Bijbelgedeelte: Daniël 5 vers 13-24
Leestijd: 8 minuten
13. Toen werd Daniël bij de koning gebracht. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Bent u die Daniël, een van de ballingen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda hierheen heeft gebracht?
14. Ik heb namelijk over u gehoord dat de geest van goden in u is, en dat in u licht, verstand en uitzonderlijke wijsheid gevonden worden.
15. Welnu, de wijzen en de bezweerders zijn bij mij gebracht om dit schrift te lezen en mij de uitleg ervan te laten weten, maar zij zijn niet in staat de uitleg van deze woorden te kennen te geven.
16. Ik echter heb over u gehoord dat u uitleggingen kunt geven en knopen kunt ontwarren. Nu, als u het schrift kunt lezen en mij de uitleg ervan laat weten, zult u gekleed worden in purper, een gouden keten om uw hals krijgen, en zult u als derde heersen in het koninkrijk.
Na de dood van Nebukadnezar verdween Daniël blijkbaar volledig van het toneel; er waren minstens 15 tot 20 jaar verstreken, want in hoofdstuk 5 bevinden we ons op de laatste avond van het eerste wereldrijk, en Daniël moet hier al een zeer oude man zijn geweest, tussen de 85 en 90 jaar oud. Het is waarschijnlijk, dat Daniël in die jaren verkeerd begrepen werd door Nebukadnezars opvolgers (verg. Ex. 1:8) en binnen twee of drie generaties volledig miskend werd. Maar God zorgt ervoor, dat deze ‘zeer gewenste man’ (Dan. 10:11), die Hem zijn hele leven trouw gediend had, geroepen wordt om de koning Zijn laatste oordeel en daarmee ook het einde van het eerste van de vier wereldrijken aan te kondigen.
Toen Daniël voor Belsazar werd gebracht, begroette de koning hem met een minachtende en vernederende aanspreking: “een van de ballingen uit Juda.” Maar daarin schuilt een prachtige en belangrijke les voor ons. In Daniël 2 vers 25 werd Daniël al met deze titel voor Nebukadnezar gebracht. De volken van deze wereld zijn afhankelijk van Gods volk als het gaat om de toekomst, de waarheid en het eeuwige leven. Alleen een man uit Gods volk kon helpen. Ook wij moeten altijd bereid zijn om verantwoording af te leggen aan iedereen die van ons rekenschap vraagt (1 Petr. 3:15). Alleen christenen kunnen de wereld een getuigenis geven van de waarheid en genade van God! Zijn we ons daar nog van bewust?
Vers 15 kan niet gelezen worden zonder vers 8. Vers 8 stelt duidelijk, dat de wijzen de Schrift niet konden lezen en deze dus niet konden interpreteren. Wanneer de koning Daniël vervolgens vertelt, dat ze de interpretatie niet konden aangeven, zou het te oppervlakkig zijn om te concluderen, dat ze de Schrift wél hadden kunnen lezen. Gods Woord spreekt zichzelf niet tegen, en hier in vers 15 vertelt de koning aan Daniël het uiteindelijke resultaat van de inspanningen van zijn wijzen.
In vers 16 belooft Belsazar Daniël de beloning die hij hem zal geven als Daniël de betekenis van het schrift kan uitleggen. We zouden ons kunnen afvragen waarom hij hem slechts de derde plaats in zijn koninkrijk belooft en niet de tweede. We moeten bedenken dat Nabonid de feitelijke koning van dit koninkrijk was na de dood van Nebukadnezar, maar Nebukadnezar had de macht overgedragen aan zijn zoon Belsazar. De eerste en tweede plaats in dit koninkrijk werden dus al respectievelijk door Nabonid en Belsazar bekleed.
17. Toen antwoordde Daniël en zei in de tegenwoordigheid van de koning: Houd uw geschenken voor uzelf, en geef uw beloningen aan een ander. Toch zal ik nu het schrift voor de koning lezen en de uitleg ervan zal ik hem laten weten.
In verhouding tot Daniël 2 is de spontaniteit van Daniëls reactie opvallend. In Daniël 2 vers 16-18 had hij de koning om tijd gevraagd om te bidden en Gods uitleg te ontvangen. Hier is hij direct bereid te antwoorden en heeft hij bovendien een helder inzicht in de betekenis van het schrift. We moeten daarbij bedenken, dat hij op dit punt de visioenen uit Daniël 7 en 8 al in gedachten had (Dan. 7:1; 8:1) en de profetische uitleg ervan kende. Hij was door God al voorbereid op dit moment. Ook wij kunnen nu, in het licht van het profetisch onderwijs, de morele toestand van de wereld om ons heen beoordelen – haar waarden, haar houdingen, de hele sfeer van deze samenleving.
Met zeer moedige woorden wees Daniël aanvankelijk de geschenken van de koning af, hoewel hij zich er ongetwijfeld van bewust was, dat hij voor de machtigste vorst van deze wereld stond. Zijn dappere woorden maken Daniël steeds meer tot een voorbeeld voor ons. Hij doet ons enigszins denken aan Abram voor de koning van Sodom in Genesis 14 vers 22-23: “… Zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.” Maar hij wist ook, dat dit koninkrijk diezelfde nacht ten einde zou komen en dat de geschenken van Belsazar niet van blijvende aard zouden zijn.
18. Wat u, o koning, betreft, de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koningschap, grootheid, eer en majesteit gegeven.
19. Vanwege de grootheid die Hij hem had gegeven, beefden en sidderden alle volken, natiën en talen voor hem. Hij doodde wie hij wilde en hij liet in leven wie hij wilde. Hij verhoogde wie hij wilde en hij vernederde wie hij wilde.
20. Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zich verhardde in hoogmoed, werd hij van zijn koninklijke troon gestoten en heeft men hem zijn eer ontnomen.
21. Hij werd uit de mensenwereld verstoten, zijn hart werd gelijk aan dat van de dieren, zijn verblijf was bij de wilde ezels, men gaf hem gras te eten, zoals aan runderen, zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat hij erkende dat God, de Allerhoogste, Heerser is over het koningschap van de mensen en daarover aanstelt wie Hij wil.
De hoofdgedachte van deze verzen is dat God werkelijk boven alles staat. Daniël maakt dit nogmaals duidelijk met het voorbeeld van Nebukadnezar. God had hem deze macht gegeven, God had hem ten val gebracht vanwege zijn zelfverheffing, en God regeert over de koninkrijken der mensen en stelt aan wie Hij wil!
We vinden hier niet langer een oproep aan Belsazar om met zijn zonden te breken, maar alleen een zeer ernstige aankondiging van het oordeel. Maar wanneer God oordeelt, geeft Hij doorgaans van tevoren de redenen waarom Hij zo handelt. Dat is de reden waarom Daniël hier niet meteen de uitleg geeft. Hij moet deze man eerst laten zien, waarom dit schrift op de muur verschenen is.
En hij begint met een beroep te doen op het geweten van Belsazar, door te spreken over wat zijn (groot)vader, Nebukadnezar, had meegemaakt toen zijn hart hoogmoedig was geworden. Hoogmoed was een kenmerk van Nebukadnezar; hij was vergeten en weigerde te erkennen, dat al zijn grootheid en absolute macht van de Allerhoogste zelf afkomstig waren. Toen werd hij verstoten en werd hij één met de dieren. Had Belsazar iets geleerd van het verhaal van zijn (groot)vader? Nee! Een ernstige waarschuwing voor ons: we zouden er goed aan doen om te leren van de geschiedenis van onze voorvaders!
Hier wordt de ongeëvenaarde macht van Nebukadnezar getoond: grootheid, eer en majesteit – eigenschappen die anders alleen aan God zelf worden toegeschreven (verg. 1 Kron. 29:11-12). God had juist deze eigenschappen, die Hemzelf kenmerken, aan Nebukadnezar geschonken. En ook, dat Nebukadnezar doodde wie Hij wilde en spaarde wie Hij wilde, wordt anders van God gezegd (verg. Deut. 32:39; 1 Sam. 2:6). En toen kwam zijn hart in opstand – en dit is de geschiedenis van satan; de hoogste engelenvorst had zichzelf evenzo verhoogd.
De Heilige Geest spreekt hier vervolgens een tweede keer over het oordeel, de diepe vernedering die over Nebukadnezar gekomen was, en besluit in vers 21 met vrijwel dezelfde woorden die Daniël gebruikte om Nebukadnezar toe te spreken (Dan. 4:25). Van de hoogste denkbare hoogte werd hij in een onvoorstelbare vernedering gestort! Het is een zeer essentiële gedachte, dat de grote God soeverein is en soeverein handelt zoals Hij wil! God staat altijd achter alles, ook vandaag de dag, wanneer we afschuwelijke bloedige daden van geweld zien, zoals zelden eerder in de menselijke geschiedenis zijn voorgekomen.
22. Wat u, Belsazar, zijn zoon, betreft, u hebt uw hart niet vernederd, hoewel u dit alles wist.
23. U hebt zich verheven tegen de Heere van de hemel, want de voorwerpen van Zijn huis heeft men bij u gebracht. En u, uw machthebbers, uw vrouwen en bijvrouwen hebben wijn eruit gedronken, en u hebt uw goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen geprezen, die niet kunnen zien en niet kunnen horen en geen kennis hebben. U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw paden toebehoren, niet verheerlijkt.
24. Daarom is door Hem het gedeelte van de hand gezonden en dit schrift geschreven.
Daniël onthult hem de ware aard van zijn slechte daad. Hij had blijk gegeven van verwijtbare onwetendheid, was arrogant en hoogmoedig; hij heeft alles geweten en had zich desondanks niet vernederd. Horen en weten alleen zijn nutteloos; ze vergroten alleen maar de verantwoordelijkheid. En omdat Belsazar zich niet dienovereenkomstig had gedragen, moest het oordeel over hem komen. We zien hier, dat God ook bij Belsazar had gewacht, dat hij zich vernederen zou. Maar hij had geen belangstelling getoond voor de Heer van de hemel en had zich integendeel zelfs boven Hem verheven. Dat is de eigenlijke goddeloze daad van Belsazar. In Daniël 11 vers 36 vinden we zeer vergelijkbare trekken bij een andere, toekomstige koning, de Antichrist, als bij Belsazar hier.
In vers 23 beschuldigt Daniël Belsazar van zijn goddeloze daad met vrijwel dezelfde woorden als in het eigenlijke bericht in vers 2 en 3. En dit terwijl hij helemaal niet aanwezig was bij het feest en niet betrokken was bij deze goddeloze daad. Hoe wist hij dit allemaal zo precies? Wie had het hem verteld? Uit hoofdstuk 6 weten we, dat hij een regelmatige omgang met zijn God had. En in de stilte voor God had hij deze duidelijkheid ontvangen over wat er in de feestzaal van de koning gebeurde. Dit is profetie, een openbaring die hij van God ontving. Als we vandaag de dag dingen helder willen zien, moeten ook wij dicht bij God ophouden! De weg naar een uitleg vereist gemeenschap met God (1 Kor. 2:14-15).
Dan volgt een zeer belangrijke uitspraak die van toepassing is op alle schepselen van God, maar vooral op alle gelovigen: “… in Wiens hand uw adem is.” Paulus doet een soortgelijke uitspraak op de Areopagus in Handelingen 17 vers 25 over de Schepper God: “… daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft.” God geeft dus drie dingen:
- Leven, het natuurlijke leven.
- Adem, dat is wat het leven in stand houdt; God geeft leven en Hij houdt het ook in stand; Hij maakt het voor ons mogelijk om te ademen. Danken wij nog ervoor, dat we kunnen ademen? Niet kunnen ademen is een verwoestende ervaring!
- Alles, dat betekent alles wat we verder nodig hebben.
Hier zien we drie mooie karaktertrekken in Daniëls wijze van spreken tot de koning. Ten eerste spreekt hij onbevreesd, stoutmoedig en zeer duidelijk; ten tweede bewaart hij een zekere afstand tot de koning in zijn woorden. Je krijgt bijna de indruk, dat hij gedwongen moest worden om überhaupt voor de koning te verschijnen (Dan. 5:12-13: hij werd geroepen; hij werd geleid). En ten derde weigert hij de geschenken; als profeet van God was hij niet omkoopbaar of beïnvloedbaar. Laten we niet vergeten, dat hij op dit punt al een oude man was – standvastig en trouw tot op hoge leeftijd!
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 22.01.2015.
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW