11 jaar geleden

De Heere Jezus in het Mattheüs-evangelie (4)

Les 4

“Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rijst geven” (Mattheüs 11:28).

 

Beste cursist,

In de laatste regels van de vorige les stond dat de we de moeilijke verzen Mattheüs 9:32-34 en Mattheüs 12:22-37 apart zouden behandelen. Dat willen we met Gods hulp in deze les doen. Het is dit keer dan ook geen les, waarin je per dag één of twee vragen doet; het is een les om in één keer te doen. Neem er maar even de tijd voor.
Deze gedeelten zijn vaak gebruikt door de duivel, om gelovigen aan het twijfelen te brengen. “Heb ik gezondigd tegen de Heilige Geest? Kan mijn zonde nu niet meer vergeven worden?” Er zijn meer van zulke teksten. Bijvoorbeeld Hebreeën 10:26-31: “Heb ik moedwillig gezondigd, en is er nu geen slachtoffer meer voor mijn zonde (geen vergeving)?”; 1 Korinthe 6:18-20: “Heb ik tegen (in) mijn lichaam gezondigd? Mijn lichaam is toch een tempel van de Heilige Geest? Heb ik dan tegen de Heilige Geest gezondigd?”; 1 Johannes 5:16: “Er is toch zonde tot de dood? Heb ik die begaan?” Numeri 15:30: “Wat ik daar en daar deed (of dacht), was dat geen zonde met opgeheven hand? Is daar wel vergeving voor?”
Zo zijn er nog meer te noemen. Herkent u ze uit uw eigen leven? Moge God deze les gebruiken om u /jou te helpen. Misschien hebt u er niet mee te maken gehad. Moge God deze les dan gebruiken om u te bewaren, of misschien om een ander te helpen. Nu kunnen we deze vragen in een bijbelcursus niet allemaal helemaal uitwerken. We kunnen wel houvast vinden en antwoord vinden in Gods Woord. Lees om te beginnen de tekst bovenaan door (11:28). Wij beloven u dat de Heere Jezus deze belofte bij iedereen waar maakt!

Vooraf: Wilt u/jij wel aangeven op grond van welke bijbelteksten u de antwoorden op de vragen hebt gevonden? Het is immers van groot belang voor ons dat we ons laten leiden door het Woord van God!

Vraag 1:

Toen de mens in het paradijs nog onschuldig was, waarschuwde God zeer ernstig voor de zonde. Wat zegt God daar?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 2:

Wat is het loon van de zonde?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 3:

Wat komt voor ieder onbekeerd mens (Hebreeën 9:27)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 4:

Wat is het antwoord van God op de zonde (Romeinen 6:23)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 5:

Wat heeft God gedaan om de zonde te overwinnen (Johannes 3:16)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 6:

Wat gebeurt er als wij onze knieën buigen voor God, vanwege onze zonden (1 Johannes 1:9)?

De les van vraag 1-3: Het zijn geen bijzondere zonden, waarom we geoordeeld moeten worden! Nee, elke zonde is een onoplosbaar probleem voor ons!
De les van vraag 4-6: Niet wij, maar God geeft de oplossing! Hij wil niet dat iemand verloren gaat! (lees 1 Timotheüs 2:3-4 en 2 Petrus 3:9).
Dan zult u misschien zeggen: “Ja, maar het probleem van die moeilijke verzen is nu juist dat daar géén vergeving voor is. Romeinen 6:23 ken ik maar al te goed, en Johannes 3:16 ook, maar als je gezondigd hebt zoals in die verzen staat, dan geldt dat niet voor mij”. Dat is niet waar. Gods Woord zou niet waar zijn als u gelijk had. In Johannes 3:16 staat: “een ieder” en in 1 Johannes 1:9 staat: “elke ongerechtigheid”.

Is er dan tegenstrijdigheid in het Woord van God? Nee! Onmogelijk. Het ligt dus aan ons. Aan hoe wij denken. In de eerste plaats: Nergens staat de uitdrukking ”de zonde tegen de Heilige Geest” (elke zonde is een zonde tegen de Heilige Geest).

Vraag 7:

Lees: Mattheüs 12:31; Markus 3:29; Lukas 12:10.

Wat staat er wel (niet zonde, maar ………………..)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Laster” is: willens en wetens een leugen over een persoon spreken die je kent. De Heilige Geest was bekend toen de Heere Jezus op aarde wandelde. De Heere Jezus deed zijn wonderen. en tekenen volmaakt en volledig in de kracht van de Heilige Geest. De gehele volheid van de Godheid woonde in de Heere Jezus (Kolosse 1:19). De Farizeeën en schriftgeleerden hadden overtuigend bewijs gezien van de Godheid van de Heere Jezus. Ze wisten wie Hij was. En tóch wilden ze Hem niet. En toen gingen ze zo’n verschrikkelijke leugen spreken (Mattheüs 9:32-34). Dat, en dat alleen was lastering tegen de Heilige Geest.

Nu komt er iets heel belangrijks! Kunt u zich voorstellen dat een mens onder tranen om vergeving bidt, met oprecht berouw, en dat God dan niet wil vergeven? Zolang we dit denken, hebben we nog niet goed begrepen hoe groot de liefde van God is (lees anders nog maar eens Johannes 3:16, 1 Timotheüs 2:3-4 en 2 Petrus 3:9). Weet u wel dat de Bijbel als het om het probleem van de zonden gaat niet over vergeving spreekt, maar over verzoening met God, over verlossing uit de macht van satan, over redding van het oordeel, over reiniging van ongerechtigheid. Vergeving gaat altijd over de mens op aarde.

Vraag 8:

Lees: Exodus 8:15; 8:19; 8:32 en 9:7. Wat lezen over het hart van Farao, en wie doet hier iets met zijn hart?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 9:

Lees: Exodus 9:12; 9:35; 10:20. Wie doet hier iets met het hart van Farao?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 10:

Wat gebeurt dus eerst, en wat gebeurt daarna?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 11:

Wat lezen we over bekering in Romeinen 2:4?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 12:

Wat lezen we over “tot geloof komen” in Johannes 3:27?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 13:

Wat lezen we over “tot de Heere Jezus komen” in Johannes 6:44a en Johannes 6:65?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 14:

Wat gebeurt als we tot de Heere Jezus zijn gekomen (Johannes 6:37)?

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

……………………………………………………………………………………………………………………….

De les van vraag 8-10. Als een mens zich persé niet wil bekeren, komt er een moment dat hij zich niet meer kan bekeren. Zo iemand maakt zich echt niet druk over bekering en vergeving. Integendeel!

De les van vraag 11-14. Als een mens oprechte zielennood heeft over zijn zonden, is dat het beste bewijs dat God aan zijn hart werkt. De mens zou die nood van zichzelf uit niet eens hebben! Hij bekeert zich helemaal niet vrijwillig. Daar moet God een moeizaam werk uitvoeren! Zo is het ook met geloven in de Heere Jezus. Dat is niet het werk van de mens, dit is het werk van God! De mens beantwoordt dit werk. Hetzij met een “ja, ik geloof, hetzij met een “nee, ik wil niet dat deze koning over mij is”. De tekst “… zal niet vergeven worden …” betekent dan ook heel eenvoudig dat een mens zich persé niet wilde bekeren, en dat er een moment is gekomen dat God niet meer in genade werkt aan zijn bekering. Precies zo moeten ook die andere moeilijke teksten, zoals Hebreeën 10:26-31, worden uitgelegd. Oprechte zielennood is dus het beste bewijs, dat er geen sprake is van onvergeeflijke zonden.

Intussen hebben we ook gezien dit 1 Korinthe 6:18-20 niets met onvergeeflijke zonde te maken heeft. Wel heel ernstig, maar niet onvergeeflijk. Ook “Zonde tot de doodˆ is een heel andere zaak. Dit is wat gebeurde in Handelingen 5.

Vraag 15:

In welke Bijbelverzen staat de eerste zonde buiten het paradijs beschreven?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Wat was de straf?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 16:

In welk bijbelhoofdstuk staat de eerste zonde in het beloofde land beschreven?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Wie beging die zonde?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Wat was de straf?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 17:

Wie was de eerste koning van Israël?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Waar staat zijn eerste zonde als koning beschreven?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Wat was de straf?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Vraag 18:

Toen de gemeente was gevestigd op aarde (= uitstorting van de Heilige Geest), werd er helaas spoedig daarna voor het eerst gezondigd. Door wie?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Waar staat dat?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Wat was de straf?

……………………………………………………………………………………………………………………….

Er zijn meer van zulke voorbeelden. God bestraft zeer streng, elke eerste keer als in een nieuwe tijd een zonde voor het eerst wordt bedreven. Dat heeft niet eens met verloren gaan voor de eeuwigheid te maken. Dat doet Hij, opdat wij goed leren hoe heilig Hij is, en opdat wij leren ons voor de zonde dood te houden.

Met een hartelijke groet en zo de Heere wil tot de volgende les.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol