Hanna (7: Overgave en profetie)
Dinsdag 15 juli 2025
Hanna werd gekenmerkt door blijvende dankbaarheid en toewijding. God kon haar zelfs gebruiken voor een prachtige profetie in het Oude Testament. Een werkelijk voorbeeldige vrouw – ook voor onze tijd.
Opmerking: De volgende tekst is een door de computer gegenereerd transcript van het audiobestand. Spraakherkenning kan in sommige gevallen foutief zijn. Dit geldt ook voor alle vorige en toekomstige publicaties over dit onderwerp.
We hebben gezien hoe Hanna geestelijk rijk was. Ze was zo materieel, maar ze was vooral zo geestelijk. En dat ze werkelijk trouw de belofte op zich nam en ernaar handelde, wat ze in het gebed aan God gaf en wat ze ook aan Eli bekende. We zien nu in vers 27 dat Hanna niet alleen dankbaarheid op de korte termijn toonde, maar dat ze op de lange termijn echt dankbaar was. Ze zegt tegen Eli in 1 Samuël 1 vers 27: “Ik bad om deze jongen, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gebeden heb.”
Daarmee maakt ze het openbaar, dat is wat ik deed, daar heb ik voor gebeden en de Heer antwoordde en daar ben ik dankbaar voor. Hij gaf mij deze zoon, Hij leende mij deze zoon en nu wil ik hem aan Hem teruggeven. Dat is eigenlijk een houding die een gelovige vandaag de dag in elk opzicht zou moeten hebben. En Hanna is een voorbeeld. Alles wat we bezitten is door de Heer aan ons geleend. Wij hebben hierom gevraagd, hij heeft ons dit geleend en wij geven dit terug. Daarom leende ik hem ook aan de Heer. Dat is in het Hebreeuws hetzelfde woord als vragen, en het is op de een of andere manier wonderbaarlijk hoe deze vrouw bereid was terug te geven wat God haar had gegeven vanwege haar gebed.
Hoe zit het met ons als het om materiële zaken gaat? Behoort het mij of behandel ik het met de gedachte, dat het eigenlijk de Heer toebehoort? Ik heb het misschien van Hem gebeden, misschien ook niet, maar ik leen het aan Hem, dat wil zeggen, stel het Hem ter beschikking, want het is toch van Hem. U hebt ons, zei ooit een gelovige in het Oude Testament: “… Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven” (1 Kron. 29:14). Is dat onze houding? Dit is de houding van Hanna, die hier echt laat zien, dat God haar dit gaf, haar verzoek hoorde en dat het een mens was, het was op de een of andere manier geen geschenk, het waren niet drie runderen, drie stieren, drie schapen, maar hij vervulde haar hartenwens om haar Samuel te geven. Ze geeft het die naam om duidelijk te maken, dat het alleen het resultaat is van Gods genade en zo wil ze op de lange termijn ook met God omgaan in deze houding van dankbaarheid.
En hoe zit het met ons? Hij die gegeven heeft, Hij die genomen heeft, lof zij de naam van de Heer (zie Job 1:21b). Zijn wij werkelijk degenen die in deze houding voor God staan en werkelijk in blijvende dankbaarheid voor Hem leven? Zo heb ik hem ook aan de Heer uitgeleend. Elke dag dat hij leeft, is hij aan de Heer uitgeleend. Het is wonderbaarlijk, dat zij laat zien dat zij vol toewijding aan de Heer is. God gaf haar de zoon, en zij geeft hem in toewijding terug aan de Heer. Dát is toewijding. Wij als vaders, als mannen, kunnen dit misschien nauwelijks echt bevatten, wat het opgeven, het afgeven, van het kind voor een moeder betekent. Het gaat zelfs nog verder. We zien in Abraham hoe hij een voorbeeld is van God de Vader in deze toewijding. We zien hier in Hanna hoe zij een voorbeeld voor ons is. Is ons eigen leven zo’n toewijding? Alles wat God ons heeft gegeven, dat we het Hem teruggeven. Dat we onszelf aan Hem geven met alles wat Hij ons heeft gegeven. Ze heeft hier zelfs een zoon, een zoon van relatief jonge leeftijd, die ze aan Hem, de Heer, geeft.
We kunnen alleen maar bewondering hebben voor deze toewijding. En hier zien we iets van het geloof, dat deze gelovigen uit het Oude Testament bezaten, een geloof dat vaak veel groter is dan wat wij aan geloof bezitten, hoewel wij veel meer bezitten. Wij hebben de volledige openbaring van Gods Woord. We kunnen terugkijken op een verlossingswerk, dat is volbracht. De Heilige Geest woont in ons. We hebben alles; we zijn in Christus geplaatst of wonen in Christus, in de hemelse gewesten. Men kan niet rijker gezegend zijn. En toch is er zo weinig eenvoudig geloof, zo weinig eenvoudige toewijding, zo weinig standvastige toewijding zoals we dat hier bij Hanna vinden.
En dan vinden we ook het gevolg van hun toewijding, het gevolg van hun daden: “… En hij boog zich daar voor de HEERE neer” (1 Sam. 1:28). Dat is natuurlijk enigszins merkwaardig. Men denkt: wie is hij? Is dat Elkana? En velen denken: oh nee, dat moet toch betekenen: en zij bogen zich daar voor de HEERE neer. En hij aanbad blijkbaar, namelijk Samuel. Samuel had natuurlijk al iets geleerd thuis, op de eenvoudige manier waarop een kind, een jongen van die leeftijd, dat kan; hebben onze kinderen iets van ons geleerd, hebben uw kinderen, als gelovige moeder, iets in uw leven geleerd, niet dat u uw gebedsleven openlijk moet etaleren? Maar onze kinderen merken wel of er ontzag voor God is. Onze kinderen merken of we gevormd worden door gebed. Onze kinderen merken of we niet alleen aan tafel bidden voor de maaltijden, maar ook tijd nemen, bijvoorbeeld in verband met het lezen van de Bijbel, om met de kinderen te bidden. Onze kinderen merken of wij mensen, vrouwen en mannen, van gebed zijn. En dat heeft een aanstekelijk effect, natuurlijk heeft dat invloed. En op Samuels leeftijd, dus wanneer kinderen nog jong zijn, heeft het een positieve, goede invloed als we ons leven op deze manier leiden.
Vervolgens lezen we in hoofdstuk 2, in de eerste elf verzen, dat Hanna een profetes wordt. Dit is een prachtige aanwijzing, ook in de zin van 1 Korinthe 11: “… en iedere vrouw die bidt of profeteert … .” Ze was een vrouw van gebed, ze was ook een profetes. We vinden beide in haar; beide komen in haar samen. En wat een prachtige profetie vinden we hier! Zij begint allereerst, dat zij God grootmaakt, dat zij in het besef van Gods grootheid, heerlijkheid en macht dit gebed uitspreekt. Hier komen profetie en gebed samen. De gehele grootheid van God, de gehele heerlijkheid van God, de gehele heiligheid van God staat voor haar.
Bent u zich daar ook van bewust, u als zuster? Met wat voor Heer, wat voor God, wat voor Heer, Jezus Christus, u te maken hebt? Hij is de Verhevene, Hij is de Zoon van God, Hij is de Zoon van de levende God. Hij staat boven alles. Niemand kan iets tegen Hem doen, tenzij Hij het toestaat. Dit was toen al zo, toen de Heer Jezus naar deze aarde kwam om te lijden en te sterven. Hij maakte het toen niet zichtbaar, behalve in bepaalde situaties waarin Hij wonderen verrichtte, waar Zijn vijanden, zoals Johannes 18 zegt, eenvoudigweg voor Hem ‘neervielen,’ omdat ze Zijn majesteit moesten erkennen en aanvaarden, ook al hebben ze dat innerlijk niet gedaan. Waar ze helemaal niets anders konden doen dan voor Hem neer te vallen. Dit is de grote Heer waarmee wij te maken hebben. Zij had Hem op een wonderbaarlijke manier ervaren, hoe Hij haar gebed had verhoord, dat blijkbaar jarenlang onbeantwoord was gebleven. Wie deze grote God, deze genadige God, heeft leren kennen, heeft ontzag voor God. Hij of zij leeft voor Hem en leidt een leven dat God eert.
Dit besef van met Wie we te maken hebben, leidt juist tot deze godsvrucht, tot deze eerbiediging van God, en vervolgens ook tot deze toewijding. Ze is zich ook van het volgende bewust: “Er niemand zo heilig als de HEERE, want er is niemand buiten U, en er is geen rotssteen als onze God. Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig, en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan; want de HEERE is een alwetend God, en Zijn daden zijn recht” (1 Sam. 2:2-3). Ze legt nu dit contrast vast tussen de boosheid van de mens, de zonde van de mens en de heiligheid, heerlijkheid en grootheid van God. Ze koestert geen illusies over de toestand van de mens. Wie een leven met God leidt, inclusief u als gelovige zuster, ziet de grootheid, de heerlijkheid, de liefde en de genade van God, en u ziet daarentegen de zondigheid van de mens. En we moeten zeggen, ook wij als gelovigen, die soms zo ver van God af staan – ja, in principe zijn we weliswaar heiligen geworden, zijn we onberispelijk in Christus – maar onze praktische toestand is vaak het tegenovergestelde.
Niet alleen dat, maar ten derde is er de opstand van de mensheid. “De boog van de sterken is gebroken, maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord” (1 Sam. 2:4). We zien precies deze opstand, waarover zij ook spreekt, deze woorden van trots. Dit zijn de leiders van de mensheid, dit waren de leiders van Israël destijds, helaas ook uit Eli’s familie. En vandaag de dag zijn er velen onder de volkeren, vele theologen, velen die zich simpelweg tegen God verzetten, die simpelweg in opstand komen, die in hun hoogmoed denken, dat ze hun leven zonder God kunnen leiden. Hanna koestert geen illusies over de toestand van de mensheid. En ik wens u toe, dat u dat ook haat, dat de u grootheid van God kent, dat u de zondigheid van de mensheid ziet, dat u de opstand ziet van de leidende figuren in deze maatschappij, in deze wereld, in de politiek. Maar dat u dan ook ziet, dat God Zich tot hen wendt die voor Hem in het stof liggen: “… maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord. Zij die verzadigd waren, hebben zich om brood verhuurd, maar zij die hongerig waren, zijn het niet meer” (1 Sam. 2:4-5a). Zij was een van degenen die Gods genade en zorg ervoeren. “Zelfs de onvruchtbare vrouw heeft er zeven gebaard, maar zij die veel kinderen had, is verkommerd” (1 Sam. 2:5b). Dit toont iets van Gods soevereiniteit, maar vooral hoe Hij zich wendt tot de armen, de onderdrukten, degenen die troost nodig hebben, degenen die in nood verkeren – hoe Hij zich tot hen wendt.
En dan vinden we op glorieuze wijze aan het eind, dat ze zelfs een Messiaanse profetie uitspreekt: “Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden; Hij zal in de hemel over hen donderen. De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde; Hij zal Zijn Koning kracht geven, en de hoorn van Zijn Gezalfde opheffen” (1 Sam. 2:10). Dit is de eerste keer, dat hier deze Gezalfde, deze Koning, genoemd wordt. Het is wonderbaarlijk dat we hier zien, dat ze oog had voor Christus. Wat betekent de Heer Jezus voor u, voor uw leven? Staat Hij werkelijk in deze heerlijkheid, in deze grootheid voor u? Bent u iemand die met de Heer leeft in gebed, die oog heeft voor de Heer, dat is deze profetie die de Heer verheerlijkt? U, als zuster, hoort niet in de openbaarheid te treden. U moet geen bediening verrichten voor menigten, voor groepen. Maar in de persoonlijke sfeer, in de verborgen sfeer, op de plek waar God u heeft geplaatst – in uw huis, in uw gezin – daar hebt u deze prachtige taak en deze zegen, die ook verbonden is met gebed en profetie, waar u kunt getuigen van de Heer Jezus. Voor ons is Hij niet onze koning, Hij is dé Koning. Maar voor ons is Hij de Heer, is Hij mijn Heer, is Hij mijn Redder. Willen we meer? Wilt u ook meer getuigen van deze glorieuze persoon?
We zien dan, dat haar zorg werkelijkheid werd in haar leven. 1 Samuel 2 vers 21 zegt: “En inderdaad zag de HEERE naar Hanna om. Zij werd zwanger en baarde drie zonen en twee dochters, en de jonge Samuel werd groot bij de HEERE.” Wat een zegen vinden we hier, die onthult, dat de HEER werkelijk naar haar heeft omgezien! Haar leven werd gezegend. En dat was het resultaat, vers 19, dat haar zorg voor haar zoon niet ophield. Ze kon nu alleen nog indirect voor hem zorgen, bij hem zijn. Ze kon voor hem blijven bidden, en dat heeft ze zeker ook gedaan. En het is inderdaad opmerkelijk, dat haar zoon, voor wie gebeden werd, die de verhoring op het gebed werd; ja, de Heer had haar gebed verhoord. Hij had precies gedaan wat zij voor hem gebeden had; door God verhoord, dat hij zo’n man van gebed zou worden, dat hij zelfs zou opgroeien in de tegenwoordigheid van de Heer. En daar zien we haar zorg in vers 19: “Zijn moeder maakte van jaar tot jaar een klein bovenkleed voor hem en bracht hem dat, wanneer zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen” (1 Sam. 2:19). Daar zien we, dat ze geleidelijk aan kleding voor hem maakte naarmate hij ouder werd. Haar zorg voor hem, zelfs toen ze niet meer direct bij hem was, hield nooit op. En dat was duidelijk te zien; hij werd een trouwe gelovige. We kunnen onze kinderen niet naar de hemel brengen. We kunnen onze kinderen niet bekeren; ze moeten zichzelf bekeren. We kunnen van onze kinderen ook geen Godvrezende mensen maken. Ze moeten zelf beslissen. En toch is het gezin van een gelovige vormend, ook voor de kinderen, zoals we hier zien, zoals we zien bij Amram en Jochebed, en bij enkele anderen.
Dat is de zorg die u kunt geven; meer kunt u niet doen. U kunt uw kind niet bekeren, u kunt het niet op een Godvruchtig pad brengen, in die zin, dat u ervoor kunt zorgen dat het zo leeft. Uiteindelijk moet dat hun eigen beslissing zijn voor de Heer. Maar u kunt wel de omstandigheden scheppen, u kunt de sfeer scheppen, vooral u als moeder, als echtgenote. U kunt de manier waarop u voor uw kind zorgt zo vormgeven, dat het oog krijgt voor de Heer en voor een leven met de Heer. Meer kunt u niet doen, maar dat kunt u doen. En dat heeft Hanna gedaan. En God heeft haar rijkelijk gezegend.
De jongen Samuel groeide op in de tegenwoordigheid van de Heer. Ons doel is niet, en zou ook niet moeten zijn, dat onze kinderen opgroeien groot in dienstbaarheid, groot in uiterlijk, maar groot in de Heer. Dat ze een leven leiden hand in hand met de Heer, dat ze waardevol zijn voor de Heer in hun omgeving. Daarvoor kunnen we de wegen openen, de deuren openen. Daarvoor kunnen we een sfeer in ons huis creëren, waarin ze zich op hun gemak voelen; zich niet alleen goed voelen bij ons, maar zich ook goed voelen in verbondenheid met een leven met de Heer. Laten we dit leren van Hanna. Hanna was werkelijk een geweldige vrouw. Een vrouw voor de Heer, een vrouw met de Heer, een vrouw vol toewijding, een voorbeeld in haar tijd en een levend voorbeeld tot op de dag van vandaag.
Manuel Seibel; © www.bibelpraxis.de
Geplaatst in: Christendom, Geloof
© Frisse Wateren, FW