Kernverzen: Mattheüs 24 vers 45-51
Inhoud
- Inleiding
- De Heer roept ons op tot dienstbaarheid
- Roept de Heer ons vandaag de dag niet meer op tot dienstbaarheid?
- Het doel van dienstbaarheid
Inleiding
Hoe divers zijn de gedachten en gevoelens die het woord ‘christendom’ oproept! Het roept voor onze ogen die immense massa gedoopte christenen op die zichzelf de Kerk van God noemen, maar die, afgezien van hun verantwoordelijkheid, alles hebben verspeeld wat hen recht geeft op deze naam. Zij leven niet het ware christendom; hun positie is onduidelijk en ongedefinieerd; het is noch de positie van het jodendom, noch van het heidendom, noch de positie van de ware Kerk van God. Het is een verdorven, verwarde mengeling, een vervalsing van het beste, en juist daarom bijzonder verwerpelijk. Dit is wat de vijand van het zogenaamde christendom heeft gemaakt. Het is veel erger dan het jodendom, ja zelfs veel erger dan het duistere heidendom, omdat het een helderder licht en grotere privileges geniet, en omdat het de hoogste belijdenis aflegt en het meest verheven standpunt inneemt. Het is het beeld van de meest verschrikkelijke afvalligheid, waarvoor het zwaarste oordeel, de bitterste druppel in de beker van Gods rechtvaardige toorn, is weggelegd.
Maar – God zij dank! – er zijn nog steeds sommigen in de christenheid die hun klederen niet hebben bezoedeld. Zij zijn als heldere vonken in de gloeiende as, als kostbare stenen te midden van verschrikkelijk puin. Maar wat betreft de massa die men met de uitdrukking “christendom” aanduidt, is niets meer ontmoedigend, niets angstaanjagender dan hun huidige toestand en hun toekomstige lot. Het is twijfelachtig of christenen in het algemeen een juist begrip hebben van de ware aard en het onvermijdelijke oordeel over de situatie waarin ze zich bevinden. Anders zouden ze ongetwijfeld de ernst van hun situatie beseffen en de noodzaak inzien om zich af te scheiden van de kwade wegen van de christenheid en met alle vastberadenheid te getuigen tegen haar geest en principes.
De Heer stelt aan in dienst.
In de eerste dialoog, zoals reeds opgemerkt, spreekt de Heer op de Olijfberg de belijdende christenen op drie manieren toe: door middel van de gelijkenissen van de ontrouwe slaaf, de tien maagden en de talenten. Elk van deze gelijkenissen maakt onderscheid tussen wat echt is en wat vals, waar en onwaar, licht en donker, wat tot het licht behoort en wat tot de duisternis. In beknopte vorm wordt hier een schat aan zeer serieuze en uiterst praktische lessen onthuld.
Mattheüs 24 vers 45-47: “Wie is dan de trouwe en wijze slaaf die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft om hun het voedsel te geven op [de] juiste tijd? Gelukkig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezittingen zal stellen.”
Hier vinden we zowel de bron als het doel van elke dienst in het huis van God: “die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft” – dat is de bron, en: “om hun het voedsel te geven op [de] juiste tijd” – dat is het doel.
Deze gezichtspunten zijn van groot belang en vereisen de volledige aandacht. Elke dienst in het huis van God, zowel in de tijd van het Oude als van het Nieuwe Testament, is gebaseerd op Goddelijke orde. Bediening bepaald door menselijk gezag wordt niet erkend in de Bijbel. Alleen God kan iemand aanstellen als dienaar in Zijn huis. In oudtestamentische tijden werden Aäron en zijn zonen door de HEER tot priester benoemd, en als een vreemdeling zich zou durven bemoeien met de uitvoering van de heilige dienst, zou hij met zijn leven worden gestraft. Zelfs de koning mocht het gouden wierookvat niet aanraken. Over Uzzia, de koning van Juda, staat geschreven: “Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn eigen verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om reukwerk in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar. Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen. Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE reukwerk in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God. Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om reukwerk in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, … Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. …” (2 Kron. 26:16-21).
Dit waren de ernstige en verschrikkelijke gevolgen van ongeoorloofde menselijke inmenging in Goddelijke besluiten. Bevat dit geen waarschuwing voor het christendom? Zonder twijfel. De belijdende kerk wordt, in onmiskenbare bewoordingen, gewaarschuwd zich te beschermen tegen menselijke inmenging in dat domein waarover alleen God gezag heeft. “Want iedere hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, opdat hij zowel gaven als slachtoffers voor [de[ zonden offert … En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aäron” (Hebr. 5:1,4).
Dit beginsel van Goddelijke ordening bleef niet beperkt tot de heilige dienst in de tabernakel. Niemand durfde zijn hand op zelfs maar het meest onbeduidende deel van het heilige gebouw te leggen zonder daartoe rechtstreeks toestemming van de HEER te hebben gekregen. “Daarna sprak de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, uit de stam Juda, bij zijn naam geroepen” (Ex. 31:1-2) – En net zoals Bezaleël zichzelf niet kon aanstellen voor deze arbeid, mocht hij ook niet zijn eigen medewerker kiezen of benoemen. Dit gebeurde ook van Gods kant: “En Ik, zie, Ik heb Aholiab … gegeven” (Exodus 31). Zowel Bezaleël als Aholiab ontvingen hun opdracht van de HEER Zelf, de enige echte Bron van alle officiële autoriteit.
Hetzelfde gold voor het profetische ambt of de profetische bediening. Alleen God kon een profeet toerusten en uitzenden. Helaas waren er ook mensen van wie de Heer moest zeggen: “Ik heb die profeten niet gezonden, toch zijn zij zelf gaan lopen …” (Jer. 23:21). Dit waren onheilige indringers op het gebied van de profetie, net zoals er mensen waren die zich onrechtmatig bemoeiden met de bediening van het priesterschap; maar allen brachten Gods rechtvaardig oordeel over zich.
Stelt de Heer vandaag geen mensen meer aan in de dienst?
Is dit belangrijke principe in onze tijd veranderd? Is de bediening ontdaan van haar vroegere fundament, is haar levensstroom afgeleid van haar Goddelijke bron? Is die kostbare en glorieuze instelling beroofd van haar hoge waardigheid? Kan het mogelijk zijn, dat de bediening in de tijd van het Nieuwe Testament is beroofd van haar Goddelijke voortreffelijkheid en is gereduceerd tot een louter menselijke aangelegenheid? Kan iemand zichzelf of een ander aanstellen voor een bediening in het huis van God?
Er is maar één antwoord op deze vraag: een ondubbelzinnig, plechtig nee! De bediening was en is Goddelijk; ze zal altijd Goddelijk zijn – Goddelijk in haar oorsprong, Goddelijk in haar aard, Goddelijk in elk aspect en principe. “Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; er is verscheidenheid van bedieningen, en het is dezelfde Heer; en er is verscheidenheid van werkingen, maar het is dezelfde God Die alles in allen werkt” (1 Kor. 12:4-6). “Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild” (1 Kor. 12:18). “En God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, vervolgens genadegaven van genezingen, besturingen, allerlei talen” (1 Kor. 12:28). “Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus. Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangen genomen <en> heeft de mensen gaven gegeven …’ En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, om de heiligen te volmaken, tot [het] werk van [de] bediening, tot [de] opbouwing van het lichaam van Christus; totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot [de] maat van [de] volgroeidheid [1] van de volheid van Christus” (Ef. 4:7-13).
Dit is de bron van alle dienstbaarheid in de kerk of gemeente van God, van begin tot eind, vanaf het in in genade gelegde fundament tot aan de hoeksteen in heerlijkheid. Ze is Goddelijk en hemels en niet menselijk en aards. Het is niet van de mens of door de mens, maar door Jezus Christus en God de Vader, Die Hem uit de dood heeft opgewekt, en in de kracht van de Heilige Geest (zie Gal. 1). Er is absoluut geen erkenning in de hele Schrift van menselijk geautoriseerde dienstbetoon in de kerk of gemeente. Als het om een gave gaat, wordt er uitdrukkelijk gezegd dat het “het een gave van Christus” is; als het om een benoemde positie gaat, wordt met evenveel zekerheid en duidelijkheid benadrukt dat “God de leden heeft gesteld”, en als het een plaatselijke opdracht, een ouderling of een diaken betreft, laten de apostelen of hun vertegenwoordigers zich alleen leiden door Goddelijke aanstelling.
Dit alles wordt zo duidelijk, zo helder en zo ondubbelzinnig in de Heilige Schrift uitgedrukt, dat men zich alleen maar kan afvragen: “Hoe lees je dat?” Hoe meer we, geleid door de Heilige Geest, de glorieuze diepten van het geïnspireerde Woord doorgronden, hoe meer we ervan overtuigd raken, dat de bediening in alle opzichten Goddelijk is – Goddelijk in haar oorsprong, in haar aard en in haar beginselen. Deze waarheid straalt met volle helderheid uit alle brieven; maar we vinden de kiem ervan al in de woorden van onze Heer in Mattheüs 24 vers 45, wanneer Hij zegt: “… die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft!” De dienaren behoren de Meester toe; Hij alleen kan dienaren aanstellen, en Hij doet dat volgens Zijn eigen absolute wil.
Het doel van de dienst
Even duidelijk is het doel van deze bediening, zoals al in deze gelijkenis wordt aangeduid en in de brieven zorgvuldig wordt uitgewerkt: “om hun het voedsel te geven op [de] juiste tijd?” — “tot de opbouwing van het lichaam van Christus.” Hoezeer verlangt het liefdevolle hart van Jezus naar de opbouw van zijn gemeente! Hij verlangt ernaar, dat Zijn leden groeien, dat Zijn gemeente wordt opgebouwd, dat Zijn lichaam wordt gevoed en verzorgd. Daarom biedt Hij gaven aan, onderhoudt Hij hen in de gemeente en zal Hij hen blijven onderhouden totdat de gemeente hen niet meer nodig heeft.
Mattheüs 24 vers 48-51: “Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt: Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij het niet weet, en hij zal hem in tweeën hakken en zijn lot bij [dat van] de huichelaars stellen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.”
Maar helaas! Er is een duistere kant aan dit beeld – een kant die we moeten zien zolang we het beeld van het christendom beschouwen. Het spreekt niet alleen van een “trouwe en wijze slaaf,” maar ook van een “boze slaaf” die “in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft uit.”’ In zijn hart ontstaat de gedachte, dat zijn heer uit blijft. Hij verwacht Hem niet meer; hij stelt Zijn komst uit naar de verre toekomst. En wat is het gevolg? “en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards.” De trieste voorbeelden die de geschiedenis van het christendom in dit opzicht biedt, hoeven niet verder te worden toegelicht. In plaats van ware dienstbaarheid, die haar oorsprong vindt in het opgestane en verheerlijkte Hoofd, in plaats van de opbouw van het lichaam, de zegening van de zielen en de voeding van de dienaren, zien we een valse geestelijke autoriteit, een eigenmachtige ordening, een heersen over de erfgoederen van God, een streven naar wereldse rijkdom en macht, vleselijke zelfgenoegzaamheid, zelfvoldoening, persoonlijke verheffing en priesterlijke tirannie met al haar vormen en praktische gevolgen.
Het verschil tussen het klerikale systeem en ware bediening is immens. Het eerste is puur menselijke arrogantie en vindt zijn oorsprong in het menselijk hart; dit berust op een opgestane en verheerlijkte Verlosser, Die, opgewekt uit de dood, gaven ontving om te geven aan wie Hij wil. Dit is zeer ernstig en zou een doorslaggevende invloed op ons moeten hebben, want er komt een dag waarop de Heer zal oordelen over alles wat de mens in Zijn huis heeft durven bouwen. Dit gaat niet over personen – hoewel het zeer ernstig is voor iemand om de handen op te leggen aan dingen die aan zo’n verschrikkelijk oordeel onderworpen zullen zijn – maar over een specifiek klerikaal systeem in al zijn vormen en vertakkingen.
Wij waarschuwen dringend voor dit kwaad. Alleen de Heer Jezus schenkt de mensheid gaven voor dienstbetoon, en in Zijn wonderbaarlijke genade wil Hij de trouwe en ijverige uitoefening van deze gaven rijkelijk belonen, terwijl Hij oordeelt over wat de mens heeft bereikt met deze plechtige woorden: “… de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een uur dat hij het niet weet, en hij zal hem in tweeën hakken en zijn lot bij [dat van] de huichelaars stellen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.”
Moge de Heer Zijn dienstknechten en Zijn volk beschermen tegen elke deelname aan dit grote kwaad, dat helaas is doorgedrongen in de boezem van de gemeente van God, en hen tegelijkertijd leiden om die ware, kostbare en Goddelijke dienst, die van Hem uitgaat en bedoeld is in Zijn oneindige liefde voor de zegen en voorspoed van de gemeente die Hem zo dierbaar is, te begrijpen, te waarderen en in praktijk te brengen! De bediening in de gemeente is van God, de bron ervan is Goddelijk, zijn natuur hemels en geestelijk, het doel ervan is de roeping en opbouw van de gemeente van God. De Heer Jezus deelt de gaven uit aan de evangelisten, herders en leraars. Hij beschikt over de geestelijke gaven, en Hij heeft dat gezag nooit opgegeven en zal dat ook nooit doen. Ondanks alles wat Satan schadelijk heeft gedaan in de belijdende kerk, ondanks alle daden van die “boze slaaf,” ondanks alle aanmatigingen van een autoriteit die de mensen niet toekomt, houdt onze verrezen en verheerlijkte Heer de “zeven sterren in Zijn hand” (Openb. 1:16,20; 2:1). Hij beschikt over alle gaven, iedere macht en autoriteit voor de dienst. Alleen Hij kan iemand tot een dienaar maken. Tenzij Hij een gave heeft verleend, kan er geen echte Goddelijke dienst worden uitgeoefend. Het blijft dan bij holle veronderstellingen, strafbare inmenging, ijdele genegenheid en nutteloos gebabbel. Maar waar de Heer een gave schenkt, moet het “aangewakkerd” en zorgvuldig uitgevoerd worden, opdat “aan allen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt” (1 Tim. 4:15). De gave moet worden uitgeoefend in de kracht van de Heilige Geest; anders zal het niet overeenkomen met het door God vastgestelde doel.
Tot slot, met betrekking tot dit en de kort aangehaalde gelijkenis van de talenten, laten we nogmaals in gedachten houden, dat elke ware dienst direct verband houdt met de wederkomst van de Heer, met het oog op die grote en glorieuze gebeurtenis. Alles wat imitatie, vals, verdorven en kwaad is, zal geoordeeld worden wanneer de Heer Jezus in Zijn heerlijkheid verschijnt.
Uit: Gedanken über das Kommen des Herrn,
Neustadt/Weinstr.: Ernst Paulus, Nachdruck 1979, S. 65–71.
Tussenkopjes van SoundWords.
Charles Henry Mackintosh
© www.soundwords.de
© EPV, online in het Duits sinds: 06.07.2011; geaktualiseerd: 15.12.2025
Geplaatst in: Christendom, Gemeente
© Frisse Wateren, FW