4 jaar geleden

Buiten de legerplaats

In Hebreeën 13 vers 13 staat:

“Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige”.

1. De bijbelse betekenis van de legerplaats

a) In het Oude Testament

De Hebreeën-brief richt zich, zoals de naam zegt, tot Christenen die uit het Jodendom kwamen. Daarom was voor hen het Oude Testament en de geschiedenis van Israël goed bekend. Wellicht in geen ander boek van het Nieuwe Testament worden zo vele feiten uit het Oude Testament als voorbeelden van nieuwtestamentische  heilsfeiten uitgelegd als in Hebreeën.

Ook de legerplaats was voor de gelovige Hebreeën dus niet geheel onbekend. Het was de legerplaats van het volk van Israël gedurende zijn veertig jaren van omzwervingen in de woestijn. In deze specifieke betekenis komt het woord voor het eerst in Exodus 16 vers 13 voor: “En tegen de avond gebeurde het dat er kwartels kwamen aanvliegen, die het kamp overdekten, en in de ochtend was er een laag dauw rondom het kamp”. In deze zin wordt het woord legerplaats nog vele malen gebruikt in de boeken van Mozes.

Deze legerplaats van Gods volk was ongeëvenaard en uniek in de wereld. De HEERE, de God van Israël, had Zijn volk uit Egypte geleid om in het midden van dit volk te wonen en hun God te zijn (Ex. 29:45). Toen Bileam, die eigenlijk werd ingehuurd om Israël te vervloeken, de legerplaats van deze mensen zag, moest hij uitroepen: “Zie, dat volk woont afgezonderd, onder de heidenvolken rekent het zich niet … aanschouwt geen onrecht in Jakob; ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan. De HEERE, zijn God, is met hem, en de jubelklank van de Koning is bij hem … Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!” (Num. 23:9,21; 24:5).

Het was een heilig, dat wil zeggen voor God afgezonderd kamp. Daarom liet God Israël weten: “Want de HEERE, uw God, wandelt binnen uw kamp om u te redden en uw vijanden aan u over te geven. Daarom moet uw kamp heilig zijn, zodat Hij niets schandelijks bij u ziet en Zich van u afkeert” (Deut. 23:14). Zo moest iedere Israëliet die door de ziekte van melaatsheid volgens de wet onrein was, buiten het kamp blijven totdat hij weer rein was (Lev. 13:45-46).

Zelfs als iemand op Gods bevel vanwege zijn zonde moest worden gedood, dan moest dit buiten het kamp worden gedaan (verg. Lev. 24:14; Num. 15:35).

Zelfs bepaalde zondoffers (voornamelijk die, waarvan het bloed in het heiligdom werd gebracht) moesten buiten het kamp verbrand worden (Ex. 29:14; Lev. 16:27; verg. Lev. 6:30). Evenzo werd de as van het brandoffer naar een reine plaats buiten het kamp gebracht (Lev. 6:11). Om het reinigingswater te bereiden moest een rode vaars (jonge koe) voor de gemeenschap naar buiten geleid en daar geslacht worden, en hun as werd buiten het leger in een reine plaats weggelegd (Num. 19:9-10). In deze voorschriften komt tot uitdrukking, dat ook de goddelijke behandeling van de zonde, degene die zich daarmee bezig moet houden,verontreinigt.

Een bijzonder geval vinden we in Exodus 33 vers 7. Aäron had op verzoek van het volk een gouden kalf gemaakt. Door deze zonde van afgoderij was het gehele kamp van Israël zo verontreinigd, dat Mozes de tent van de ontmoeting buiten het kamp opsloeg. Iedereen die God zocht, moest nu buiten het kamp (de legerplaats) gaan.

b) In het Nieuwe testament

In het Nieuwe Testament komt het woord kamp (Grieks parembole) behalve in het door ons gebruikte vers alleen in Handelingen en één keer in Openbaring voor (Openb. 20:9 “legerplaats”), en wel alleen in militaire zin. Hebreeën 13 vers 11 luidt als volgt: “Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de zonde door de hogepriester het heiligdom werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand”. Dit verwijst ongetwijfeld naar de in Leviticus 6 vers 23, 16 en 27 genoemde offerhandelingen. De legerplaats van Israël, waarin God Zijn woning had, moest worden beschermd tegen de verontreiniging die verbonden was met het verbranden van het zondoffer. Hier stelt de legerplaats de door God ingestelde en erkende ordening van Zijn volk voor.

Dan volgt vers 12: “Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden”. Deze gebeurtenis lijkt vergelijkbaar met het oudtestamentische voorbeeld. Maar in werkelijkheid is er een enorm verschil. De Joden hebben hun Messias, de Zoon van God, verworpen, met valse beschuldigingen aangeklaagd en door de Romeinse bezettingsmacht ter dood veroordeeld en laten kruisigen. Hoewel er al lang niet meer een “legerplaats” van Israël in de oorspronkelijke betekenis was, zo werd toch in overeenstemming met de oudtestamentische voorschriften van de wet een doodvonnis buiten de heilige stad Jeruzalem voltrokken. Jeruzalem wordt hier gelijkgesteld met de voormalige legerplaats van Israël.

Wat een toestand! De Joden in Jeruzalem bereiden in starre naleving van de wetten van het Pascha-feest voor, terwijl gelijkertijd Christus,  het ware Paaslam, buiten de poort lijden en sterven moet. Het Evangelie van Johannes wijst met name op het feit dat de Joden vanwege de komende Pascha-maaltijd niet het Romeinse pretorium ingingen, om zich niet te verontreinigen (Joh. 18:28; zie Num. 9:6), en dat zij vanwege deze hoogheilige feestdag aan Pilatus vroegen om de lichamen van de gekruisigde te verwijderen (Joh. 19:31; verg. Deut. 21:22-23).

Zo leed en stierf het Lam van God in smaad en schande buiten de poorten van Jeruzalem; dat betekent buiten een legerplaats dat in vermeende orthodoxie, (wat echter in werkelijkheid een dood religieus systeem in stand hield), en met verharde gewetens en koude harten de Zoon van God veracht en verworpen had. Maar het was niet alleen haat van de Joden, dat de Here Jezus deze schandelijke plaats buiten de stad toewees. Het gebeurde ook volgens het eeuwig raadsbesluit en de wil van God. Door het bloed van Christus, het ware en volmaakte zondoffer, kon nu een nieuw volk voor God geheiligd worden.

Hierop volgt de conclusie in vers 13: “Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen”. Gods antwoord was, dat Hij nu Zijn aardse volk verwierp en terzijde stelde. Iedere Jood die redding zocht, kon dat dan ook alleen bij Hem vinden, die buiten de poort van Jeruzalem, op de plaats van verachting, geleden heeft. Dit betekende: Afzondering van een religieus systeem, hoewel dat uiterlijk pochte op het houden van de wet, innerlijk echter ver van zijn God verwijderd was. Daarop wijst al het voorbeeld van Mozes, die de tent der samenkomst buiten het kamp opsloeg, toen Israël het gouden kalf gemaakt had.

De afzondering van het religieuze systeem van het jodendom en de daaraan verbonden smaad van Christus was voor de gelovige Hebreeën natuurlijk een zeer moeilijke stap. In Handelingen vinden we het bewijs van de problemen die deze kennis de joodse christenen bereidde. Heeft God niet Zelf de wet gegeven? Heeft Hij niet de bouw van de tempel in Jeruzalem bevolen? Heeft Hij niet het overblijfsel uit de Babylonische ballingschap naar het land van hun vaderen teruggevoerd? Nu moesten ze leren dat, hoewel het heil uit de Joden is, God dit volk toch terzijde gesteld had. Met de verwoesting van de tempel door de Romeinen in 70 na Christus werd tenslotte een duidelijk herkenbaar voorlopige eindstreep onder de geschiedenis van Zijn aardse volk getrokken.

2. De betekenis van het begrip “legerplaats” vandaag

Het uitgaan “buiten de legerplaats” in Hebreeën 13 vers 13 betekent ook voor de in de Here Jezus gelovende Joden de innerlijke en uiterlijke scheiding van de door God ter zijde gestelde Joodse eredienst. Het is dus een duidelijk herkenbare historische situatie en om een beslissing nemen, die ook vandaag de dag voor elke bekeerde Jood zijn geldigheid heeft.

Daarmee is de betekenis van dit gedeelte echter nog niet uitgeput. In een andere vorm is die er namelijk vandaag weer, evenals een legerplaats zoals ten tijde van de eerste christenen, alleen zijn de kenmerken van deze legerplaats nu in het midden van de christenheid voorhanden. Hoe kon dit gebeuren?

Het Jodendom oefende vanaf het begin een sterke invloed uit op de christelijke kerk. Dit werd door de apostelen nog zeer scherp bestreden. Bijna in elk van hun brieven lezen we daarvan. Maar na het heengaan van de apostelen vestigde deze vorm van joodse geest zich in korte tijd in het Christendom. Wat in de Geest begonnen was, eindigde al spoedig in het vlees.

Men begon grote waarde aan uiterlijkheden te hechten, die aan het Oude Testament ontleend werden: gewijde gebouwen, heilige voorwerpen, kostbare kleding, enzovoorts. De vrije leiding van de Heilige Geest werd vervangen door nauwkeurig gedefinieerde vormen en rituelen. In plaats van de door God gegeven geestelijke gaven kwamen er de geestelijke ambten van priesters en bisschoppen. Dit leidde tot een scheiding van de zogenaamde “geestelijken” en “leken”. Alleen de “geestelijken” waren in staat om bepaalde “heilige handelingen” uit te oefenen. Het algemeen priesterschap van de gelovigen was vergeten (1 Petr. 2:5.9; Openb. 1:6); de vrije toegang van de gelovigen tot God werd weer gesloten (Hebr. 10:19). Deze toestanden kenmerken tot op vandaag het grootste deel van het Christendom. Uiteindelijk kwam het onlangs zelfs tot een nieuwe afwijzing van de Heer Jezus: de eeuwige Godheid en het volmaakt Mens-zijn van Christus, Zijn wonderbaarlijke geboorte, zijn wonderen en tekenen, Zijn volkomen verzoenings- en ​​verlossingswerk aan het kruis en Zijn lichamelijke opstanding worden in het christendom op grote schaal niet meer als feiten die noodzakelijk zijn voor redding geloofd,  maar soms zelfs openlijk geloochend. Zo wordt Christus, het Hoofd van Zijn Vergadering (gemeente), opnieuw verworpen door degenen die zichzelf nog steeds naar Zijn naam “christenen”  noemen. Het Christendom, vertegenwoordigd door de grote wereldkerken en de nationale kerken, draagt ​​in sommige opzichten hetzelfde karakter als het jodendom in de tijd van de Heer Jezus. Er is zelfs vandaag nog – zij het op een andere manier dan het toen was – in het christendom een legerplaats, die wordt gekenmerkt door religieuze vormen en ten dele al aan openlijke afval van God begonnen is.

3. Afzondering

Wel zijn in deze christelijke organisaties, die op het Joodse kamp (legerplaats) lijken, vele ware kinderen van God. Ze zijn opgegroeid in deze menselijke religieuze systemen en daarmee emotioneel verbonden. Zij zien de ongerechtigheid dat in het menselijke ingrijpen in de orde van God en in de aanvallen tegen Hem geopenbaard wordt. Maar ze missen vaak de kracht en de moed de stap te nemen die hen uit dit kamp leidt. Misschien vrezen ze ook de gevolgen voor hun verdere leven en de verachting die met zo’n weg verbonden is. Maar ook in de toepassing op onze tijd is er voor iedere christen, die trouw is aan zijn Heer en Hem in Zijn verwerping volgen wil, de oproep van de brief aan de Hebreeën: “Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen”.

Ook de gelovigen die tijdens de toekomstige grote verdrukking met Babylon, de hoer, het beeld van de Kerk zonder Christus, in verbinding staan, wordt toegeroepen: “Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deel hebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen. Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden” (Openb. 18:4-5).

Bij veel christenen is het woord “afzondering” impopulair. Het klinkt hen als farizeïsche arrogantie in de oren. Maar Gods Woord zegt: “Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige” (2. Kor 6:17-18).

De plaats bij de Heer, waar wij ons als Zijn verlosten in Zijn naam vergaderen en waar Hij beloofd heeft in het midden te zijn, deze plaats is ook vandaag een verachte plaats. Hier wordt aan het vlees niets aangeboden, hier wordt de mens geen ereplaats gegeven, maar alle eer en gezag bezit alleen Hij, tot Wie mij uit mogen gaan: onze Verlosser en Heer.

© Bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol