16 jaar geleden

De christen en de wet

In de laatste tijd heb ik een heel wat mensen leren kennen, die geen duidelijkheid hadden over welke rol de wet (die God door Mozes gegeven heeft) in hun leven moet spelen. Hoewel ik in de meeste gevallen kon aannemen, dat zij opnieuw geboren waren, maakten verschillende opmerkingen duidelijk dat hen de volle betekenis van het evangelie van de genade niet duidelijk was.

De volgende meningen werden steeds weer naar voren gebracht:

  • “Wij zijn gered door de dood van de Heer, maar nu moeten wij ons inzetten werkelijk de wet te houden”.
  • “We behoeven weliswaar niet de hele wet te houden – bijvoorbeeld niet de ceremoniële wetten” – maar toch op zijn minst wel het morele deel (niet doden, niet stelen, enzovoorts)”.

Spreekt men deze beweringen tegen dan wordt er tegen ingebracht: “Hoe moeten wij dan naar de wil van God leven, wanneer wij de wet niet houden?”

Zulke inzichten zijn niet alleen verkeerd, maar ook gevaarlijk. Zij leiden tot een volkomen verkeerde denkwijze en levensinstelling en verhinderen ons om zo te leven, zoals het in overeenstemming met onze verhouding tot de Heer en tot de Vader zou zijn. Zij nemen ook de vrede weg, die ieder kind van God genieten mag en moet (Romeinen 8:1). En zonder innerlijke vrede kan men eigenlijk helemaal geen vooruitgang maken in de waarheid.

Daarboven uit, en dat zou voor ons al genoeg moeten zijn, weerspreken zulke inzichten duidelijke bijbelse uitspraken. Een beantwoording van enkele vragen aangaande dit thema zal dat duidelijk kunnen maken.

1. Kan men, doordat men de wet houdt, voor God gerechtvaardigd zijn?

Deze vraaag moet ik – misschien tot verbazing van enkele lezers – met “ja” – een theoretisch “ja” beantwoorden. Want de bijbel zegt: “Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens die zal doen, die zal daardoor leven …” (Leviticus 18:5; zie ook Romeinen 10:5). Weliswaar moet men er zeker aan toevoegen: de facto (praktisch) neen. De natuurlijke mens heeft eenvoudig niet de kracht de wet te houden. Paulus zegt: “Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, [deed] God” (Romeinen 8:3); en in Romeinen 3:20 staat: “Daarom zal op grond van werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden”.

Wanneer iemand dit punt niet inziet, dan vergist hij zich niet alleen, maar hij draait het evangelie compleet op de kop; we lezen ook in Galaten 1:7: “het evangelie van Christus (willen) verdraaien”.

2. Is de wet dan slecht?

In geen geval! Hoe zou iets dat God zelf gegeven heeft, in zich slecht kunnen zijn? Laten we de Bijbel zelf maar spreken: “Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12). “Als dat dan zo is, waarom zouden we het dan niet als levensregel moeten gebruiken?” Voordat we een antwoord op deze vraag zoeken, willen we ons eerst de vraag stellen:

3. Waartoe heeft God de wet gegeven?

Wie zojuist vers 20 uit Romeinen 3 tot het einde gelezen heeft, heeft al een antwoord gevonden: “door [de] wet komt [kennis] van zonde”. Toen ik eens een jonge man, die zich door het lezen van de Bijbel bekeerd had, vroeg welk boek van de Bijbel hem daartoe gebracht had, had ik gerekend op een antwoord van zo ongeveer dit: ‘het Johannes-evangelie’. In plaats daarvan zei hij: Door het lezen van de ‘vijf boeken van Mozes’ [Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium – vertaler] heb ik erkend, dat God heilig is en dat ik een zondaar ben. Door de wet komt kennis van de zonde.

4. Voor wie is de wet bestemd?

In de eerste plaats heeft God de wet aan het volk Israël gegeven. Hij heeft zich dit volk uitgezocht en het onder andere daardoor gezegend dat Hij vele aanwijzingen gaf, die hun dagelijks leven moesten regelen. Natuurlijk hebben zij deze wet niet gehouden – omdat de zondige mens dit niet kan. Maar hier gaat het mij om een ander punt: Wanneer je geen jood bent, dan ben je nooit “onder de wet” geweest en ben je het ook als Christen niet. Strikt genomen zou je zelfs een jood moeten zijn, die nog in de tijdsperiode van de wet leeft, niet in de huidige genadetijd … Paulus zegt klip en klaar: “want gij zijt niet onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Romeinen 6:14).

5. Zijn er vandaag dan helemaal geen mensen meer die nog van de wet zouden kunnen profiteren?

Jazeker, die zijn er. Weer verbaasd? Paulus schreef eens aan Timotheüs, dat men de wet wettig gebruiken moet. Daarbij voegt hij een hele lijst van mensen, die – ook wanneer zij niet tot het volk Israël behoren – toch van de wet zouden kunnen profiteren (1 Timotheüs 1:8-9): “Maar wij weten dat de wet goed is, als iemand haar wettig gebruikt, en hij dit weet, dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar”, en dan volgt een hele lijst, voor:

  • wettelozen en losbandigen
  • goddelozen en zondaars
  • onheiligen en ongoddelijken
  • vadermoorders en moedermoorders
  • doodslagers en hoereerders
  • knapenschenders
  • mensenrovers
  • leugenaars
  • meinedigen en
  • al wat verder ingaat tegen de gezonde leer …”.

Als de wet – uitdrukkelijk – “niet voor rechtvaardigen” maar voor goddelozen gegeven is, hoe kan men dan beweren dat het een levensregel voor een Christen is?

6. Betekent dat dan, dat we eenvoudigweg zouden kunnen zondigen?

Deze conclusie wordt vaak getrokken en diegenen voorgeworpen, die aantonen dat Christenen onder de genade staan en niet onder de wet, echter zij lijkt alleen maar logisch. Zo ging het bij Paulus al die dit verwijt alleen maar als lastering aanduiden kon: “… zoals van ons gelasterd wordt, en zoals sommigen beweren dat wij zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt …” (Romeinen 3:8; zie ook 6:1,15).

Als zulken die onder de wet stonden, al in geen geval mochten zondigen, dan diegenen die onder de genade staan nog veel minder. Waarom? Omdat dezen God veel dieper en beter [nader – vertaler] hebben leren kennen, namelijk als een God van liefde die Zijn enige Zoon offerde om het probleem van de zonde op te lossen. Onmogelijk kan iemand die deze genade “gesmaakt” heeft, de conclusie trekken dat de aldus geredde nu met een open affront (zware belediging) – want zonde is niet anders dan dat – op de liefde van God antwoorden zou. Judas spreekt uiterst scherp over zulken, die “de genade van onze God veranderen in losbandigheid” (vers 4), dat betekent: zij misbruiken de genade van God als vrijbrief voor hun losbandig, buitensporige leven. Judas karakteriseert zulke mensen alsgoddelozen.

Daar bovenuit heeft God ons in de Christelijke vrijheid gevoerd. Daartoe twee opmerkingen:

  1. Zondigen is nooit een teken van vrijheid, maar van slavernij. Voor onze bekering waren wij “slaven van de zonde” (Romeinen 6:17,20). Nu zijn wij “van de zonde vrijgemaakt” (Romeinen 6:22).
  2. Christelijke vrijheid is niet alleen de vrijheid om niet meer te moeten zondigen (dat is de negatieve kant), maar ook de vrijheid of bekwaamheid om vreugde in de Heer Jezus te vinden: “… en waar de Geest van [de] Heer is, is vrijheid. En wij allen, die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd …” (2 Korinthe 3:17-18). Dat is de positieve kant.

7. Is de wet een richtsnoer voor het praktische leven van de Christen? En zo niet, hoe kunnen wij dan God behagen?

Enkele plaatsen (zoals 1 Timotheüs 1:8,9) hebben wij al genoemd, om te tonen dat de wet niet de geschikte (gepaste) richtsnoer is, waarnaar een Christen zijn leven zou moeten inrichten. Maar er komt nog wel iets anders bij: Wanneer wij de wet zouden willen gebruiken, om te verhinderen dat wij zondigen, zouden wij nog met een andere bijbelplaats in haar exacte tegendeel verkeren:

“Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Romeinen 6:14).

De grond daarvoor dat de zonde geen macht meer over ons heeft, is juist dat wij niet (!) onder de wet zijn, maar onder de genade. Het is één van de neigingen van de (religieuze) mens, om voor zichzelf een systeem van regels te nemen om een “goed” leven te garanderen. En steeds gaat het mis. God daarentegen staat heel iets anders voor:

  • Hij veroordeelt het principe van de in ons wonende zonde (Romeinen 8:3);
  • Hij geeft degene die in Christus gelooft, een nieuwe natuur – dat het goede wil (Johannes 3:6);
  • Hij geeft degene die het evangelie van het heil geloofd heeft, de Heilige Geest als kracht om dat te doen, wat de nieuwe natuur wil (Romeinen 8:4);
  • Hij onderwijst ons – niet door de wet – maar door de genade (Titus 2:12).

En dit is het geweldig mooie: God geeft ons een thema, of beter gezegd een Persoon, die ons leven en denken vervult: Christus!

Praktische voorbeelden

Menigeen beweert dat Christenen, die zich niet aan de wet houden, bijgevolg stelen, doden, enzovoorts. Als men zo denkt, heeft men er weinig van verstaan hoe een Christen denkt en leeft.

Nemen we eens het voorbeeld “Gij zult niet stelen”. De Heer Jezus heeft gezegd: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Handelingen 20:35) – en daarbij gaat het om rechtmatig ontvangen, niet om stelen. Wanneer wij deze woorden voor ons hebben, willen we eerder geven dan ontvangen, en al helemaal niet iets nemen wat ons niet toebehoort. In deze zin zegt Paulus: “Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn eigen handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft” (Efeze 4:28). Is dat niet een veel hogere maatstaf dan dat “Gij zult niet …”?

Precies zo met het doden: De Christen houdt zich niet bezig met dat wat niemand schaadt, maar met “het rondgaan, goeddoen en genezen (helen)” (Handelingen 10:38). Lost dat niet de vraag op?

Evenzo met het huwelijk. Voor de Christen gaat het niet om een “gij zult niet echtbreken”, maar hij/zij heeft voor ogen dat het huwelijk een beeld is van Christus en de gemeente (Efeze 5:22 v.v.).

En zo zou men kunnen voortgaan en tonen dat de genade (!) ons daadwerkelijk onderwijst op alle levensterreinen, “dat wij … ingetogen, rechtvaardig en godvruchtig leven in deze tegenwoordige eeuw” (Titus 2:12).

Op deze wijze zal een Christen de rechtvaardige eisen van de wet vervullen (Romeinen 8:4), zonder dat dit zijn doel is. Zijn doel is veel hoger: dat “Christus in hem gestalte krijgt”, dat hij zijn Voorbeeld volgt (1 Petrus 2:21).

Michael Hardt, © Folge mir nach

“Maar als gij door de Geest geleid wordt, dan zijt gij niet onder [de] wet” (Galaten 5:18)

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW