5 jaar geleden

De kleine man van de George Street

Hebt u zich wel eens afgevraagd wat het verspreiden van traktaten kan bewerken? Het volgende verslag van de prediker Dave Smethurst (London) geeft ons een antwoord daarop in een verbluffend getuigenis:

Het is een zeer buitengewoon verhaal waarvan ik u nu vertel. Het begon allemaal een paar jaar geleden in een Baptistengemeente in Crystal Palace in het zuiden van London. We waren al aan het eind van de zondagsdienst gekomen, toen er een man op de achterste rijen opstond, zijn hand ophief en vroeg: ‘Neemt u mij niet kwalijk, eerwaarde heer, mag ik nog een kort getuigenis geven?’ Ik keek op mijn horloge en willigde het verzoek beperkend in: ‘Ik geef u drie minuten’.

Meteen begon de man met zijn verhaal:

‘Ik ben pas geleden hier naar toe verhuisd. Daarvoor heb ik in Sydney (Australië) gewoond. Een     paar maanden geleden bezocht ik daar enige familieleden en wandelde ik over de George Street. De straat strekt zich uit van het zakengebied van Sydney tot aan de woonwijken, de zogenaamde Rocks. Een beetje vreemde, kleine man met wit haar kwam uit een winkelingang naar buiten. Hij drukte mij een traktaat in de hand en vroeg: ‘Neemt u mij niet kwalijk mijnheer, bent u gered? Komt u in de hemel als u vannacht sterft?’

Ik was verbluft over deze woorden, want nog nooit had iemand mij zoiets gevraagd. Ik dankte hem beleefd maar gedurende de lange vlucht naar London was ik daarover tamelijk verward. Ik nam daarom contact op met een vriend, die – God zij gedankt – christen is en hij leidde mij tot Christus’.

Allen applaudisseerden en begroetten hem hartelijk in hun gemeenschap, want Baptisten horen zulke getuigenissen wel graag.

Een week daarop vloog ik naar Adelaide in het zuiden van Australië. Tien dagen later, het was net in het midden van een driedaagse rij van lezingen in een plaatselijke Baptistengemeente, toen er een vrouw naar me toe kwam en mij om raad vroeg voor een psychische nood. Ik vroeg haar eerst naar haar positie tot Christus. Ze antwoordde daarop als volgt:

‘Ik ben één keer in Sydney geweest en een paar maanden geleden bezocht ik daar enige vrienden. In de George Street deed ik nog snel enige inkopen toen een zonderlinge, kleine man met wit haar uit een winkel ingang naar me toe kwam en mij een traktaat aanbood met de woorden:’Neemt u mij niet kwalijk mevrouw, bent u gered? Komt u in de hemel wanneer u vannacht sterft?’

Ik was door deze woorden heel onrustig. Weer thuis in Adelaide, waar ik wist dat er een Baptistengemeente in de buurt was, zocht ik de plaatselijke voorganger op. Na het gesprek leidde hij mij tot Christus. Dus kan ik u zeggen, dat ik nu christen ben’.

Ik was nu toch erg verbaasd. Binnen slechts twee weken en in zo ver van elkaar verwijderde plaatsen had ik hetzelfde getuigenis gehoord. Daarna vloog ik naar een verdere dienst in de Mount Pleasant Church naar Perth in het westen van Australië. Toen mijn lezingen daar waren beëindigd, nodigde de oudste van de gemeente mij uit voor het eten. Daarbij vroeg ik hem hoe hij christen was geworden. Hij legde mij uit:

‘Met 15 jaar kwam ik in deze gemeente zonder een echte betrekking tot Jezus te hebben. Ik deed  met alles wat mee zoals vele anderen dat deden. Op grond van mijn zakelijke bekwaamheden en succes groeide ook mijn invloed in de gemeente. Drie jaar geleden was ik op zakenreis in Sydney. Een enigszins onvriendelijke kleine man kwam naar me toe vanuit een winkelingang en hield een religieus geschrift voor mijn neus. Daarna confronteerde hij mij met de vraag: ‘Neemt u mij niet kwalijk mijnheer, bent u gered? Komt u in de hemel als u vannacht sterft?’

Ik probeerde hem uit te leggen dat ik een oudste was bij de Baptisten maar hij wilde helemaal niet naar mij luisteren. De hele weg naar huis van Sydney naar Perth kookte ik van woede. Hopend op zijn medegevoel vertelde ik aan mijn prediker van deze merkwaardige ontmoeting. Maar deze wilde mij niet gelijk geven. Hij had mij al jarenlang met het vermoeden onrustig gemaakt dat ik geen betrekking tot Jezus kon hebben en hij had daarmee gelijk. Zo leidde mijn prediker mij drie jaar geleden tot Jezus’.

Ik vloog weer terug naar London en spoedig daarna sprak ik op de Keswick-conferentie in het Lake District. Daar deed ik verslag van deze drie wonderlijke getuigenissen. Aan het einde van deze serie lezingen kwamen vier oudere predikers naar voren en vertelden, dat ook zij, intussen 25 tot 30 jaar geleden, door dezelfde vraag bij het overhandigen van het geschriftje op de George Street gered werden.

De daarop volgende week vloog ik naar een ongeveer zo’n zelfde conferentie zoals in Keswick en sprak voor zendelingen in het Caribische gebied. Ook daar vertelde ik dezelfde getuigenissen. Aan het einde van mijn lezing kwamen drie zendelingen naar voren en verklaarden dat ook zij 15 tot 25 jaar geleden door dat getuigenis en precies door dezelfde vraag door die kleine man op de George Street werden gered.

Mijn volgende reis voor lezingen leidde mij naar Atlanta, Georgia (U.S.A.). Daar moest ik op een vergadering van scheepskapelaans spreken. Drie dagen lang sprak ik voor 1000 scheepskapelaans. Daarna nodigde de hoofdkapelaan mij uit voor het eten. Bij die gelegenheid vroeg ik hem hoe hij een christen was geworden.

‘Het was als een wonder. Ik was matroos op een oorlogsschip en leidde een verwerpelijk leven. Wij leidden een vlootoefening in de Stille Oceaan en vernieuwde in de haven van Sydney onze voorraden. We lieten ons helemaal gaan. Ik was totaal dronken, stapte in een verkeerde bus en kwam uiteindelijk op de George Street terecht. Bij het uitstappen dacht ik een spook te zien, toen daar een man voor me opdook, mij een traktaat in de hand drukte en zei: ‘Zeeman, ben je gered? Kom je in de hemel als je vannacht sterft?’

De vrees voor God greep mij onmiddellijk aan. Ik was meteen nuchter, rende terug naar het schip en zocht de kapelaan op. Hij leidde mij tot Christus. Spoedig begon ik onder zijn leiding mij voor de dienst voor te bereiden. Nu heb ik de verantwoording voor 1000 vlootpredikers, die vandaag de dag zielen proberen te winnen’.

Zes maanden later vloog ik naar een conferentie waar 5000 Indiase zendelingen in een afgelegen deel van noordoost India zich bevonden. Aan het einde nodigde de zendingsleider mij uit voor een eenvoudige maaltijd in zijn kleine, bescheiden huis. Ook hem vroeg ik, hoe hij dan als Hindoe christen was geworden.

‘Ik groeide in een zeer bevoorrechte maatschappij op. Als lid van een diplomatiek korps van India reisde ik over de hele wereld. Maar nu ben ik erg blij over de vergeving en daarover dat mijn zonden door het bloed van Christus werden afgewassen. Ik moest me erg schamen wanneer men zou ervaren, wat ik allemaal voor verkeerde dingen gedaan heb. Enige tijd bracht mijn diplomatieke dienst mij in Sydney. Ik deed nog een paar boodschappen en had veel speelgoed en kleding voor mijn kinderen gekocht. Ik liep juist op de George Street toen er een hoffelijke, kleine man met wit haar op me afkwam, mij een traktaat aanbood en mij een persoonlijke vraag stelde: ‘Neemt u mij niet kwalijk mijnheer, bent u gered? Komt u in de hemel wanneer u vannacht sterft?’ Ik dankte hem zeer, maar deze zaak liet me niet met rust. Terug in de plaats waar ik woonde, zocht ik een Hindoe priester op. Hij kon mij niet helpen maar hij gaf mij de voor hem fatale raad om naar een zendeling te gaan in het zendingshuis aan het einde van de straat om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Dat was mijn  geluk. Want op die dag leidde de zendeling mij tot Christus. Ik gaf het hindoeïsme meteen op en begon mij voor de dienst als zendeling voor te bereiden. Ik verliet de diplomatieke dienst en ben vandaag nog steeds door Gods genade verantwoordelijk voor al deze zendelingen, die samen al 100.000 mensen tot Christus hebben geleid’.

Acht maanden later predikte ik in Sydney. Ik informeerde bij de plaatselijke prediker van de Baptisten of hij wel een kleine, oude man kende met wit haar, die traktaten op de George Street verspreid. Hij beaamde dat: ‘Ja, ik ken hem, zijn naam is Mr. Jenner, maar ik geloof niet, dat hij nog steeds deze dienst doet want hij is al tamelijk oud en gebrekkig’. Twee dagen later gingen wij op weg naar zijn kleine woning. We klopten bij hem op de deur en een kleine, gebrekkige, oude man begroette ons. Hij vroeg ons om plaats te nemen en maakte thee voor ons. Hij was al zo gebrekkig en zijn handen trilden zodanig dat hij steeds de thee morste op de schoteltjes. Ik vertelde hem van al de getuigenissen van de afgelopen drie jaren. Bij de oude man rolden de tranen over de wangen. Toen vertelde hij zijn eigen geschiedenis:

‘Ik was matroos op een Australisch oorlogsschip. Ik leidde een verwerpelijk leven. In een crisis kwam het tot een instorting. Eén van mijn collega’s met wie ik verkeerde dingen gedaan had, liet me niet alleen en hielp me weer op de been. Hij leidde mij tot Jezus, en mijn leven veranderde totaal van de ene op de andere dag. Ik was God zo dankbaar dat ik Hem beloofde om elke dag minstens tien mensen een eenvoudig getuigenis van Jezus te geven. Toen God mij weer kracht gaf, begon ik daarmee. Soms was ik ziek en kon de dienst niet doen, maar haalde al mijn achterstand in, wanneer het met mij weer goed ging. Na mijn pensionering was dan mijn vaste stek op de George Street, waar ik elke dag honderden mensen ontmoette. Ik maakte daar veel afwijzingen mee, maar er waren ook veel mensen, die mijn traktaten beleefd aannamen. In de veertig jaar, sinds ik dit doe, heb ik tot op de dag van vandaag van geen enkel mens gehoord, die daardoor tot Jezus zou zijn gekomen’.

We zien hier wat werkelijke toewijding is: 40 jaar dankbaarheid en liefde tot de Heer Jezus te tonen zonder ooit iets van resultaat te horen. Deze eenvoudige, kleine man zonder bijzondere gaven heeft zijn getuigenis aan 150.000 mensen gegeven. Ik denk, wat God de prediker uit London getoond heeft, was slechts het topje van de ijsberg.

Alleen God weet, hoeveel mensen nog voor Christus gewonnen werden. Mr. Jenner, die een reusachtig werk op de zendingsvelden heeft volbracht, is twee weken na dit bezoek heengegaan. Kunt u zich het loon voorstellen, dat hij in de hemel zal ontvangen? Ik betwijfel of zijn gezicht ooit in een christelijk tijdschrift is verschenen. Ik betwijfel ook, dat ooit zijn foto met tekst in het tijdschrift ‘Beslissing’ opduikt, die van ‘Geschenken van de hoop (uit de Duitstalige tak van ‘Billy Graham evangelie genootschap’ ontstaan) uitgegeven wordt. Niemand behalve een kleine groep van Baptisten in Sydney kende Mr. Jenner, maar ik zeg u, in de hemel is zijn naam erg bekend. De hemel kent Mr. Jenner en u kunt zich het welkom en het rode tapijt en de fanfares voor zijn ontvangst voorstellen toen hij heenging in de heerlijkheid.

Uit: ‘Schatzsucher’ van Werner Gitt

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol