1 jaar geleden

De gemeente van God (2+3)

Vervolg deel I.

(I) De gemeente (kerk) naar de gedachten van God

Haar betekenis en waarde

We kunnen zeker onze gedachten niet genoeg daarop richten, wat het Woord ons vertelt over de waarde die de gemeente voor Christus en God heeft.

Christus noemt hen “Mijn gemeente” (Matth. 16:18). Het is duidelijk de arrogantie van de mensen, wanneer ze zelf hun eigen gemeente willen bouwen. Het is de gemeente van Christus. Hij bouwt haar, Hij heeft recht op haar, zij behoort Hem toe. De bekende passage uit Efeze 5 vers 25 rechtvaardigt Zijn rechten, als gevolg van Zijn liefde. Deze tekstplaats vertelt ons voor welke prijs hij haar heeft verworven: “… evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven”. De koopman in de gelijkenis (Matth. 13:45,46) verkocht alles wat hij had om de parel van grote waarde te verwerven. Christus heeft nog veel meer betaald: Hij heeft Zijn leven voor de gemeente overgegeven.

In het Woord van God vinden we het begrip “gemeente van Christus” minder dan “gemeente van God”. Dit verhoogt zelfs, als dat mogelijk zou zijn, het standpunt die haar de goddelijke gedachten en genegenheden toewijzen; want “het hoofd van Christus is God” (1 Kor. 11:3). Paulus spoorde de oudsten van Efeze aan “de gemeente van God te hoeden”, en voegde eraan toe “die Hij Zich verworven heeft door het bloed van Zijn eigen [Zoon]” (Hand. 20:28).

Dat toch ieder van ons de betekenis van deze woorden overwege! De vraag van de gemeente wordt niet aan ons eigen oordeel overgelaten; het is geen vraag van ondergeschikt belang. We hebben gezien hoe hoog de gemeente door Christus, door God, wordt gewaardeerd. Moeten we dan niet ons met alle ijver daarover laten onderwijzen, wat zij is; over de wijze, hoe we ons met het oog op haar gedragen moeten; over de plaats die het Woord haar hier beneden toewijst: over haar hoop en haar toekomst? Mogen mensen haar naar eigen goeddunken gestalte geven?

Het is ernstig om “de gemeente van God te verachten” (1 Kor. 11:22; verg. Openb. 3:9). Elke lichtvaardigheid of onverschilligheid hierover zou bewijzen, dat voor ons dat, wat God liefheeft en wat Christus liefheeft, niet belangrijk is. Moet het bloed van de Zoon van God, het offer van Christus en de liefde van Christus ons niet innerlijk beroeren? Of kunnen we in egoïstische zin tevreden zijn met de zekerheid, dat we gered zijn, zonder dat datgene, wat onze Heiland zeer ter harte gaat, waarde voor ons heeft?

De raadsbesluiten van God

We mogen het belang van een dergelijk onderwerp niet onderschatten. Men kan geen nauwkeurig beeld vormen over wat de gemeente betekent, wanneer men geen acht slaat op wat de Heilige Schrift over het raadsbesluit van God met betrekking tot de gemeente tot Zijn verheerlijking openbaart. Van eeuwigheid af is de gemeente bestemd om deel te hebben aan de heerlijkheid van Christus als de Zoon des mensen. Hij is de Zoon van God die mens werd om voor ons te sterven, en, nadat Hij uit de dood is opgestaan, zit Hij nu in de hemel aan de rechterhand van God. Hij is aan de gemeente gegeven om “hoofd over alle dingen” te zijn; en opdat zij met Hem verbonden zou zijn: “die Zijn lichaam is, de volheid van Hem die alles in allen vervult” (Ef. 1:22,23). Adam was niet compleet zonder Eva, de verheerlijkte Opgestane zal het niet zijn zonder de gemeente.

Haar bijzondere plaats

De gemeente wordt hier beneden een zeer bijzondere plaats toegewezen. De gelovige is niet van de wereld (Joh. 17:14); zij, de gemeente, ook niet. Deze afgezonderde positie wordt in Handelingen 2 vers 47 en 5 vers 14 tegenover Jeruzalem duidelijk tot uitdrukking gebracht; vervolgens in hoofdstuk 18 vers 7-8 en 19 vers 9 tegenover de Joden in het algemeen; en wat de afzondering van de heidenen betreft, spreekt dat voor zichzelf (Gal. 1:4; 1 Kor. 12:2 etc.). In 1 Korinthe 10 vers 32 vinden we afzondering zo duidelijk als mogelijk is weergegeven: “Weest geen struikelblok voor Joden en voor Grieken en voor de gemeente van God”. De Joden waren het aardse volk van God en stonden op het punt verworpen te worden; de Grieken stelden de overige mensen voor; de “gemeente van God” daarentegen wordt gevormd uit hen, die noch Joden noch Grieken zijn, maar “één in Christus Jezus” (Gal. 3:28).

Waaruit bestaat de gemeente?

De gemeente wordt gevormd uit mensen, die het nieuwe leven in Christus, het leven uit God, bezitten en dat uit deze alleen. “Immers, wij zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven” (1 Kor. 12:13). Onder de “wij” worden blijkbaar, met de apostel zelf, degenen verstaan aan wie zijn brief is gericht, te weten “de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen” (1 Kor. 1:2). Ze behoren tot Christus, Hij is hun Heer en de onze. Hij heeft hen gekocht door Zijn bloed voor God en Zijn Geest woont in hen. Zij zijn van “Christus” (Gal. 3:29). Ze zijn allen in dezelfde eigenschap, namelijk als kinderen, voor God aangenomen. Hun positie voor God is zelfs dat van Christus; hoe zou God ook iemand buiten Christus kunnen aannemen?

Alle gelovigen sinds de uitstorting van de Heilige Geest maken voor altijd de gemeente uit; haar positie in dit opzicht is zo zeker als hun redding. Maar als ongelovigen de christelijke kerk aanvaarden, of als een “kerk”, die zichzelf christelijk noemt, blijkbaar ongelovigen als leden opneemt, dan ligt daarin een zeer grote verantwoordelijkheid. Want niet gewoonten of uiterlijke vormen, zoals de doop, redden, maar alleen het persoonlijk geloof in de Heer Jezus Christus. Op dit geloof drukt de Heilige Geest Zijn zegel en maakt hen kenbaar.

De gemeente is samengesteld uit alle gelovigen. Zo omvat zij alle gelovigen sinds de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag tot de komst van de Heer. Dit complete geheel zal Christus als gemeente voor Zich stellen, heerlijk zonder vlek of rimpel of iets dergelijks (Ef. 5:27). Maar tot op dat ogenblik verwijst de leer van het Woord naar de gemeente op aarde, die uit de hier beneden levende christenen bestaat, met wie Christus zich bezighoudt. (Lees vers 26). De gemeente, zo beschouwd, omvat uiteraard de alle tegelijk levende gelovigen op aarde. Ze kennen elkaar niet allemaal, maar God kent al Zijn kinderen. Ze zijn allen met hetzelfde recht leden van het lichaam van Christus. Haar eenheid is gebaseerd op het feit dat ze allen hetzelfde leven hebben, het leven van de opgestane Christus.

De eenheid vanuit verschillende gezichtspunten

Het Nieuwe Testament gebruikt verschillende beelden om ons de gemeente voor ogen te stellen; ze stellen alle de eenheid van de “wedergeborenen” voor, maar vanuit verschillende gezichtspunten.

a) De bruid, één met de bruidegom, uit Hem geschapen, zoals Eva uit Adam, “been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees” (Gen. 2:23) is het onderwerp van Zijn tedere genegenheid. Er is geen intiemere, meer liefderijke relatie. Het aardse echtpaar presenteert daarvan slechts een bleek beeld; man en vrouw horen ook alleen op aarde bij elkaar. De gemeente is de hemelse bruid van Christus, en zal de vrouw van het Lam voor eeuwig zijn, zoals het laatste hoofdstuk van Openbaring het zo aanschouwelijk schildert. De huidige zorg van Christus voor de gemeente is die van de bruidegom, die wacht op het moment om Zijn bruid naar huis te halen. Met heilige liefde voor haar wacht Hij op haar antwoord: “Kom!” en “Amen, kom, Heer Jezus!” (Openb. 22:12,17,20).

b) De mannen worden aangespoord om hun vrouwen lief te hebben omdat zij “hun eigen lichamen” zijn (Ef. 5:28,29), zoals de gemeente het lichaam van Christus is. Deze uitdrukking, die zo aangrijpend wordt toegepast in Efeze 1 vers 23 en Efeze 4 vers 12, vervolgens in de verzen 25-32 van hoofdstuk 5, is ook te vinden in 1 Korinthe 12 vers 12 en 26. Eveneens, zij het in een iets andere betekenis, in Romeinen 12 vers 5. Deze uitdrukking, het lichaam van Christus, is een onderscheidend kenmerk van de leer van de apostel Paulus, die geroepen werd om deze belangrijke waarheid aan het licht te brengen. Niets kan de kracht van dit woord evenaren: het lichaam van Christus. Het is meer dan een relatie, hoe intiem deze ook mag zijn; want het is een levende eenheid, door de Heilige Geest bewerkt, die het Hoofd en het lichaam met elkaar verbindt. “Eén lichaam en één Geest; zoals u ook geroepen bent in één hoop van uw roeping” (Ef. 4:4). Dit veronderstelt leven: degenen die aan het lichaam deel hebben, hebben het leven van God, het leven van Jezus, en zij hebben de hoop dat “het sterfelijke door het leven verslonden wordt” (2 Kor. 5:4). Al toen de verheerlijkte Jezus Paulus vastgreep, maakte Hij deze eenheid duidelijk met de woorden: “Ik ben Jezus die jij vervolgt” (Handelingen 9:5). “En u bent het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk leden” (1 Kor. 12:27). Hier is geen sprake van leden van de gemeente, en nog minder van de gemeente, maar van het lichaam van Christus. “Deze verborgenheid is groot” (Ef. 5:32).

c) Dezelfde Geest, die de levensverbinding tussen de verheerlijkte Christus met Zijn lichaam op aarde tot stand brengt, bewaart deze ook in elk van zijn leden, en in de gemeente als zodanig. Hij woont in hen. Iedere gelovige is de “tempel van de Heilige Geest”, Die in hem woont, en Die hij van God ontvangen heeft (1 Kor. 6:19). Op dezelfde manier is de gehele gemeente de “tempel van God” (1 Kor.3:16). Zij is de “woonplaats van God in [de] Geest” (Ef. 2:22). Zij is het huis van God (1 Tim. 3:15), gebouwd op de vaste bodem, de Rots, de heerlijke Persoon die Petrus als de Christus, de Zoon van de levende God, beleed, gebouwd door Hemzelf. Van levende stenen, allen gelovigen, wordt dit huis gebouwd (zie 1 Petr. 2:5). Noch als het gaat om het huis van God, noch om het lichaam van Christus, kan de werkelijkheid van het goddelijke leven in degenen die behoren tot de gemeente van God, in twijfel worden getrokken of veronachtzaamd.

Wanneer men spreekt van een gebouw, denkt men aan iets wat blijft, permanent. De duurzaamheid van de gemeente van God is zodanig, dat “de poorten van hades  haar niet zullen overweldigen” (Matth. 16:18). Omdat Hij de bouwer is, is er niets te vrezen.

Het gaat om het huis van God, de “heilige tempel in de Heer” (Ef. 2:21). Alles in dit huis moet dus overeenstemmen met het goddelijke karakter. De naam van God wordt daar gekend, geëerd, verheerlijkt. God zorgt ervoor dat het leven van degenen die Zijn “woning in de geest” vormen, in overeenstemming is met de heiligheid van Zijn naam. Het is de plaats van goddelijke dienst, een heilig priesterdom (vgl. 1 Petr. 2:5b).

d) Bruid, lichaam, huis: dit alles is de gemeente van God, vanaf het moment dat het gevormd werd. Maar zoals de individuele christen hier beneden al “in Hem voleindigd is” (Kol. 2:10), dus geschikt gemaakt is voor de heerlijkheid – zoals hij ook in de loop van zijn leven voortdurend wordt gevormd – zo wordt ook de gemeente van God eens in haar voleinding in Christus gezien. Aan de andere kant echter wordt zij ook geleidelijk door de werking van de Heilige Geest gedurende de tijd van genade naar haar voleinding in de hemel bereid. Christus reinigt de gemeente “door de wassing met water door het woord” (Ef. 5:26). Het lichaam van Christus groeit door de geestelijke genadegaven die van het Hoofd afkomstig zijn en “goed samengevoegd en verbonden door alle gewrichten die bijstand [verlenen], naar de werking die elk deel is toegemeten, de groei van het lichaam bewerkt tot opbouwing van zichzelf in de liefde” (Ef. 4:16 – Voorhoeve-vertaling 4e druk), zodat “het hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer” (Ef. 2:21). De voleinding zal pas in de hemel worden gezien, maar is nu al in zekere zin van toepassing. Zo ziet een meester reeds in gedachten het werkstuk hoe het zijn zal, en tegelijkertijd ziet hij wat nog nodig is om het te voltooien.

Wanneer het geopenbaard zal worden “wat wij zullen zijn” (1 Joh. 3:2), wanneer elk individueel lid van het ene lichaam in Christus bekleed zal worden met een lichaam, gelijkvormig “aan het lichaam van Zijn heerlijkheid” (Fil. 3:21), dan zal de gemeente worden gezien als Zijn met Hem verenigde bruid, als “Zijn lichaam, de volheid van Hem die alles in allen vervult” (Ef. 1:23). Dan zal het geestelijk huis of de “woonplaats van God in de Geest” (Ef. 2:22), “de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem” zijn, dat  ook wel “de bruid, de vrouw van het Lam” genoemd wordt. Dan zal haar eeuwige volmaaktheid gezien worden. De vrucht van de arbeid en de liefde van Christus wordt voor de ogen van de mensen van het duizendjarig Rijk openbaar, zoals daarna voor de bewoners van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (zie Openb. 21 en 22:5).

In het midden van de huidige wereld, die Christus verworpen heeft en vandaag nog verwerpt, kan de gemeente van God slechts een vreemdeling zijn. De nieuwe schepping, waartoe zij behoort, is in haar aard geheel in tegenstelling tot de oude. De gemeente is niet, zoals helaas sommigen schijnen te denken, een deel van deze wereld, en is ze ook de meest nobele, menen zij. Zij is uit de wereld genomen en bevindt zich vanwege haar hemelse karakter met haar in tegenstelling, zoals de Heer het ook was toen Hij hier beneden wandelde.

Zij is niet, dat zij nog eens gezegd, gemeente van de mensen, maar zij is “de gemeente van de levende God” (vgl. 1 Tim. 3:15).

Welke opdracht heeft de gemeente hier beneden?

We komen nu tot de vraag waarom de gemeente hier beneden gelaten, en tot welke opdracht zij geroepen is.

Men zou op deze vraag kort kunnen antwoorden, dat de gemeente op aarde is om God te verheerlijken, doordat zij Christus verheerlijkt. Het is de roeping van iedere afzonderlijke christen de tempel van de Heilige Geest te zijn; en de roeping van de gemeente is om de woning van God in de Geest te zijn. De gemeente is in de wereld gelaten, “opdat nu aan de overheden en machten in [de] hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekend gemaakt wordt” (Ef. 3:10). Ze heeft eeuwigheidswaarde. “Hem nu, die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van alle eeuwigheid! Amen” (Ef. 3:20,21).

Gods wijsheid wordt vandaag door de gemeente aan de bewoners van de hemel bekend gemaakt, de machten en overheden. In het duizendjarig Rijk zal de heerlijkheid van de bruid aan de hele schepping geopenbaard worden.

Een getuigenis van de eenheid zag de Heer Jezus voor Zich, toen Hij in Zijn gebed in Johannes 17 vroeg: “Opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons <één> zijn, opdat de wereld gelooft, dat U Mij hebt gezonden” (vs. 21). In de openbaring van deze eenheid onder de Zijnen zag de Heer een zo’n grote kracht, dat de wereld zou geloven. Als Hij Zichzelf verheerlijkt presenteren zal, zal de wereld, zullen zelfs hun vijanden hen zien en erkennen (vs. 23).

“De gemeente van de levende God is de pilaar en grondslag van de waarheid” (1 Tim. 3:15). Dat is hun bestemming. Zij is niet de bron van de waarheid; de waarheid komt niet uit de gemeente. Het Woord van God is de waarheid, Jezus is de waarheid, de Heilige Geest is de waarheid, maar de gemeente niet. De gemeente heeft de waarheid ontvangen; en door haar getrouwheid in het vasthouden aan de waarheid houdt zij deze in de wereld in stand. God woont in de gemeente, die Zijn huis is, en de waarheid moet in haar gezien worden, als op een pilaar gedragen, waarbij zij niet dulden mag dat de waarheid afgezwakt, veranderd of vergeten wordt.

De gelovigen samen zijn een heilig priesterdom en worden opgeroepen: “Laten wij <dan> door Hem een voortdurend lofoffer brengen [1] aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen, die Zijn Naam belijden [2]” (Hebr. 13:15). Ze aanbidden hun Heer, zoals de bruid van de “Heer der heerlijkheid” (1 Kor. 2:8) betaamt. Hijzelf, de Opgestane, zingt Zijn Vader lof in hun midden. En wederom zingt de gemeente God de Vader lof door Hem. Dit is de inhoud van ware aanbidding. “Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en door Christus Jezus” (Ef. 3:21). De persoonlijke relatie van de ziel met God, hoe kostbaar ze ook is, treedt terug voor zo’n onschatbare gemeenschappelijke dienst van lof en dank.

Het middelpunt van deze dienst aan de tafel van de Heer staat het gedenken van de dood van de Heer. Het door de Heer ingestelde gedachtenismaal met het teken van Zijn liefde, het brood en de beker, is de zichtbare uitdrukking van de herinnering daaraan, dat Hij zijn kostbare leven overgegeven heeft. “Doet dit tot Mijn gedachtenis” (Luk. 22:19,20; Matth. 26:26-28; Mark. 14:22-24; 1 Kor. 10:16,17; 11:23-32) Ook dat is een getuigenis: de dood van de Heer wordt verkondigd.

Op het verleden gericht, herinnert de gemeente zich het eenmalige offer van de Heer; en met het oog op de toekomst verwacht zij de wederkomst van de Heer. Haar privilege is het om vol liefde uit te roepen: “Amen, kom, Heer Jezus”, door de Geest en samen met de Geest, die in hun midden is (Openb. 22:20).

Dit zijn enkele van de heerlijke opdrachten van de gemeente op aarde. Er zijn ongetwijfeld nog andere; men zou echter van alle moeten spreken over wat de ziel aan bemoediging en versterking in de broederlijke gemeenschap vinden mag, waarvan de bron ligt in de liefde van de Heer voor de Zijnen. Het is een toevluchtsoord voor degenen die – moe van deze wereld – de vrede in tegenwoordigheid van de Heer zoeken. Zij erkent, bevestigt en onderhoudt de arbeiders die de Heer uitzendt. Alle brieven van Paulus tonen ons de mate waarin deze energieke dienaar van God, hoewel hij van niemand afhankelijk was, op de geestelijke steun van de gemeente ten allen tijde rekende, en hoezeer hij de materiële hulp dankbaar erkende, waarmee men hem omgaf. Hoe verblijdde hij zich over de deelname van de Filippiërs aan het evangelie, en hoe zeer waardeerde hij het, dat de wandel van de Thessalonikers zijn eigen prediking in alle plaatsen kracht gaf!

De hoge waarde van haar voorrechten

Wanneer we spreken van de taken van de gemeente, die haar door haar positie gegeven zijn, dan zouden we eigenlijk over voorrechten moeten spreken. De heiligen van het Oude Testament kenden deze niet; want voordat deze schat- kamer zich opende, moest Christus verheerlijkt zijn. Ze hadden noch aandeel in het ene lichaam noch aan de hoop van roeping. Maar nu: “Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef. 1:3).

De gemeente is gebouwd, zodat zij in het genot van de hemelse zegening, deze uitstraalt en haar geur verspreidt. Dit gebeurt door het gemeenschappelijk getuigenis, waardoor zij haar Hoofd, dat is haar geliefde Heer, de bewerker van haar redding en het enige middelpunt van haar samenkomen, eert. Doordat zij Hem daardoor bekend maakt, bedrijft zij een voortdurende evangelisatie.

De hulpbronnen van de gemeente

Om de voorrechten te genieten en het getuigenis doeltreffend te geven, is de gemeente door de genade van God van alle hulpmiddelen voorzien, zodat de individuele gelovige niet aan zichzelf overgelaten is.

Deze hulpbronnen zijn onuitputtelijk. Ze ontspringen aan “de veelvoudige genade van God” (1 Petr. 4:10). Het gezag van de Heer in de realiteit te erkennen, de Heilige Geest, Die tot verheerlijking van de verhoogde Heer gezonden is, ongehinderd werken laten, het Woord gehoorzamen: dat moet te allen tijde en overal toereikend zijn.

De verheerlijkte Christus geeft in genade alles wat nodig is, elke aanreiking tot dienst om de gemeente op te bouwen en te voeden. Volgens Efeze 4 vers 8 worden de gaven door de opgevaren Heer gegeven en volgens 1 Korinthe 12 door de Heilige Geest uitgedeeld. Zo is het van begin af aan geweest, en zo zal het zijn tot het einde van de geschiedenis van de gemeente op aarde. Christus zal bij Zijn verheerlijking tonen, hoe trouw Hij zich met de gemeente, die Hij liefhad,  beziggehouden heeft.

Tegen deze goddelijke activiteit ontwikkelen satan en de wereld alle mogelijke aanvallen, om te verstrooien, te vernietigen en te verderven. Dit zorgt ervoor dat de christenen een constante strijd hebben. De gemeente beschikt echter over een bijzonder wapen, om bewaard te blijven. Dat is de aan haar verleende autoriteit.

Hiervan lezen we in Mattheüs 18 vers 17-20. De Geest van God heeft voorzieningen getroffen voor de orde en de vrede onder de kinderen van God, de broeders. Volgens vers 20 wordt de tegenwoordigheid van de Heer in het midden van de gemeente beloofd, dat haar macht geeft om te binden of te ontbinden.

In 1 Korinthe 5 wordt het gezag van de gemeente nog uitgebreider en verhevener voorgesteld. Daar gaat het erom om het oude zuurdeeg van de zonde uit te zuiveren, opdat u een nieuw deeg bent. Met andere woorden: De gemeente, die gehouden wordt om zichzelf te zuiveren van het kwaad, moet een tucht uitoefenen, die zelfs tot de uitsluiting gaat van degene die het kwade uitgeoefend heeft. Maar, zoals in Mattheüs 18, is die aan de gemeente gegeven autoriteit op de tegenwoordigheid van de Heer (1 Kor. 5:4) en op de kracht van Zijn naam gegrond. Het apostolische gezag wordt daar met de gemeente verenigd, die wederom door de macht van het Hoofd van het lichaam, de Heer Jezus Christus, geleid wordt. De tucht wordt in Zijn naam, d.w.z. van de zijde van de Heer uitgeoefend; bepaald niet op de wijze van een menselijk oordeel, maar met het doel dat men de liefde in het oog houdt.

De verantwoordelijkheid van de gemeente van God

Deze verheven voorrechten en de krachtige hulpmiddelen, hetgeen die van de Oudtestamentische getuigen ver overtreft, leggen de gemeente een verantwoordelijkheid op die veel groter is dan enig ander ook.

De algemene christenheid echter, waaruit zich de zo prachtige uit Gods hand voortgekomen gemeente heeft ontwikkeld, heeft aan dat, wat er van haar verwacht werd, niet voldaan; ze heeft het haar geschonken hulpmiddel snel verwaarloosd, en is er niet in geslaagd het toe te passen. Daarmee heeft ook zij bewezen, dat de mens niet in staat is datgene, wat God hem toevertrouwt, onbeschadigd te behouden. De schat die de gemeente bezat, was veel kostbaarder dan alle andere, maar ze heeft hem uit de handen laten vallen. Het ging over de naam van de verheerlijkte Christus, en het gaat ook zonder enige twijfel verder om deze Naam, tot God aan het eind alle heerlijkheid zal worden teruggegeven; ondanks onze ontrouw zal God Zijn raadsbesluiten in Christus vervullen. In Hem alleen zal God “Zijn welbehagen in mensen” (Luk. 2:14) vinden. En zolang de geschiedenis van de gemeente op aarde niet is voltooid, heeft een ieder die de werkelijke interesse van Christus op het hart ligt, voor zichzelf de taak met oprechtheid te zoeken waar de weg van trouw is.

NOTEN VERTALER:
1. Letterlijk ‘een slachtoffer van lof opofferen’.

2. Of ‘prijzen’.

Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol