5 maanden geleden

De Heer draagt, neemt op en redt

Jesaja 46 laat zien, dat de grootheid en heerlijkheid van de HEER niet gelijkgesteld kunnen worden met afgoden: Hij blijft voor altijd Dezelfde en is in staat om de Zijnen te dragen, op te nemen en te redden. Naast de heerlijkheden van God die in hoofdstuk 46 worden genoemd, introduceert Jesaja 47 drie namen van God die Zijn betrekking met Zijn volk kenmerken.

Jesaja 46 vers 1-5:

  1. Bel is gekromd, Nebo neergebogen, hun afgodsbeelden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide dieren.
  2. Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd. Ze hebben de last niet kunnen redden, maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.
  3. Luister naar Mij, huis van Jakob, en heel het overblijfsel van het huis van Israël, u, die door Mij gedragen bent vanaf de moederschoot, gedragen vanaf de baarmoeder.
  4. Tot uw ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot uw grijsheid toe zal Ík u dragen; Ík heb het gedaan en Ík zal u opnemen, Ík zal dragen en redden.
  5. Met wie wilt u Mij vergelijken en met wie op één lijn stellen? Met wie wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?

Jesaja 47 vers 4:

“Onze Verlosser, HEERE van de legermachten is Zijn Naam, de Heilige van Israël.”

De Heer draagt, neemt op en redt ons. Voordat Hij tot dit troostrijke thema komt, moet Hij echter onze ogen voor één beslissend feit openen: afgoden moeten gedragen worden door hun aanbidders, terwijl de ware en levende God degenen draagt ​​die zich aan Hem toevertrouwen. De Babyloniërs waren trots op hun goden Bel en Nebo, die ze plechtig als symbolen ronddroegen – tot de dag dat hun rijk instortte en hun afgoden werden vernietigd. We kennen hun goden van de namen van de koningen Nebukadnezar en Belsazar. Deze Babylonische koningen droegen de namen van de goden van de schrijfkunst en wijsheid, evenals van de opperste afgod van de hemel.

  • Nebukadnezar beroemde zich op zijn grootheid met de woorden: “Is dat niet het grote Babel, dat ik als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?” Het woord was nog in zijn mond toen hem het koningschap werd afgenomen, hij verloor zijn verstand en werd verstoten door de mensen (Dan. 4:25-30)!
  • Belsazar vierde uitbundig dat feest, waarbij men wijn uit de vaten dronk die Nebukadnezar uit de tempel van God in Jeruzalem weggenomen had, en men hun goden prezen van goud en zilver, van koper, ijzer, hout en steen. Hij werd die nacht vermoord (Dan. 5).

Evenzo hebben mensen die niet in God geloven hun goden, waarin ze roemen: filosofieën, ideologieën, afgoden, evenals rijkdom, macht en eer. Ze zijn er trots op, schatten het hoog, dragen het rond en verbreiden het. Maar dit werkt alleen zolang totdat mensen met hun “goden” door ziekte, zwakheid, economische ineenstorting of dood op de proef gesteld worden. Als de mens zijn kijk op het leven niet meer zelf dragen kan, kan het hem dan dragen?

1) Zelf dragen of gedragen worden?

Dat is de beslissende vraag. Israël heeft wonderbaarlijk ervaren, hoe zijn God het gedragen heeft. Hij leidde Zijn volk door de woestijn, voedde mensen 40 jaar lang elke dag met manna en gaf hun water om te drinken. Als Hij dat niet had gedaan, zouden ze binnen een week zijn gestorven.

Nu leren we in de profeet Amos, dat ze hun sterrenbeelden als afgoden door de woestijn ronddroegen (Amos 5:26). Waarom hebben ze dat gedaan? Was de zorg van God niet genoeg voor hen? Ook later, toen ze lange tijd in hun land waren, riep Elia tegen hen: “Hoe lang hinkt u nog op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem!” (1 Kon. 18:21). Er is een persoonlijke beslissing nodig over wie wij willen volgen en dienen. Het volk van Thessalonika had zich “bekeerd van afgoden tot God om de levende en waarachtige God te dienen” (1 Thess. 1:9).

De vermaning aan de Israëlieten om hun God niet te vergeten, geldt ook voor ons als verlosten: “Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, … en dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van mijn hand heeft dit vermogen voor mij verworven! Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven” (Deut. 8:11; 17:18). We kunnen onze God echt uit het oog verliezen en ons leven weer in eigen handen nemen.

Wilt u werkelijk uzelf dragen, of u volledig toevertrouwen aan Hem, Die u door alle situaties heen dragen kan?

2) Dragen, opnemen en redden

Israël werd door God gedragen in de dagen van zijn jeugd: “… in de woestijn, waar u gezien hebt dat de HEERE, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op heel de weg die u gegaan bent, totdat u op deze plaats gekomen bent” (Deut. 1:31). Het is voor ieder afzonderlijk waar, dat hij vanaf de baarmoeder gedragen wordt. Voor een klein kind is dit vanzelfsprekend. Maar als we ouder zijn geworden, moeten we het opnieuw aannemen en leren, door God geleid en gedragen te worden.

De ervaring, dat Hij ons gedragen heeft, versterkt ons vertrouwen, dat Hij ons ook in de toekomst opheffen zal. Dit opheffen doet denken aan het beeld, dat Mozes gebruikte in zijn zegen voor Benjamin: De Heer heft hem op Zijn schouders en draagt ​​hem. Zijn geliefde rust daar en is veilig (Deut. 33:12) [1]. Als een vader zijn kind op zijn schouders tilt, is deze veilig voor gevaren. Er zijn obstakels in de weg van geloof die God niet wegneemt. Maar Hij heft ons erboven uit.

Tenslotte belooft God: Ik zal redden. In Egypte waren de Israëlieten in handen van de vijand, die hen onderdrukte met zware slavenarbeid. Toen bevrijdde de Heer hen uit hun slavernij. Tijdens de woestijnreis redde God hen uit de hand van de Amalekieten, die vooral de zwakken onder het volk aanvielen. Nadat ze het land in bezit hadden genomen, redde de Heer hen vaak van hun vijanden (Ps. 106:43). Daarom konden ze voor de toekomst op Zijn woord vertrouwen. Hij zou hen redden en niet aarzelen met Zijn redding.

God heeft ook ons van de wereld gered. Hij heeft ons uit de tegenwoordige boze eeuw getrokken (Gal. 1:4). De wereld is voor ons gelovigen geenszins ongevaarlijk. Als we met haar omgaan, zullen we haar slavernij opnieuw ervaren. Maar onze God en Vader kan ons voor hun slechte invloed bewaren (Joh. 17:15).

3) Met wie wilt u Mij vergelijken?

God, Die ons draagt, opneemt en redt, vraagt ​​ons: met wie wilt u Mij vergelijken? Zijn hulp ervaren we niet alleen door dat, wat Hij doet, maar ook door dat, wat Hijzelf voor ons wil zijn. Daarom stelt Hij ons vijf van Zijn heerlijkheden voor:

  • “Ik ben Dezelfde” (Jes. 46:4; 48:12). God is de Onveranderlijke, Die in zichzelf bestaat. Hij hoeft dus niet gedragen te worden zoals de afgoden, tot wie de mensen roepen, maar die hen evenwel niet uit hun nood kunnen redden.
  • “Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af, dat Ik God ben en niemand anders. Ik ben God, en er is er geen als Ik, Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben; Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jes. 46:9,10). Hij is de eeuwige God Die zonder aanvang is – geen uitvinding van mensen. Hij staat achter het wereldgebeuren en zal Zijn raadsbesluit en Zijn welgevallen uitvoeren.
  • “Onze Verlosser, HEERE van de legermachten is Zijn Naam, de Heilige van Israël!” (Jes. 47:4). Hij is onze Verlosser van zonde, oordeel en dood. Satan daarentegen is vanaf het begin een mensenmoordenaar. Hoe ouder we worden, hoe waardevoller deze titel ons wordt: de Verlosser. De kwestie van onze zonden is opgelost. De Heer Jezus droeg het rechtvaardige oordeel van God voor ons. De dood heeft voor ons zijn angst verloren, omdat het voor ons de poort tot de heerlijkheid geworden is.
  • “HEERE van de legermachten is Zijn Naam.” Hoe groot en machtig is God! Juist in verband met Zijn aardse volk draagt Hij de verheven naam “HEERE van de legermachten”. Hij schaamt zich niet voor het volk van Israël. Voor gelovigen die gescheiden leven van de wereld en die de hemelse roeping verwerkelijken, wordt gezegd dat Hij zich niet schaamt om hun God genoemd te worden (Hebr. 11:14-16).
  • “De Heilige van Israël.” Begrijpen wij, dat Gods heiligheid van ons vereist, dat we uitsluitend op Hem vertrouwen? Alleen op deze weg kunnen wij ervaren, hoe Hij ons draagt, opneemt en redt.
NOOT VERTALER:
1. Broeder C.H. Mackintosh schrijft hierover: <<Wat een heerlijke plaats voor Benjamin, en voor elk geliefd kind van God. Een dierbare gedachte om veilig te wonen in de tegenwoordigheid van God, in het bewustzijn dat we vlak bij de ware en trouwe Herder en Opziener van onze zielen zijn, dag en nacht te mogen vertoeven onder de schaduw van Zijn vleugelen. We moeten ernaar streven steeds meer de werkelijkheid en de heerlijkheid te kennen van Benjamins plaats en deel. We mogen met niets minder tevreden zijn dan het genot van de aanwezigheid van Christus, het blijvend besef van de betrekking waarin we tot Hem staan en van Zijn nabijheid. Laat u door niets van dit heerlijke voorrecht ontroven. Als u dicht bij de Herder blijft, en rust in Zijn liefde, doet Hij u nederliggen in grazige weiden en aan stille waterbeken>> {Aantekeningen op Deuteronomium; bladz. 33,34}.

 

Markus Furrer; ©www.haltefest.ch

Jaargang: 2019 – Nummer: 2 – Bladzijde: 11

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW