en kunnen zij strekken tot vertroosting van hen, die, hoewel zij nog geen vrede voor hun hart hebben, nochtans ontwaakt zijn uit de slaap van de zonde en zich bekeerd hebben tot de levende God.

Om te kunnen begrijpen, wat ons hier geleerd wordt, is het noodzakelijk, dat wij ons de toestand voor de geest roepen, waarin de gelovigen, aan wie deze brief geschreven is, zich bevonden. Heeft men dit verstaan, is men daaromtrent tot klaarheid gekomen, dan is de verklaring van de woorden van de apostel niet erg moeilijk. De gelovigen aan wie deze brief geschreven werd, waren gelovigen uit Israël, en niet gelovigen uit de volken. Niet aan een bepaalde gemeente schrijft de apostel, maar aan gelovige Israëlieten, die overal verstrooid waren. Deze Israëlieten hadden het Jodendom verlaten en Christus aangenomen. Zij hadden zich niet alleen van hun zonden, maar ook van hun verwerping van de Messias bekeerd. Zij hadden erkend, dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias, ja, de Zoon van de levende God was. Als de enige, algenoegzame Zaligmaker hadden zij Hem aangenomen en zich door het geloof in Zijn gemeenschap verblijd. Het bloed van stieren en bokken, zovele honderden jaren dagelijks gestort, had de zonden niet kunnen wegnemen; maar in het bloed van Jezus, in Zijn offer aan het kruis, hadden zij de vergeving van al hun zonden en een volkomen en eeuwige verzoening met God gevonden.

Het natuurlijk gevolg hiervan was, dat er een scheiding kwam tussen hen en de andere Israëlieten; en dat zij door hun broeders naar het vlees, die niet in Jezus geloven wilden, maar vol vijandschap tegen Hem waren in hun hart, heftig werden vervolgd. Hoe zou het ook anders hebben kunnen zijn! De Meester hadden zij gehaat en vervolgd; Hem hadden zij aan het kruis genageld en gedood; en zouden zij dan Zijn discipelen niet eveneens haten en vervolgen? Jezus Zelf had dit uitdrukkelijk voorzegd, en daarom overkwam hun niet iets vreemds. Ja, de ongelovige Joden waren de bitterste vervolgers van de discipelen van Jezus – veel erger dan de heidenen. Paulus bijvoorbeeld werd door zijn broeders naar het vlees het heftigst vervolgd; overal waar hij kwam, waren het de Joden, die hem het meest weerstonden, en die de heidenen tegen hem opstookten en ophitsten. Geen wonder dus, dat deze gelovige Hebreërs, die in het midden van hun ongelovige en vijandige stamgenoten leefden, ontzettend veel te verduren hadden. Maar zij hadden al die vervolgingen met vreugde verdragen; zij hadden getroost en bemoedigd al dat lijden en al die smaad kunnen verduren; ja, zij hadden zelfs de roof van hun bezittingen met blijdschap aangenomen. Hun oog was gericht op het beter en blijvend goed, dat voor hen in de hemelen was weggelegd; hun hart verhief zich tot de grote, medelijdende Hogepriester in de hemel, die met al onze zwakheden medegevoel hebben kan, omdat Hij in alles verzocht is geworden, net als wij, uitgenomen de zonde. En niet alleen dit! Maar waar zijzelf veel te lijden hadden, hielden zij nog tijd en gelegenheid over om aan anderen te denken. Zij hadden veel strijd in het lijden te verdragen gehad; zij waren deels door smaad en verdrukkingen een schouwspel geworden; maar dit had hen niet verhinderd om aan anderen te denken; integendeel, dit had hen er toe gebracht om met hen, die ook zo behandeld werden, gemeenschap te hebben en medelijden met de gevangenen te gevoelen. Voorwaar, deze gelovige Hebreërs waren toen wel in een heerlijke en gezegende geestelijke toestand! Als burgers van de hemel, op reis naar het hemels vaderland, waren zij vreemdelingen op aarde, en drukten de voetstappen van Hem, die geen plaats hier beneden had, waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen (Matth. 8:20).

Zo waren zij jaren lang hun weg gegaan. Maar helaas! zo was het niet gebleven, en zo was het niet, toen Paulus* hun deze brief schreef. Integendeel, hun verachterde toestand was de aanleiding tot het schrijven van deze brief. Zij waren moe en mat geworden (12:12); zij verkeerden in gevaar hun vrijmoedigheid weg te werpen (10:35); zij dachten er aan om weer tot het Jodendom terug te keren (6:6; 10:26). Deden zij dit, dan zouden zij afvallen van het geloof, en zich onttrekken aan het Christendom, en dus in het verderf gaan. Om hen te waarschuwen, om hen tegen te houden, om hen in het geloof te doen volharden, richt de apostel tot hen dit heerlijke en tevens hoogst ernstige schrijven.

Maar, zal men vragen, hoe is het mogelijk, dat zulke gedachten in een Christen opkomen? O, dat is niet zo heel moeilijk te begrijpen. Natuurlijk komen zulke gedachten niet plotseling. Daaraan gaat veel vooraf. Het begin is soms nauwelijks te bemerken. Kleine dingen hebben dikwijls grote gevolgen. Niet opeens zal bijvoorbeeld een Christen zijn vermaak in de wereld gaan zoeken, niet plotseling in de zonde gaan leven. Daartoe komt men langzamerhand. Men begint met onttrouw te zijn in kleine dingen, dan in meer belangrijke, en zo gaat men hoe langer hoe verder, totdat men eindelijk geheel van God is afgeweken. Wij zullen wel allen, in meerdere of mindere mate, kennis daaraan hebben; en met schaamte moeten belijden, dat als God ons niet tegengehouden en bewaard had, wij al lang ver van Hem zouden ronddolen. Welnu, zo was het ook gegaan met deze Hebreërs. Niet plotseling waren zij in deze gevaarvolle toestand gekomen; o neen! Het begin was heel klein geweest, voor niemands oog zichtbaar, dan alleen voor Hem, die de gedachten en overleggingen van de harten kent. En wat was het begin? Het lijden was hen zwaar gaan vallen; de vervolging duurde hen te lang. Jaren hadden zij alles met blijdschap verdragen; maar eindelijk waren zij moe geworden, en bezweken zij onder de kastijding (12:5). In plaats van te zingen, zuchtten zij; in plaats van, zoals vroeger, de roof van hun bezittingen met blijdschap aan te nemen, waren hun handen slap en hun knieën traag geworden. “Zou er dan niet eindelijk een eind komen aan al dat lijden, aan al die vervolgingen? Zou de Heere ons dan nooit verademing schenken?” En waar deze gedachte in het hart is, daar volgt die andere vanzelf: “Hoe zouden we het best van dat lijden kunnen afkomen en ons aan die vervolgingen kunnen onttrekken?” En waar die overlegging heeft post gevat, daar komt de duivel met zijn listige, verleidingen, en fluistert: “Weet u hoe u het best van dat lijden kunt afkomen? Wel, dan moet u hier en daar een beetje toegeven: u moet niet zo stijf en strak zijn; doe wat water in uw wijn. Ga van tijd tot tijd eens naar de synagoge, houd weer tijden en jaren en maanden en dagen; laat uw kinderen besnijden. U zult zien, dan houdt het lijden op. U hoeft daarom niet op te houden een Christen te zijn; o neen! u kunt in Christus blijven geloven en u op Zijn offer blijven verlaten; u hoeft niets te veranderen dan die uitwendige dingen, en daarin ligt toch het wezen van de zaak niet”. Door deze verleidelijke redeneringen was de duivel er in geslaagd deze gelovigen van het rechte spoor af te brengen; en als God Zich niet over hen ontfermd had en hen niet had doen waarschuwen, dan zouden zij zeker van het geloof zijn afgevallen.

Nu moeten wij evenwel niet denken, dat deze gelovigen zich voorgenomen hadden het Christendom prijs te geven en Christus te verlaten. In geen geval. Zij dachten daaraan in de verste verte niet. Zij wilden alleen door toegeven aan de vooroordelen van de Joden en door het waarnemen van de Joodse gebruiken van het lijden bevrijd worden. Maar de apostel stelt hun voor, wat het einde van die weg zou zijn. Hij maakt de gevolgtrekking. Evenals in de brief aan de Galatiërs. De Galatiërs dachten er niet aan om Christus vaarwel te zeggen, maar Paulus zegt hun, dat, als zij zich lieten besnijden, omdat zij anders geen ware gelovigen zijn konden, Christus hun niet nut was, en zij van de genade vervallen waren. Zo ook hier. Wat zou het einde zijn van een terugkeren tot het Jodendom? Niets minder dan een afvallen van het Christelijk geloof en een verwerpen van het enige offer, waardoor wij kunnen verzoend worden.

Om hen daarvan terug te houden stelt de apostel in deze brief de heerlijkheid van Jezus voor, tegenover de voornaamste personen van het Oude Testament – de heerlijkheid van Jezus zowel in Zijn persoon, zijnde de eeuwige Zoon van God en de volmaakte Zoon des mensen, als in Zijn werk en bediening. Jezus tegenover Mozes en Aäron; het bloed van het kruis tegenover het bloed van stieren en bokken; de bedeling van de schaduwen tegenover de werkelijkheid en de vervulling in Christus; de geopende hemel, het heiligdom van God, tegenover het gesloten heiligdom van de oude bedeling, en zoveel meer, wordt hun in deze brief voor ogen gesteld en op het hart gebonden; opdat zij aangetrokken door de schoonheid en voortreffelijkheid van Jezus en Zijn werk, gemakkelijk de verdwijnende schaduwen van de wet zouden prijsgeven, om met nieuwe moed de loopbaan tot het einde toe te lopen.

Maar de apostel wil niet alleen hun harten aantrekken door de voorstelling van de heerlijkheid van de nieuwe bedeling; hij wil hen ook afschrikken door hen te wijzen op het schrikkelijk einde van de weg, waarop zij hun voet dachten te zetten. Dit doet hij in de boven aangehaalde woorden. Aan het eind van hoofdstuk 5 had hij gezegd, dat zij vanwege de tijd leraars behoorden te zijn, maar dat zij weer nodig hadden te leren, wat de eerste beginselen van de woorden van God waren. Zij waren al zovele jaren bekeerd, dat zij volwassen mannen geworden waren, die in staat zijn anderen in de waarheid te onderwijzen; maar door hun afdwaling waren zij aan kleine kinderen gelijk geworden, die met melk moeten gevoed worden. Dit moest niet zo zijn. “Laten wij daarom”, zegt de apostel, “het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan tot het volkomene” (6:1). “Het woord van het begin van Christus” wil zeggen: de eerste beginselen van de leer van Christus. Zij moesten niet altijd blijven bij de eerste beginselen van het Christendom, maar tot de volle wasdom – het volkomene – voortvaren. Kleine kinderen hebben melk nodig, volwassenen vaste spijs. En wat de tijd van hun bekering betreft, waren zij volwassen mannen en geen kinderen. Vergenoegt u dus niet met melk, maar strekt u uit naar de vaste spijs. Voorzeker, indien God het toelaat, zullen wij ook melk toedienen, maar u moet voortvaren tot de volle wasdom. “Zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van de leer der wassingen en van oplegging der handen en van opstanding der doden en van eeuwig oordeel”, deze dingen werden in de oude bedeling al geleerd en waren bekend. Keert u dus daarheen terug, dan gaat u weer terug naar de oude bedeling, en geeft zelfs de eerste beginselen van de leer van Christus prijs. In plaats van tot de volle wasdom voort te varen, zou u dan niet alleen weer met melk u vergenoegen, maar u zou, nog verder teruggaande, u begeven tot de bedeling van de wet, die in Christus zijn eind en zijn vervulling gevonden heeft.

En dan komt de bekende plaats, die voor zo menigeen een struikelblok geworden is. “Want het is onmogelijk, hen die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gave gesmaakt hebben en deelgenoten van [de] Heilige Geest geworden zijn, en het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt hebben, en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God kruisigen en openlijk te schande maken”. Hoogst ernstige woorden! Wel geschikt om deze gelovige Hebreërs te doen stilstaan op hun weg, en hen terug te houden van het voornemen, dat zij koesterden. Keerden zij tot het Jodendom terug, dan zou het einde niets anders zijn dan afval, en eenmaal afgevallen, was er geen mogelijkheid meer om vernieuwd te worden tot bekering. Al de zegeningen, die men genoten, al de goede gaven die men gesmaakt, al de voorrechten waarin men zich verblijd had, konden dan niets baten. Eenmaal afgevallen van het geloof, was bekering onmogelijk, omdat niemand van het Christelijk geloof afvalt en Christus afzweert, van wie het hart niet geheel verhard is.

Men kan door het licht van het evangelie zijn verlicht, en de hemelse gave, Christus het brood van het leven, gesmaakt hebben; men kan deelgenoot van de Heilige Geest geworden zijn, zodat men door de Geest heeft gesproken en geprofeteerd; men kan het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw, dat zijn de wonderen, hebben gesmaakt, en van het geloof afvallen, Christus de rug toekeren en aldus verloren gaan. Is Judas niet verlicht geweest? Heeft hij niet het evangelie verkondigd? Kwam ook hij niet terug tot de Heere Jezus met de woorden: zelfs de duivelen zijn ons onderworpen geweest? En heeft niet Saul door de Geest geprofeteerd, zelfs nog toen God hem verlaten had? Lezen wij niet van hem, dat de Heere de goede geest van God van hem wegnam, en een boze in plaats van deze in hem zond? Welnu, zo zou het ook gaan wanneer iemand, na Christus aangenomen te hebben als de enige en algenoegzame Zaligmaker, die Christus verwierp.

Er is hier dus sprake van afvallen. Men bedenke dit wel. Er wordt geenszins gesproken over iemand, die, na in Christus geloofd te hebben, tot de wereld terugkeert of in de zonde valt. Hoe verschrikkelijk dit ook zijn moge, zo is er voor de zodanige toch nog bekering mogelijk. De apostel spreekt van het “afvallen”, van het afzweren van het Christelijk geloof; van het zich afwenden van het Christendom om tot het Jodendom terug te keren. Die dat deed, kruisigde voor zichzelf de Zoon van God en maakte Hem te schande. Niemand kan natuurlijk de Zoon van God, Die aan ‘s Vaders rechterhand gezeten is, afbrengen, en voor de tweede maal kruisigen. Maar als een Jood het Christendom aanneemt, dan verklaart hij daardoor, dat Jezus de ware Messias, de Zaligmaker van de wereld is; hij komt als een verrader en moordenaar van Jezus met belijdenis van zijn schuld tot de Verlosser, en erkent in Zijn dood aan het kruis het enige middel tot verzoening met God en ter vergeving van zijn zonden gevonden te hebben. Wendt hij zich nu evenwel van Jezus af, verlaat hij het Christelijk geloof, en keert hij tot het Jodendom terug, dan herroept hij al wat hij beleden heeft, en schaart zich opnieuw onder de verraders en moordenaars van Jezus en zo doende kruisigt hij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw, en maakt Hem te schande.

Wordt D.V. vervolgd.

 

* Dat Paulus de schrijver van de brief is, vinden we niet letterlijk terug in deze brief. Daartoe vindt u in dit nummer een toelichting uit een brochure van de welbekende schrijver, broeder J.N. Voorhoeve. Dit onder de titel: “Wie schreef de brief aan de Hebreeën?”
Hierin wordt aangetoond, dat het uitermate aannemelijk is, dat Paulus wèl de schrijver is van de brief aan de Hebreeën.

H.C. Voorhoeve Jzn.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW