2 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (38)

Handelingen 18 vers 12-28; 19 vers 1-20

Hoofdstuk 18 (vervolg)

Vers 12-17

In deze verzen zien we weer de Joden aan het werk. Zij verenigden zich tegen Paulus, brachten hem voor de rechterstoel van de stad en beschuldigden hem ervan in strijd met de wet te staan. Maar God gebruikte de onverschilligheid van de proconsul [1] om hun plan te dwarsbomen. Als zij niet zo verblind waren geweest door hun haat, zouden zij begrepen hebben dat een Romeins ambtenaar niet geïnteresseerd was in vragen over de Joodse wet. Gallio “joeg hen weg van de rechterstoel weg”; hij was onverschillig over deze zaken en stond zelfs toe dat Sósthenes, de overste van de synagoge, voor de rechterstoel werd geslagen.

Misschien mogen we aannemen dat deze overste van de synagoge, mogelijk de opvolger van Crispus, bekeerd was en identiek is met de Sósthenes die Paulus noemt in de openingsgroet van 1 Korinthe.

Vers 18-23

Het tumult dat de Joden veroorzaakten weerhield de apostel er niet van zijn werk voort te zetten; de Heer had hem gezegd: “… spreek en zwijg niet!” Nadat Paulus enige tijd in Korinthe was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en zeilde met Priscilla en Aquila weg naar Syrië. Deze uitdrukking “nam hij afscheid van de broeders” geeft aan, dat er een zeer sterke band was ontstaan tussen de heiligen van Korinthe en de apostel. Des te treuriger is het te moeten vaststellen dat de Korinthiërs hem weldra de rug toekeerden omdat zij gehoor gaven aan boze arbeiders.

Paulus kwam naar Kenchrea waar hij zijn hoofd liet kaalscheren omdat hij een gelofte had afgelegd. Dit was een overblijfsel van het Judaïsme; maar ons wordt niet verteld om welke reden hij dit deed. Hoewel hij vrij was van alles, maakte hij zichzelf tot slaaf van allen (1 Kor. 9:19-23).

Daarna reisde hij naar Efeze, waar hij Priscilla en Aquila achterliet. Hier ondervond hij minder weerstand van de Joden dan elders, en hij sprak met hen in de synagoge. Hoewel zij hem vroegen nog langer bij hen te blijven, stemde hij daar niet mee in omdat hij het toekomstige feest in Jeruzalem wilde vieren, maar hij beloofde terug te komen als God het toestond. Van Efeze ging Paulus naar Caesarea, trok daar op naar Jeruzalem en begroette de gemeente. Dat is alles wat de Geest van God meldt over dit bezoek aan Jeruzalem, en Hij gaat zwijgend voorbij aan het feest dat Paulus daar zou gaan vieren. Dit had niets te maken met het verslag van de bediening van de apostel aan de heidenen. Wel is zijn bezoek aan Jeruzalem, aan het einde van zijn derde reis, beschreven.

Nu moest hij zijn vrije bediening afmaken in de reeds gevormde gemeenten en in de gebieden waar de Geest hem eerder niet had toegelaten (hfdst. 16:6,7). Hij daalde af naar Antiochië, het vertrekpunt van zijn eerste twee reizen, en van hieruit vertrok hij voor de derde reis, na daar enige tijd te hebben vertoefd. Hij trok beurtelings door het land Galatië, waar hij op zijn tweede reis het evangelie had verkondigd, reisde voor de derde maal door Phrygië en versterkte alle discipelen.

Na de verkondiging van het evangelie was de opbouw, de versterking, de geestelijke ontwikkeling van de heiligen en de gemeenten het grote doel van zijn bediening. Hij schreef aan de Kolossenzen: “Hem verkondigen wij, terwijl wij ieder mens terechtwijzen en iedere mens leren in alle wijsheid, om ieder mens volmaakt te stellen in Christus. Hiervoor arbeid ik ook onder strijd naar Zijn werking, Die in mij werkt met kracht” (Kol 1:28,29). Veel evangelisten in onze dagen schijnen dit werk van opbouw te vergeten of verkeerd in te schatten. Zij menen dat de redding van de zielen het belangrijkste is, en beschouwen de leer over de verlossing en de waarheden over de gemeente, die onderworpen moet zijn aan Christus en een voorwerp van Zijn zorg, als bijkomstig. Hoe moeten de geredden dan geleid worden tot een individuele en collectieve wandel die de Heer verheerlijkt? Maar je kunt zielen niet verder leiden dan wat je zelf begrepen en verwerkelijkt hebt.

Vers 24-28

Tijdens Paulus’ afwezigheid kwam Apollos, een Joodse inwoner van Alexandrië, naar Efeze. Hij was welsprekend, machtig in de Schriften, onderwezen in de weg van de Heer, vurig van geest, en sprak en onderwees zorgvuldig de dingen betreffende Jezus. Maar hij kende alleen de doop van Johannes. Dit was een man die voorbereid was op de bediening waartoe de Heer hem nu leidde. Hij had een goede basis in de kennis van het Woord, en wist er meer van dan de twee discipelen op de weg naar Emmaüs, die, bij het lezen van de Schriften, alleen bleven stilstaan bij die dingen die henzelf betroffen, en daarin niet hadden gezien wat op Jezus betrekking had. Maar wanneer het hart zich aan de Heer hecht, is het op de weg die leidt naar geestelijk inzicht. De kennis van Apollos reikte nog niet tot een opgestane en verheerlijkte Christus. Toen hij in de synagoge vrijmoedig begon te spreken, beseften Priscilla en Aquila wat hem ontbrak. Zij beseften wat Paulus de Thessalonicenzen zei (1 Thess. 5:19-21): “Blust de Geest niet uit, veracht [de] profetieën niet, maar beproeft alles, behoudt het goede.” Maar zij legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. Zij leerden hem hoe God Zijn raadsbesluit uitvoerde door de dood, opstanding en verheerlijking van Zijn Zoon.

In Priscilla en Aquila zien wij een voorbeeldig christelijk echtpaar, dat zich geheel gaf aan de belangen van de Heer. Priscilla, soms vóór haar man genoemd, moet een voortreffelijk Christin zijn geweest, maar haar kennis bracht haar niet in de verleiding de plaats van hulp, die God aan de vrouw had gegeven, te verlaten. Beiden samen onderwezen Apollos rustig in de waarheden die hem nog ontbraken.

Verrijkt door de kennis van deze christelijke waarheden, ondernam Apollos een reis naar Achaje. De broeders van Efeze, die een volkomen gemeenschap met hem en zijn bediening verwerkelijkten, beveelden hem aan bij de discipelen van die streken. Daar droeg hij, door Gods genade, veel bij tot de groei van de gelovigen; in het openbaar en met grote kracht weerlegde hij de Joden, door door de Schriften te bewijzen dat Jezus de Christus is. Hij was op de bodem waar Paulus had geplant, en hij besproeide die met de zegen van de Heer (1 Kor. 3:6). Hun bediening kwam uit dezelfde Bron; zij werkten in dezelfde Geest zonder elkaar gezien te hebben. Apollos behoorde niet tot de kring van medearbeiders van de apostel, maar was een dienaar die rechtstreeks afhankelijk was van de Heer en als zodanig door Paulus werd erkend. Paulus had hem eens overgehaald om naar de Korinthiërs te gaan, maar Apollos was niet bereid om op dat moment te gaan; hij wilde gaan wanneer hij de tijd vond (1 Kor. 16:12). Dit was een zaak tussen de Heer Zelf en hem.

Hoofdstuk 19

Vers 1-7

Na een bezoek aan de noordoostelijke streken van Klein-Azië, kwam Paulus naar Efeze, terwijl Apollos in Korinthe was. Daar trof de apostel bepaalde discipelen aan die nog niet de Heilige Geest hadden, die geacht wordt de christenen te kenmerken. Zij waren alleen gedoopt met de doop van Johannes en wisten niet eens dat de Heilige Geest er was, dat wil zeggen dat Zijn komst, aangekondigd in de Schriften en door Johannes, reeds had plaatsgevonden. In Johannes 7 vers 39 lezen wij: “Want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.” De apostel onderwees hen over de betekenis van de doop van Johannes, die een doop van bekering was. Zij die door Johannes werden gedoopt erkenden het oordeel dat God over de mens had uitgesproken en zij waren bereid om Jezus te ontvangen Die zou komen. Christus heeft door Zijn verwerping van de kant van de mens, door Zijn dood en opstanding, de weg naar de hemel geopend voor de gelovige, en deze moet nu een verworpen Christus in deze wereld volgen door tot Hem, tot Zijn dood, gedoopt te worden. De christelijke doop verwijst naar een Christus die gestorven is; maar de doop van Johannes verwijst naar een Christus die hier op aarde leeft. Nadat zij de apostel hadden gehoord, werden deze discipelen gedoopt in de naam van de Heer Jezus, en zo in een nieuwe toestand gebracht door het teken van Zijn dood. Zij erkenden de heerschappij van Jezus, en leerden alle zegeningen kennen die gegrond zijn op het werk van het kruis en de positie in heerlijkheid die door Christus is ingenomen. Paulus legde hen de handen op en onmiddellijk kwam de Heilige Geest op hen. Tot nu toe bezaten zij de Goddelijke natuur zoals alle gelovigen van het Oude Testament. Van nu af aan hadden zij leven in overvloed, en de aanwezigheid van de Heilige Geest maakte zich in hen kenbaar, zoals op de dag van Pinksteren. Zij spraken in talen en profeteerden. Er waren ongeveer twaalf mannen.

Vers 8-16

De apostel hervatte nu de bediening die hij had verlaten vanwege zijn reis naar Jeruzalem (hfdst. 18:19-22) en werd machtig ondersteund door de Heilige Geest, die hem eerder had belet het woord te spreken in Asia. Drie maanden lang sprak hij openhartig met de Joden in de synagoge over de dingen van het koninkrijk van God. In hoofdstuk 20 vers 25 zei hij tegen de oudsten van de gemeente dat hij “het koninkrijk van God gepredikt” had onder hen. Wat dit koninkrijk kenmerkte was God zoals Hij Zich openbaarde in Christus, die dit koninkrijk persoonlijk vertegenwoordigde. Men moest opnieuw geboren worden om het koninkrijk in Zijn Persoon te zien (Joh. 3). In Lukas 17 vers 21 vinden we het Woord van de Heer: “Want zie, het koninkrijk van God is midden onder u.” Het kwam niet op een wijze die de aandacht trok. In Romeinen 14 vers 17 lezen we: “Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.” Het is een toestand waarin de rechten en het wezen van God worden erkend en verwerkelijkt.

Paulus onderwees onder de Joden gedurende drie maanden. Maar toen sommigen van hen zich verhardden en niet geloofden en kwaad spraken over de Weg ten overstaan van de schare, trok hij zich met de discipelen van hen terug en verkondigde van toen af aan twee jaar lang het Woord in de school van Tyrannus. Als de toehoorders het tot hen gerichte Woord niet ontvangen, heeft dat een verhardend effect. Dit is wat er gebeurde met het volk Israël, en dit is wat er zal gebeuren met het christendom en met iedereen die het Woord niet op zijn geweten laat inwerken. Hoe enorm ernstig is dit! De tijd van de lankmoedigheid van God was voor de Joden voorbij. Weliswaar richtte de apostel zich eerst tot hen, maar hij wist dat hij tot de volkeren was gezonden. Opdat zijn prediking voor de volkeren doeltreffend zou zijn, moest hij zich afzonderen van hen die zich tegen het Woord verzetten en ook de gelovigen van hen afscheiden. Want de invloed van de Joden was schadelijk voor de schare voor wie zij kwaad hadden gesproken over de weg, de weg van het getuigenis waarop God de gelovigen leidt, een weg die naar de hemel leidt, door een wereld die zich tegen God verzet.

In de loop van de twee jaar waarin Paulus het Woord verkondigde in de school van Tyrannus, hoorden allen die in Asia woonden – een provincie waarvan Efeze de hoofdstad was – het Woord van de Heer, zowel Joden als Grieken.

De kracht van de Heer werkte ongehinderd in die dagen. God verrichtte buitengewone wonderen door Paulus: De zieken werden genezen en demonen werden uitgedreven. Deze kracht kenmerkt het werk in dit hoofdstuk. Door de handoplegging van de apostel kwam de Heilige Geest op de twaalf mannen. Deze zelfde macht bleek te zegevieren over de zieken en de demonen. De demonen getuigden van deze macht toen de zonen van Sceva dachten, dat zij er gebruik van konden maken om hen uit te drijven. Al vroeg trachtte de vijand de werkzaamheid van de Geest na te bootsen, zoals wij ook zagen in het 8e hoofdstuk met Simon de tovenaar. Maar, zoals in het geval van Jannes en Jambres, werd hun dwaasheid spoedig duidelijk. De boze geest zei tot de zonen van Sceva: “Jezus ken ik <wel> en van Paulus weet ik; maar u, wie bent u?” Hun toestand werd openbaar gemaakt. Ze vluchtten naakt en gewond het huis uit.

Vers 17-20

Door deze gebeurtenis, waarin de bedrieglijkheid van de zonen van Sceva werd geopenbaard aan zowel de Joden als de Grieken die in Efeze woonden, viel er vrees over hen allen en werd de Naam van de Heer verheven. Angst is het eerste effect op een ziel die zich bewust wordt van de aanwezigheid van God. Maar het moet gevolgd worden door een heilzame werking op het geweten die leidt tot het zoeken van bevrijding. Zonder gewetensoefeningen is angst slechts tijdelijk. Van Noach wordt gezegd dat hij, toen hij een Goddelijke aanwijzing had ontvangen, door “vreze Gods” gedreven een ark bouwde voor de redding van zijn huis (Hebr. 11:7). De dief aan het kruis zei tegen zijn metgezel: “Vrees jij ook God niet?” Hij erkende het rechtvaardige oordeel waaronder zij stonden. “De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid” (Ps. 111:10).

Onder een groot aantal Efeziërs, onder wie de naam van de Heer Jezus was verheven, werden wonderbaarlijke uitwerkingen gezien. De naam is de uitdrukking van de persoon die hem draagt. De kracht van de Naam van Jezus brengt grote dingen tot stand.

De vrees ging gepaard met geloof bij velen van hen die niet alleen hun staat van zonde voor God erkenden, maar ook openlijk beleden wat zij hadden gedaan. Toen zij getuige waren van de gebeurtenissen waardoor de macht van Satan was geopenbaard, verzamelden velen van hen die tovenarij hadden bedreven, de boeken en verbrandden ze ten overstaan van allen. Aldus veroordeelden zij hun boze werken, deden er vastberaden afstand van en werden van deze dingen bevrijd.

Veel gelovigen zijn opnieuw slachtoffer geworden van dingen die zij bij hun bekering hebben veroordeeld; zij hebben er niet radicaal mee gebroken. Deze boeken vertegenwoordigden een grote materiële waarde; de vermelding van dit feit toont aan, dat men niet moet kijken naar wat het kost om dingen op te geven die onverenigbaar zijn met de christelijke wandel. Deze som suggereert ook de toestand van de wereld onder de macht van Satan: Boeken over occulte zaken hebben een grote waarde voor hen. De mensen hechten niet zoveel waarde aan het Woord dat ons God openbaart en Zijn grote liefde voor zondaars. Het is droevig te moeten vaststellen, dat in het christendom de mensen meer en meer het geloof in het Woord van God opgeven om zich tot demonische openbaringen te wenden. Het gebeurt op een fijnere manier dan de afgodendienaars van vroeger, maar het leidt tot de aanbidding van de mens, tot een oordeel van God over hen die de waarheid niet hebben geloofd.

God sprak niet alleen tot de mensen door wonderbare werken, waarvan sprake is in het 11e vers; door Zijn Geest werkte Hij ook door middel van het Woord van de Heer; in het 20e vers lezen wij: “Zo nam het Woord van de Heer met macht en werd sterker“. God bevestigde dit Woord door tekenen van kracht; zie Hebreeën 2:4: “… terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten.” Maar de uitwerking op het geweten en op het hart werd niet door de wonderen bewerkstelligd, maar door het Woord, dat wij ook nu nog hebben. Het is door het Woord, dat de Geest van God Zijn werk doet in de zielen, ook al is de kracht van wonderen niet meer werkzaam in het christendom, dat beheerst wordt door een dode belijdenis. De opwekking in de 19e eeuw, die overeenkwam met het ontwaken van de maagden (zie Matth. 25), kwam niet door wonderen, maar door de werkzaamheid van het Woord, dat de wederkomst van de Heer aankondigt.

 

NOTEN:
1. Dit is een stadhouder in een Romeinse provincie.

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1961 – Bladzijde 46; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW