1 uur geleden

Een korte studie over de komst van de Heer (1)

Israel

Leidend vers: Jakobus 5 vers 8

Jakobus 5 vers 8: “De komst van de Heer is nabij.”

Inhoud

> Inleiding
> 1. Profetisch overzicht
> 1.1  Israël

Inleiding

Het onderwerp van de komst van de Heer Jezus naar de aarde komt op veel plaatsen in het Woord van God voor, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Omdat we ze niet allemaal kunnen behandelen, moeten we een selectie maken.

De komst van de Heer is inderdaad geen geïsoleerde gebeurtenis, geen datum op zich, maar een hele tijdsperiode. Wanneer de oudtestamentische profeten, zoals Jesaja (bijv. Jes. 8:23-9:1-6; 61:1-3), spreken over de Komende, presenteren zij binnen één enkel beeld Zijn komst als Mens op aarde, waar Hij ongeveer dertig jaar leefde, en Zijn toekomstige komst, die zal leiden tot de vestiging van het Duizendjarig Rijk. Wanneer de evangelisten van hun kant de woorden van Jezus berichten, spreken zij vaak over Zijn wederkomst vaak op een wijze, die de twee fasen van Zijn toekomstige komst verenigt in één en dezelfde visie. Dit is in overeenstemming met Johannes 16 vers 12, waar Jezus Zijn discipelen uitdrukkelijk vertelt, dat Hij hen nog veel te zeggen heeft, maar dat zij het op dat moment niet kunnen dragen. Pas in de brieven onderscheidt in het bijzonder Paulus, onderwezen door de Geest en met de opdracht om “het woord van God te voleindigen” [1] (Kol 1:25), duidelijk de tweevoudige wederkomst van de Heer Jezus: Zijn komst om de gelovigen op te nemen, wat “de Opname” wordt genoemd, en Zijn komst in heerlijkheid om Zijn koninkrijk te vestigen.

Er bestaat geen tegenspraak tussen de profetieën van het Oude Testament, de evangeliën, de brieven en het boek Openbaring, maar eerder een voortschrijdende ontvouwing van de waarheid. Wanneer we van grote afstand naar verschillende bergketens kijken, denken we er maar één te zien, omdat we niet onderscheiden dat er valleien tussen liggen: dit is het perspectief, dat de profeten ons voorschotelen. Naarmate we de eerste bergketen naderen, merken we, dat deze van de volgende gescheiden is door een diepe vallei: dit is de openbaring die de evangelisten ons hebben kunnen geven. Als we nog dichterbij komen, beseffen we, dat de daaropvolgende bergketens op hun beurt weer van elkaar gescheiden zijn door andere valleien. Het blijft in zijn geheel steeds hetzelfde panorama, maar hoe dichter we bij komen, hoe beter we de opeenvolgende perspectieven onderscheiden die van afstand gezien samenvielen.

In het Oude Testament is de komst van de Heer de morgen die komt, de ochtend zonder wolken, een groot licht (Jes. 21:12; 2 Sam. 23:4). In het Nieuwe Testament hebben we de Morgenster, de hoop van de gemeente, onderscheiden van de opkomst van de zon, een beeld van de Messias die Zijn koninkrijk vestigt. In de evangeliën is het de Meester, de Zoon des mensen, Die terugkeert. In de Handelingen van de apostelen is het “deze Jezus” (Hand. 2:32), en in de brieven is het “de Heer Zelf” (1 Thess. 4:16). Op deze wijze wordt het grote thema van de komst van de Heer verdeeld in twee duidelijk te onderscheiden perioden:

1. Zijn eerste komst op aarde, waar Hij werd geboren, leefde en Zijn leven gaf, en
2. Zijn Wederkomst uit de hemel zal in twee opeenvolgende fasen plaatsvinden: de Opname, wanneer Hij zal komen om de gelovigen tot Zich te nemen; en vervolgens Zijn komst in heerlijkheid als Rechter en Koning om het Duizendjarig Rijk te vestigen.

Deze twee fasen worden gescheiden door een periode waarin verschrikkelijke oordelen zowel het Joodse volk als de volkeren zullen treffen.

Zoals met alle belangrijke onderwerpen in de Schrift, kunnen de verschillende leringen met betrekking tot de komst van de Heer vanuit drie perspectieven worden bekeken:

  • Historisch: Dit heeft in het bijzonder betrekking op Zijn eerste komst op aarde.
  • Moreel: Dit verwijst naar het praktische effect, dat de waarheid van Zijn spoedige terugkeer op onze harten beoogt te hebben.
  • Profetisch: Dit aspect wordt overgebracht door alle teksten die de verschillende gebeurtenissen van Zijn tweede komst aankondigen.

God wil niet dat we het profetische aspect scheiden van het morele aspect: die twee moeten nauw met elkaar verbonden blijven, zoals we bijvoorbeeld zien in Lukas 21 vers 27-36. Aan de andere kant zijn de morele lessen over de komst van de Heer in de gelijkenissen, de brieven en elders evenzeer van toepassing op de Opname en de Wederkomst in heerlijkheid.

We merken op, dat onder de profetieën de volgende de belangrijkste zijn met betrekking tot de Komst van de Heer:

  • Daniëls perspectief, dat de dingen vanuit een aards oogpunt bekijkt.
  • Het perspectief van de evangeliën, die de toekomst voornamelijk vanuit de “Joodse kant” bekijken.
  • Het perspectief van de Openbaring, waarin Johannes een beeld van de hemel krijgt, nadat hij de woorden “… Kom hierop …” heeft gehoord (Openb. 4:1)

1. Profetisch overzicht

De verschillende bedelingen waarover in de Schrift gesproken wordt, betreffen Israël, de volken en de gemeente (1 Kor. 10:32). De respectievelijke historische processen komen samen in de Wederkomst van de Heer.

  • Het hoogtepunt van de geschiedenis van Israël: de komst van de Messias in heerlijkheid en de vestiging van het Duizendjarig Rijk.
  • De zegen van de oude volken: het rijk van gerechtigheid en vrede, ingeluid door de komst van Christus in heerlijkheid.
  • De hoop van de gemeente van Christus en het einde van zijn geschiedenis op aarde: de Opname en de ontmoeting met de Bruidegom.

1.1  Israël

We lezen: Genesis 12 vers 1-3; Daniël 9 vers 23-27; Zacharia 12 vers 10-14; Zacharia 14 vers 3-5.

De zegen van Eden kwam ten einde met de zondeval, als gevolg van het zondige gedrag van de mensheid. Adams nakomelingen verdorven zich op aarde en werden door de zondvloed uitgeroeid. Ook de ‘geslachten’ van de zonen van Noach wijdden zich aan afgoderij. Op dit punt grijpt God in, niet langer met het oog op de mensheid in het algemeen, maar om uit hun midden een familie, een volk, te vormen. Hij roept Abraham: Abraham wordt de drager van de beloften, en God sluit een verbond met hem.

Uit Izak en vervolgens Jakob (Israël) ontstond een volk van God op aarde, een volk dat van alle anderen was afgezonderd (Num. 23:9; Deut. 7:6); hoewel het nog steeds van de anderen is afgescheiden, bestaat het tot op de dag van vandaag, ondanks zijn bewogen en tragische geschiedenis. Aan dit volk heeft God gegeven:

  • Eén land: Palestina, een twistpunt door de eeuwen heen.
  • Eén openbaring: de Bijbel, met name het Oude Testament.
  • Eén Redder: de Messias.

Hoewel de Joden zich er fel tegen verzetten, gold de Heilige Schrift niet alleen voor hen, maar voor alle mensen, en de Messias was niet alleen de Messias voor de Joden, maar Hij was de Redder van de wereld.

Na de uittocht uit Egypte en de verovering van Kanaän bleven de Israëlieten eeuwenlang in hun land, maar raakten onder het bewind van het koningschap steeds verder van God verwijderd. Deze ontrouw leidde uiteindelijk tot de opeenvolgende wegvoeringen in ballingschap, zoals beschreven in de laatste hoofdstukken van 2 Koningen en Kronieken; de meerderheid van de Israëlieten werd naar andere landen gebracht. Het beslissende moment kwam toen Nebukadnezar de voorwerpen van het huis van God in beslag nam in het derde jaar van de regering van Jojakim (Dan. 1:1-2). Vanaf dat moment begon het zeventig jaar durende ballingschap die door de profeten was aangekondigd (Jer. 29:10; Dan. 9:2), en dat aan het einde na een edict van Kores er een eerste terugkeer met Zerubbabel (Ezra 1) plaatsvond.

Zoals hij had aangekondigd, was de koning van Perzië van plan het altaar en de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Pas na de profetie die aan Daniël was toevertrouwd (Dan. 9:25) ontving Nehemia de opdracht om de stad en haar muren te herbouwen (Neh. 2:8). Dit markeert het begin van de 70 weken die de engel Gabriël in een visioen aan Daniël openbaart.

De 70 weken: Dit zijn “weken van jaren,” in totaal 490 jaar, die eindigen in de “zalving van de Heiligheid van heiligheden,” dat wil zeggen, in het beloofde koninkrijk van de Messias. Gedurende de eerste 7 weken (49 jaar) “zullen de wegen en grachten hersteld worden” (Nehemia). Daarna zullen 62 weken, of 434 jaar, verstrijken “tot de Messias, de Vorst” (Dan. 9:26a). Aan het einde van de 69 weken bereiken we het einde van het leven van de Heer Jezus op aarde. Daniël 9:26a zegt: “Na 62 weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.” Het is dus aan het einde van de 69e week, dat de Messias weggedaan wordt. Ongeveer 40 jaar later zal Jeruzalem verwoest worden: “ … en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is” (Dan. 9:26c). Deze woorden dekken de hele voor ons onbestemde periode van de verstrooiing van de Joden na de verwoesting van Jeruzalem af, een periode die ruwweg overeenkomt met de geschiedenis van de gemeente op aarde.

Daniël zegt dat de “verwoesting” duurt “tot het einde.” Lukas 21 vers 24 specificeert: “totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld”; Mattheüs 23 vers 39 voegt daaraan toe: “… totdat u zegt: ‘Gezegend Hij die komt in [de] naam van [de] HEER’”; en Romeinen 11 vers 25: “… totdat de volheid van de volken is ingegaan.” Gedurende deze tijd blijven de Joden, ondanks hun verstrooiing als volk, afgescheiden van de anderen, bestaan.

In 1933 werd het aantal van degenen die als zodanig werden erkend blijkbaar op zestien miljoen geschat, maar sindsdien zijn er zo’n vijf tot zes miljoen gestorven als gevolg van de vervolging. De oprichting van de staat Israël in 1948 is een gebeurtenis die veel aandacht heeft getrokken, omdat het de eerste keer was, dat dit volk sinds zijn verstrooiing een persoonlijke regering had gevonden, hoewel het tot nu toe een puur politieke beweging was en niet het door de profeten aangekondigde berouw. Het is overigens opmerkelijk, dat het aantal Joden dat al naar Palestina is teruggekeerd en het aantal dat elke maand erbij komt, veel groter is dan het aantal dat terugkeerde in de tijd van Zerubbabel, Ezra en Nehemia.

Wanneer de geschiedenis van de gemeente van Christus op aarde eindigt met de opname, zal God opnieuw een betrekking aangaan met Israël, en zal de 70e week, waarvan de vervulling nog moet komen, beginnen. Aan het begin daarvan zal de komende Vorst “voor velen het verbond versterken, één week lang” (Dan. 9:27). Dit is dus een pact tussen de massa van de (ongelovige) Joden en het hoofd van het herstelde Romeinse Rijk. “Halverwege de week” zal er een interventie plaatsvinden met als uiteindelijk doel een einde te maken aan “slachtoffer en graanoffer” en “de gruwel der verwoesting” op te richten “in de heilige plaats” (Matth. 24:15). Allen zullen ertoe worden gebracht het beest en zijn beeld te aanbidden (2 Thess. 2:4; Openb. 13:8,15). Dit is het begin van de periode van 3½ jaar die gekenmerkt wordt door de grote verdrukking voor Israël, de “benauwdheid voor Jakob” (Jer. 30:7), en door grote oordelen die over de hele aarde zullen komen, zoals het boek Openbaring ons bericht.

Een oprechte beproeving van het hart, die al van tevoren is begonnen, zal plaatsvinden onder een deel van de Joden die naar hun land zijn teruggekeerd, het “overblijfsel”; zij zullen tot diepgaand berouw worden geleid met betrekking tot hun verwerping en kruisiging van de Messias (Zach. 12:10-14). Vervolgens zullen ook de tien voorheen verspreide stammen naar Palestina terugkeren, waarbij zij onderweg en bij aankomst verschillende oordelen zullen ondergaan (Ez. 20). Deze periode van 3½ jaar (42 maanden), terwijl het beest en de valse profeet triomferen (Openb. 13), eindigt met de glorieuze verschijning van de Heer Jezus, die hen vernietigt (2 Thess. 2). Hij behaalt de overwinning op al zijn tegenstanders (Openb. 19) en vestigt Zijn koninkrijk (Zach. 14:3-5).

 

NOOT:
1. Dit is volledig te maken, tot volheid te brengen (zie noot bij Matth. 5:17 – Telos=vertaling)

 

George André; © SoundWords

Online in het Duits sinds: 06.11.2010; geactualiseerd: 22.06.2026
Originele titel: “Courte étude sur la venue du Seigneur (1)”
Bron: www.bible-notes.org

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW