Bijbelgedeelte: Daniël 5 vers 1-4
Leestijd: 6 minuten
1. Koning Belsazar richtte een groot feestmaal aan voor zijn duizend machthebbers, en in tegenwoordigheid van die duizend dronk hij wijn.
2. Onder invloed van de wijn beval Belsazar dat men de gouden en zilveren voorwerpen moest halen die zijn vader Nebukadnezar had weggehaald uit de tempel in Jeruzalem, opdat de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen eruit zouden drinken.
3. Toen haalde men de gouden voorwerpen die men uit de tempel, het huis van God, in Jeruzalem had weggehaald, en de koning, zijn machthebbers, zijn vrouwen en bijvrouwen dronken eruit.
4. Zij dronken wijn en prezen hun goden van goud, zilver, koper, ijzer, hout en steen.
Belsazar was een zoon of zelfs een kleinzoon van Nebukadnezar (Jer. 27:6-7), maar niet zijn directe erfgenaam. In 2 Koningen 25 vers 27-30 wordt een zekere Evil-Merodach genoemd als koning van Babel, die slechts kort regeerde; Belsazar kwam pas na hem aan de macht. Deze hele scène in Daniël 5 speelt zich overigens af toen het Medo-Perzische Rijk al voor de poorten van Babel stond en de stad belegerde.
Wat Belsazar hier in Daniël 5 doet, is iets wat zelfs Nebukadnezar nooit deed: Belsazar had geen respect voor heilige dingen en liet in zijn goddeloosheid en onbeschaamdheid de heilige vaten van de Joden naar zich toe brengen. Blijkbaar had hij zich laten gaan na een aantal keren wijn te hebben gedronken. Wanneer wijn zijn werking heeft, breken de sluizen zeer snel open wat betreft gewoonte en moraal – en, zoals we hier zien, ook wat betreft religieuze zaken. Dan kan het heel snel leiden tot spot en hoon jegens heilige dingen (Ps. 69:13; Spr. 31:4). Het Woord zegt hier echter niet dat Belsazar dronken was; er staat alleen, dat hij van de wijn genoot, en dat is zeker gevaarlijk. Hij moet zich volledig bewust zijn geweest van wat hij deed, toen hij de heilige vaten van de tempeldienst naar zich toe liet brengen. En hij zal daar volledig voor ter verantwoording worden geroepen. Nebukadnezar had deze heilige vaten aan Goddelijk gebruik onttrokken, maar Belsazar had ze blootgesteld aan lichtzinnig misbruik.
Als we ons afvragen hoe deze voorwerpen überhaupt in Babel terecht zijn gekomen, moeten we verschillende aspecten in overweging nemen. Oppervlakkig gezien werden ze natuurlijk door Nebukadnezar uit Jeruzalem geroofd (2 Kron. 36:6-7). We mogen echter ook niet vergeten, dat het mede de schuld van Gods volk was dat deze voorwerpen in handen van hun vijanden vielen. Israëls ontrouw speelde ook een rol. En als derde antwoord vinden we in Klaagliederen 2 vers 7, dat de Heer Zijn altaar had verstoten en Zijn heiligdom tenietgedaan en de muren van hun prachtige gebouwen aan de vijand had overgegeven. Het was daarom ook een oordeel van God, dat deze voorwerpen in handen van de heidenen konden vallen.
Wat deze vaten betreft, ze waren al lang geleden ontheiligd door de koningen en priesters van het volk Israël, en toen Nebukadnezar ze meenam, hield hij ze blijkbaar bij zich gehouden en bewaard. Zijn kleinzoon Belsazar wist dit en liet ze terugbrengen. Voor God waren deze vaten nog steeds heilig; wat mensen, zelfs Zijn eigen volk, er ook mee gedaan hadden – voor Hem bleven het heilige vaten. God was in deze vaten gediend en Hij was in deze dienst verheerlijkt. God ziet het nog steeds zo! En daarom was het een absolute heiligschennis toen deze heidense vorst de ware God er praktisch mee bespotte. Belsazar betreedt als het ware de arena en denkt, dat hij het tegen een andere god kan opnemen. Maar het oordeel hierover komt snel en zonder een oproep tot bekering, in tegenstelling tot bij Nebukadnezar. God neemt de zaak ernstig op en Hij ziet de vaten als heilig – ook in tijden van verval.
De ark van het verbond behoorde zeker niet tot deze gestolen voorwerpen van het heiligdom, want die was verdwenen sinds de val van Jeruzalem en zou nooit meer terugkeren (Jer. 3:16). Het altaar en andere heiligdomsvoorwerpen zouden daar ook niet bij zijn geweest. Uit Ezra 1 vers 7-11 kunnen we opmaken, dat ze nauwgezet waren geregistreerd en bewaard. Zelfs de vijandige volken, tot aan Belsazar, schijnen er een zekere eerbied voor te hebben getoond. Maar koning Cyrus, zijn opvolger, was zich bewust van dit goed georganiseerde systeem van lijsten en registers betreffende deze voorwerpen. God had er zo zorgvuldig over gewaakt gedurende de 70 jaar ballingschap, dat deze lijsten en de voorwerpen zelf nog steeds beschikbaar waren en teruggegeven konden worden.
Nadat de koning en zijn edelen op deze volstrekt goddeloze wijze uit deze vaten hadden gedronken, prezen ze hun eigen goden, omdat die hen machtiger leken dan de levende God van het volk Israël – ook al konden ze niet zien, horen of waarnemen (Dan. 5:23; Ps. 115:4-7). Maar God laat zich niet bespotten (Gal. 6:7); juist op het moment, dat deze scène in goddeloosheid nauwelijks te overtreffen was, verschijnt de vinger van God. God waakt over deze heilige vaten en geeft Zijn eer aan niemand anders (Jes. 42:8).
Het was vergelijkbaar met de dagen van Eli, toen de ark van het verbond in handen viel van de Filistijnen, die hem naast hun god Dagon plaatsten. God had de diefstal van de ark niet voorkomen; Hij had het toegestaan als een straf voor Zijn volk Israël – maar toen de Filistijnen de ark naast hun eigen god plaatsten, greep God onmiddellijk in en maakte Hij ook duidelijk, dat Hij Zijn eer aan niemand anders geeft!
Praktische opmerkingen voor onze tijd
Als God zo nauwlettend over Zijn bezittingen waakte tot de tijd van Ezra, heeft dat dan niet ook betekenis voor ons? Zijn veel christelijke waarheden niet misbruikt door mensen die zichzelf christen noemen, ook in onze tijd? Luther schreef tijdens de Reformatie een verhandeling over de “Babylonische ballingschap van de christenheid.” Hij erkende, dat de hele christenheid in gevangenschap was gevallen bij een vijand en daar werd onderdrukt door een religieuze en politieke macht. Als gevolg daarvan zijn veel geestelijke waarheden volledig uit het bewustzijn verdwenen of misbruikt en onteerd – zoals de vaten in het heiligdom hier. Maar God heeft in Zijn genade veel hiervan aan het begin van de 19e eeuw weer aan het licht gebracht.
Maar in grote delen van het christendom, en vooral in de (twee) grote kerken, worden veel van deze waarheden nog steeds op een volstrekt verdraaide manier misbruikt (bijvoorbeeld het avondmaal, de doop). Dit laat zien, dat we teruggaan naar Babylon. Als we vandaag worden opgenomen, zal Babylon1 er weer zijn! En alles wat zich in de toekomst ontwikkelt, heeft zijn voorlopers in onze tijd. Daarom moeten we zeer waakzaam zijn, opdat we niet ook maar in de buurt komen van een situatie waarin kostbare dingen van God door een Babylonische macht worden misbruikt en vervolgens tegen God worden gebruikt.
Want ook onder ons worden kostbare waarheden misbruikt! De waarheid van de eenheid van het lichaam, die de Heer in Zijn genade zo’n 200 jaar geleden opnieuw openbaarde, is de afgelopen decennia zo belachelijk gemaakt, dat men denkt dat ze kan worden beschreven met slechts afkortingen. Honderden oudere en jongere broeders en zusters in ons midden nemen dit klakkeloos over wanneer ze spreken over samenkomen in de naam van de Heer. En toch is het niets anders dan het misbruik van de tempelvaten: gedachteloos spotten met wat in werkelijkheid wonderbaarlijke en verheven waarheden zijn! We zijn ons vaak niet bewust van de godslasterlijke dingen die we met onze woorden en gedachten doen. Er is niets heiligs meer over in de wereld, en ons gevaar is dat we door deze ontheiliging besmet raken en niet langer het onderscheid kunnen maken tussen het heilige en het onheilige.
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 17.01.2015.
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW