3 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (43)

Handelingen 22 vers 16-30

Vers 16-21

“En nu, waarom aarzelt u? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van Zijn naam.” De Heer was daar en spreidde zijn armen om zijn vroegere vervolger te ontvangen. Waarom zou hij aarzelen, zoals zoveel zielen die genade aangeboden krijgen? Hij moest alles achter zich laten en door de doop tot uitdrukking brengen, dat hij in geloof door de dood heen was gegaan, waarin al zijn verleden, al zijn zonden waren verdwenen, en dat hij nu in een nieuwe orde van de dingen verkeerde, en de Naam van de Heer aanriep, zoals degenen die hij had vervolgd (Hand. 9:14). Saulus had onmiddellijk genade aangenomen en stond op om met vaste schreden de weg van het getuigenis te betreden, in de zekerheid dat zijn zonden vergeven waren. Hierin is hij het patroon van ware bekering: God geloven, zijn plaats innemen in het getuigenis, de naam van de Heer belijden, naar de hemel wandelen, en daarbij Christus als levensdoel hebben, zoals de apostel dit uitdrukt in Filippi 3, waar hij ook naar zijn bekering verwijst.

In het verslag dat de schrijver van Handelingen geeft van de bekering van Saulus (Hand. 9), merkt hij op dat Saulus drie dagen blind was en at noch dronk. Gedurende deze korte periode werkte God in hem het werk van de bekering, de noodzakelijke voorbereiding van elke ziel om ware bevrijding te kunnen verkrijgen. Zodra dit werk gedaan is, kan het heil worden voorgesteld door iemand die God daartoe zendt: Ananias aan Saulus, Filippus aan de kamerling, Petrus aan Cornelius. Toen de gevangenbewaarder in Filippi zei: “Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?” kon Paulus hem antwoorden: “Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis.”“Dus is het geloof uit [de] prediking, en de prediking door [het] woord van Christus1 (Rom. 10:17).

Wat Paulus vermeldt in de verzen 17-21 vond plaats drie jaar na zijn bekering. Dit blijkt duidelijk uit Galaten 1 vers 17 en 18. Hij vertrok naar Arabië, keerde terug naar Damascus en ging van daaruit op naar Jeruzalem (Hand. 9:26-30). Tijdens het gebed in de tempel geraakte hij toen in geestvervoering. Het Woord zwijgt over wat er plaatsvond tijdens zijn verblijf in Arabië; maar zoals wij reeds hebben opgemerkt bij de beschouwing van het 13e hoofdstuk, laat de Heer gelovigen die Hij roept voor een speciale bediening een periode van voorbereiding doormaken, die absoluut noodzakelijk is. Dus ook Saulus werd ongetwijfeld met dit doel daarheen geleid.

Wij kennen de genegenheid van Paulus voor zijn volk; toen hij in die tijd in Jeruzalem aankwam, was het ongetwijfeld zijn verlangen om onder de Joden te werken. Toen hij in de tempel bad, raakte hij in geestvervoering en zag de Heer, zoals Ananias hem had gezegd. Waarschijnlijk in antwoord op zijn gebed zei de Heer tegen hem: “Haast je en vertrek snel uit Jeruzalem, want zij zullen je getuigenis van Mij niet aannemen.” In volle vrijmoedigheid mocht Saulus voor de Heer datgene verklaren wat in zijn ogen zijn getuigenis tegenover de Joden vruchtbaar moest maken: het evangelie werd hun verkondigd door hem, die degenen die in Jezus geloofden in de gevangenis wierp en hen in de synagogen geselde. Zelfs toen het bloed van Stéfanus werd vergoten, had hij ermee ingestemd en bewaarde de kleren van hen die hem stenigden. Hij had, net als de herstelde Petrus, bekering willen prediken en zichzelf als voorbeeld willen stellen van waartoe genade in staat is. Maar dat was niet de wil van God voor hem. Die bediening was gedaan door de apostelen vóór hem, met name Petrus, en de Joden hadden er niets van willen weten. Saulus werd geroepen tot een andere bediening; hij moest genade prediken onder de volken: “Ga, want Ik zal je ver weg naar [de] volken zenden.” Helaas moest de geliefde apostel nu pijnlijke ervaringen ondergaan, omdat hij nu geen acht had geslagen op de instructies van de Heer. Zijn genegenheid voor zijn volk naar het vlees had hem naar Jeruzalem gebracht; maar zelfs de voortreffelijkste verlangens van ons hart moeten ondergeschikt worden gemaakt aan de wil van de Heer. Van de volmaakte dienstknecht lezen wij het woord: “De Heere, HEERE heeft Mij het oor geopend, en Zelf ben ik niet ongehoorzaam, Ik wijk niet terug” (Jes. 50:5). Dus ook wij moeten voorwaarts gaan in totale afhankelijkheid van de Heer en zijn Woord.

Vers 22-30

De Joden luisterden naar Paulus tot aan het woord waarmee hij hun duidelijk maakte, dat de zegeningen die zij verworpen hadden, nu het deel zouden zijn van de volken die zij in de hoogste mate verachtten. De overste, die niets begreep van de oorzaken die het volk nu zo woedend maakten, beval dat Paulus in het vestingkamp zou worden gebracht en met geselslagen zou worden ondervraagd, opdat hij zou weten waar het om ging. Toen ze hem losmaakten, vroeg hij, die de Romeinse wetten kende, aan de hoofdman of het geoorloofd was een niet veroordeelde Romein te geselen. Toen de hoofdman vernam, dat Paulus een Romein van geboorte was, werd hij bang, en degenen die hem moesten verhoren, lieten hem met rust. De Heer gebruikte dit beroep van Paulus op zijn recht om hem de onrechtvaardige geseling te besparen. Hij had hem ook op een andere manier kunnen bevrijden.

Je rechten doen gelden en op je rechten staan is niet hetzelfde. De overheid is door God aangesteld om volgens het recht te handelen. Doet ze dat niet tegenover een christen, dan mag deze daar de aandacht op vestigen, maar niet op zijn rechten staan. De overheid is verantwoording schuldig aan God, en de christen die het slachtoffer is van onrechtvaardigheid geeft zich over aan “Hem die rechtvaardig oordeelt” (1 Petr. 2:23).

De volgende dag liet de overste, omdat hij met zekerheid wilde weten waarom Paulus “door de Joden werd beschuldigd, hem losmaken en beval de overpriesters en de hele Raad bijeen te komen; en hij bracht Paulus erheen en stelde hem voor hen.”

Hoofdstuk 23 vers 1-11

Vers 1-5

Geplaatst voor de Raad kon de apostel Paulus zeggen: “Mannen broeders, ik heb met een volkomen goed geweten voor2 God gewandeld tot op deze dag.” Niets verhinderde hem om in alle rust voor hen te verschijnen, en zijn hele houding getuigde daarvan. Hij had zijn wandel geleid in het zuivere licht van Gods tegenwoordigheid. Hij streefde ernaar “altijd een geweten zonder aanstoot te hebben voor God en de mensen” (Hand. 24:16).

Het geweten is het vermogen onderscheid te maken tussen goed en kwaad; maar het is niet de maatstaf voor het goede. Om volgens de Goddelijke maatstaf goed van kwaad te kunnen onderscheiden, moet het geweten door Gods Woord worden verlicht. Door het werk van Christus zijn wij gereinigd van het kwade geweten, aangezien al onze zonden zijn uitgewist door het bloed van het kruis. Dit is het deel van elke gelovige. Voortaan moeten wij streven naar een goed geweten door elk kwaad te beoordelen in het licht van God, dat wil zeggen in het licht van Zijn Woord. In deze oefening moeten we vorderingen maken. Het kan gebeuren dat we een tijdlang leven in dingen die het geweten niet verontrusten, maar achteraf in het licht van het Woord ontdekken, dat ze niet in overeenstemming zijn met God, en ze dan oordelen. De apostel zegt in 1 Korinthe 4 vers 4: “Want ik mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij beoordeelt, is [de] Heer.” Hij beweerde niet, nu al alles te zien zoals de Heer het op Zijn dag zal openbaren, waarop Paulus zinspeelt in het volgende vers: “… totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken.”“… dat als ons hart [ons] veroordeelt, God groter is dan ons hart en alles weet” (1 Joh. 3:20). Tegen de Hebreeën kon de schrijver van die brief zeggen: “Bidt voor ons, want wij zijn ervan overtuigd dat wij een goed geweten hebben …” (Hebr. 13:18).

Dat Paulus kon getuigen van een goed geweten trof het geweten van Ananias, en hij gaf opdracht hem op de mond te slaan. Paulus, die niet wist dat hij met de hogepriester te maken had, kon deze schande niet verdragen zonder te antwoorden: “God zal u slaan, gewitte wand! En u zit mij te oordelen naar de wet en beveelt tegen de wet mij te slaan?” Toen Paulus hoorde, dat het de hogepriester was, bekende hij schuld en citeerde, in iets andere bewoordingen, de passage uit Exodus 22 vers 28: “Van een overste van uw volk zult u geen kwaad spreken.” De uitdrukking “gewitte wand” was een bekende uitdrukking in de taal van de Joden om huichelarij aan te duiden. Hoewel terecht geuit, zaten deze woorden hem niet lekker. Dit doet ons denken aan een soortgelijk voorval, maar dan een waarin de schoonheid van de enige volmaakte Mens naar voren kwam: Toen men tot Jezus zei: “Geeft U aldus antwoord aan de hogepriester?”, antwoordde Hij: “Als ik verkeerd heb gesproken, getuig van het verkeerde; maar als ik gelijk heb, waarom slaat U mij dan?” (Joh. 18:22,23). Hij zei niet zoals Paulus: “Ik wist niet.” Als men onder de leiding van de Geest van God blijft, wordt men in alle opzichten in de waarheid geleid. De onvolkomenheden van de mensen van God benadrukken slechts de voortreffelijkheid van de Heer Jezus, de Goddelijke Mens, het volmaakte Voorbeeld.

Vers 6-10

“Daar nu Paulus wist dat het ene deel uit sadduceeën en het andere uit farizeeën bestond, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een farizeeër, een zoon van farizeeën; over [de] hoop en [de] opstanding van [de] doden sta ik terecht.” Deze woorden waren zeker waar. Maar men is verbaasd, dat hij gebruik maakte van de samenstelling van de Raad en verdeeldheid veroorzaakte: hij deed zich voor als een farizeeër die terecht moest staan voor een zaak die de farizeeërs immers aanhingen. Had hij niet, vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, alles wat hem naar het vlees gewin was, dus ook zijn farizeïsme, als verlies beschouwd? Het resultaat van zijn diplomatie was verdeeldheid en een groot geschreeuw. De farizeeën leken hem te verdedigen, want zij zeiden: “Wij vinden geen enkel kwaad in deze man; en als een geest tot hem gesproken heeft, of een engel … .” Het geheel eindigde in een groot tumult. Omdat de overste vreesde dat “Paulus door hen zou worden verscheurd,” liet hij hem uit hun midden wegrukken en naar de legerplaats brengen.

Vers 11

“De volgende nacht nu stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.” Dezelfde Heer die eens op de door stormen geteisterde zee tegen Zijn zwakke discipelen had gezegd: “Hebt goede moed, Ik ben het, weest niet bang,” wist dat Zijn trouwe dienaar nu op dezelfde wijze een bemoediging nodig had. Hoeveel gedachten moeten er in zijn hoofd zijn opgekomen; en de vijand heeft zeker niet nagelaten hem de aanleiding te verwijten van de situatie waarin hij zich nu bevond. De Heer, die reden zou hebben gehad om hem verwijten te maken, kwam en bemoedigde hem! Hij kende hem het getuigenis toe, dat hij nu in Jeruzalem had afgelegd, hoewel hij helemaal niet naar deze stad had moeten komen. Hij was hier een getuigenis van de Heer en de dingen die Hem aangingen. Hij had zichzelf niet gespaard ten koste van trouw aan de Heer, zoals wij zo gemakkelijk doen. Integendeel, de apostel zei tegen degenen die hem wilden tegenhouden: “Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de naam van de Heer Jezus” (Hand. 21:13). En hij had ook verklaard: “Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen” (Hand. 20:24). Het kan bij hem zijn opgekomen, dat de vervulling van deze bediening ernstig in gevaar was gekomen door het feit, dat hij hier was gekomen om in Jeruzalem gevangen te worden genomen en aan de volkeren te worden overgeleverd. Maar de Heer kwam hem bemoedigen en verzekeren dat hij in Rome zou komen. En aan het eind van zijn loop, in Rome, kon hij zeggen: “Maar de Heer heeft mij bijgestaan en mij gesterkt, opdat de prediking door mij ten volle vervuld zou worden …” (2 Tim. 4:17). God maakte gebruik van de gevangenschap van Paulus om ons zijn brieven te geven om de gemeente te dienen tijdens hun verblijf hier op aarde. En daarom schreef hij aan de Filippenzen: “En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het evangelie hebben gediend” (Fil. 1:12).

 

NOOT:
1. Sommigen lezen ‘God.’
2. Of ‘met.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1961 – Bladzijde 206; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW