5 jaar geleden

Bijbelstudie over Richteren 1

Enkele gedachten over Richteren 1

Bewuste gemeenschap met God

Jozua 24. Eerst enkele dingen uit het vorige boek, Jozua. In hoofdstuk 24 vinden we iets wat we als achtergrond mee kunnen nemen in onze overdenking van het boek Richteren. In Jozua 24 zien we dat Jozua al de stammen, de hoofden ervan, de rechters en zijn beambten zich voor God stelde (vs. 1). Wat een tafereel! “Zij stelden zich voor God”.

Kennen wij dit ook? Wat betekent dit? Ik denk aan Elia, de man Gods, die zijn leven ook voor God heeft gesteld. Van hem kunnen we lezen in 1 Koningen 17:1: “… Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta”. Net ervoor, in hetzelfde vers, zegt Elia: “Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft …”. Elia was zich ervan bewust dat hij voor de levende God stond. Daarom kon hij ook de boodschap aan Achab brengen. Hij was zich ervan bewust dat God hem zou bijstaan. God kwam hem ook inderdaad te hulp. Elia vertrouwde op God. Ja, hij heeft later ook andere momenten gekend, maar hier in 1 Koningen 17 zien we dat hij in bewuste gemeenschap met God verkeert. Evenals hij stonden ook anderen voor “Gods aangezicht”. Denk maar aan de profeet Elisa (2 Kon. 3:14) en aan Abraham (Gen. 18:22). Een bewuste gemeenschap met God is onontbeerlijk ook voor ons.

Jozua schildert in hoofdstuk 24 de bemoeienis van God met Zijn volk. Hij laat de afkomst zien van het volk en hoe zij er toen voor stonden. “Zij hebben andere goden gediend” (vs. 2). Ook onze afkomst was en is ook niet zo fraai. Ook wij “waren dood in misdaden en zonden” en “verkeerden in de begeerten van ons vlees” en waren van nature “kinderen van de toorn” (Ef. 2:1-3).

Vervolgens schildert Jozua Gods genade en barmhartigheid in Zijn handelen met Zijn volk. Ook wij hadden en hebben te maken met God Die rijk is aan barmhartigheid en Die ons vanwege Zijn grote liefde liefgehad heeft, levend gemaakt met Christus en heeft ons uit genade behouden (zie o.a. Ef. 2:4-5). Maar ook nu, nu wij kinderen van God zijn, ervaren wij Zijn rijke barmhartigheid en liefde in Zijn handelen met ons – zowel persoonlijk maar ook als Zijn volk. Zegt Jeremia het ook niet: “Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is! Nieuw zijn ze, elke morgen; groot is Uw trouw!” (Klaagl. 3:22-23)? Is dat ook niet op ons van toepassing?

Een bewuste keus

Jozua gaat door en toont verder hoe God Zijn volk in het beloofde land brengt. Een land waaraan zij niet gewerkt hadden, een land dat God hen gegeven had (vs. 13). Dan komt het waarheen Jozua hen brengen wil, namelijk “Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de HEERE” (vs. 14). Jozua roept het volk op om de Heere te dienen en te vrezen. Iets wat wij ook vandaag nodig hebben. Hebben wij het er beter af gebracht dan het volk Israël? Nee toch! Noch persoonlijk, noch gemeenschappelijk! Maar mocht het zo zijn dat het volk toch liever “de goden” wilde dienen, laat Jozua zelf duidelijk zien voor Wie hij gekozen heeft. Het gaat hier immers om de keus van het volk. Ook het Nieuwe testament laat ons zien dat het om een keus van ons hart gaat. Een bewuste keus. Ik denk daarbij onder andere aan Handelingen 11 vers 23: “En toen hij daar gekomen was en de genade van God zag, werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan om met een hartelijk voornemen bij de Heere te blijven”. De genade van God kan gezien worden en het is goed, dat ook wij die opmerken, wederom persoonlijk en gemeenschappelijk. Maar als we die dan ook zien, laten we dan ook deze vermaning “ter harte nemen” van een man die de genade van God zag bij deze gelovigen uit Antiochië.

Wat is dan deze vermaning, deze aansporing: om met een hartelijk voornemen – ofwel met een voornemen van het hart – bij de Heer te blijven? Dat vraagt om een besluit, een bewuste keus. Misschien doen we dat deze dagen wel opnieuw. Met een voornemen van het hart bij de Heer blijven. Dat is nodig om met Hem in gemeenschap te blijven of ook om onze gemeenschap te herstellen en/of te vernieuwen. Bij Jozua was het duidelijk: “Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!” (vs. 15b). Dit was een oprechte keus van Jozua die hij ongetwijfeld in ootmoed en nederigheid genomen en ten uitvoer gebracht heeft. Jozua openbaarde hier het kenmerk van een ware gelovige, namelijk dat deze zich van de afgoden tot God bekeerd heeft om de levende en waarachtige God te dienen (zie 1 Thess. 1:9-10). Het is dus a) een zich afkeren van de afgoden, en b) het zich wenden tot God. Het bewijs van een waarachtige bekering. Beide elementen moeten aanwezig zijn. Dat dit uiteraard met berouw van zonden gepaard moet gaan, is duidelijk. Maar ook de verwachting van onze Heer Jezus uit de hemelen is daar onlosmakelijk mee verbonden. Ik moet beknopt blijven dus laat ik het hier verder bij.

Het antwoord van het volk – was daar bewust over nagedacht? (vs. 16-24)

Maar hoe reageerde het volk? Leest u maar vers 16-18. Wel, Jozua, daar kon je toch wel blij mee zijn. Hier kon je toch wel heel dankbaar mee zijn. Toch reageert Jozua anders. Hij wijst er op dat een en ander gepaard moet gaan met erkenning van overtredingen en zonden. Dat moet wel beleden worden. God is immers een heilig God en kan en zal de zonde zeker niet door de vingers zien. Dit was niet zo herkenbaar bij het volk. Zij steunden veeleer op eigen kracht en blaakten van zelfvertrouwen. Dat onderkende Jozua. Had het volk in Exodus 19 vers 8 ook niet beloofd de wet te zullen houden? “Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE”. En hoeveel was daarvan terecht gekomen? Als God gehandeld had naar de wet, was er niet één overgebleven! Nee, God bewees barmhartigheid en genade. Jozua had hen in dit hoofdstuk laten zien dat het Gods ontferming en genade was, waarop geheel hun geschiedenis gebaseerd was.

Het volk antwoordde wel drie maal dat zij de HEERE wilden dienen (1. vs. 16-18; 2. vs. 21; 3. vs. 24). Zoals gezegd, Jozua doorzag het volk en wees hen na de eerste keer dat de HEERE heilig is en een naijverig God en hun de overtredingen niet zal vergeven (vs. 19). Een ernstige boodschap.

Het volk antwoordde daarop: “Nee, wij zullen voorzeker de HEERE dienen” (vs. 21). Jozua antwoordde daarop dat het volk de vreemde goden moesten wegdoen en de HEERE moesten dienen. Dit was niet de eerste keer dat hij dit zei (zie vs. 14, na zijn overzicht en toespraak). De verzekering van het volk klonk nogal zelfbewust en beslist: “Wij zullen de HEERE dienen …”. Ja, zij waren ook door de Jordaan getrokken.

Wat betekent voor ons, door de Jordaan trekken:

Jordaan:

a) De waarheid te leren kennen en verwerkelijken dat God onze oude mens in het sterven van Christus geheel heeft veroordeeld;

b) begrijpen en ernaar leven dat er in ons totaal geen goeds woont.

Om verder te gaan, ook Gilgal hadden zij meegemaakt. Het volk was daar besneden. Voor ons betekent dat:

a) Elke werkzaamheid van ons vlees – onze oude natuur – direct afsnijden, niet laten gedijen (Kol. 3:5; Rom. 6:11-14);

b) vervolgens onze oude natuur geheel in de dood houden (Rom. 6:10).

Wat hier van de toepassing op ons gezegd is, kunnen we uiteraard zelf opzoeken in het Nieuwe Testament. Zeer de moeite waard en zeer leerrijk.

Dus alles wat van onszelf is, wat uit onze oude natuur komt, wegdoen en volledig op de genade van God en van de Heer Jezus steunen.

Het volk was dus in Gilgal besneden en door de Jordaan gegaan. Dit was een uiterlijke aangelegenheid bij hen gebleken omdat ze nog steeds steunden op eigen kracht. “Wij zullen …”. Hoe is dat bij ons?

Het is goed op de geschiedenis van het volk te letten ook met deze dingen. Het volk verliet binnen korte tijd immers de Heer door de zonde van het gouden kalf (Ex. 32). Hierdoor onteerden zij God op een vreselijke wijze. Zo is het ook hier in Jozua 24 met deze belofte – die uitmondde in een verbond – gegaan (vs. 25). Ook het nieuwe testament laat ons zien hoe het kan gaan als we ons vertrouwen op onszelf stellen en herinner mij daarbij aan de belofte en goede voornemens van Petrus. Hij was zelfs bereid met de Heer Jezus de dood in te gaan (zie Luk. 22:33). Het was en is hoogmoed als we denken dat wij het wel redden en dat wij op ons eigen verstand en intellect en kunnen vertrouwen. Het resultaat hiervan zien we ook bij Petrus: hij verloochende de Heer Jezus tot driemaal toe. Petrus volgde van toen af aan de Heer op een afstand. De verkoeling was al ingetreden. Zijn harte-toestand was verre van gelukkig.

Nu verlaat ik het boek Jozua (hoewel er natuurlijk nog veel meer over gezegd kan worden) en begin ik met het boek Richteren, want daar vinden we – onder andere – hoe het met het volk Israël verder gegaan is.

RICHTEREN 1

Dit boek houdt ons bezig met de geschiedenis van het volk Israël in het beloofde land. Kenmerkend is wel dat we hier vinden dat God gebruikt maakt van zwakke, instrumenten, vaten, om Zijn volk te verlossen van Zijn vijanden.

Het boek begint met: “… na de dood van Jozua”. Van hem hebben we al iets van gezien. Richteren houdt zich dus bezig met de periode met de geschiedenis van Israël in het beloofde land ná de dood van Jozua. Deze periode duurde 320 jaar (Rossier). Er wordt verschillend gedacht over de lengte van deze periode. Hier houd ik me verder niet mee bezig. In dit boek zien we dat het volk zich telkens van God afkeerde. Zij waren daarvoor gewaarschuwd door Jozua met de woorden uit Jozua 23. Laten we de volgende verzen lezen:

HERZIENE STATEN VERTALING:

6 Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links,

7 Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer.

11 Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.

12 Want als u zich op enigerlei wijze hiervan afkeert en u vastklampt aan de rest van deze volken, deze hier die bij u overgebleven zijn, en u huwelijksbanden met hen aangaat, en u zich met hen zult inlaten en zij met u,

13 weet dan zeker dat de HEERE, uw God, niet zal doorgaan met het verdrijven van deze volken uit hun bezit van voor uw ogen. Maar zij zullen een strik en een val voor u zijn, een gesel op uw zijden en prikkels in uw ogen, tot u verdwenen bent uit dit goede land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.

NBG VERTALING:

6 Weest zeer standvastig in het onderhouden en volbrengen van alles wat geschreven staat in het wetboek van Mozes, opdat gij daarvan niet afwijkt naar rechts of links,

7 en zodat u zich niet inlaat met deze volken, deze hier die bij u overgebleven zijn. U mag niet aan de naam van hun goden denken en er niet bij laten zweren. U mag ze niet dienen en u er niet voor neerbuigen.

11 Neemt u zorgvuldig in acht en hebt de HERE, uw God, lief;

12 want indien gij u afkeert en het overschot van deze volken, die nog bij u overgebleven zijn, aanhangt, u met hen verzwagert en u met hen inlaat en zij met u,

13 weet dan voorzeker, dat de HERE, uw God, deze volken niet verder voor u verdrijven zal; dan zullen zij u worden tot een strik en een val, tot een gesel op uw zijden en dorens in uw ogen, totdat gij vergaan zult uit dit goede land, dat de HERE, uw God, u gegeven heeft.

Bewuste gehoorzaamheid aan God en opnieuw … gemeenschap met God

Dit lijkt me duidelijke taal. God is altijd duidelijk. Als het voor ons niet duidelijk is, ligt dat vaak aan onze ongehoorzaamheid, aan ons afwijken naar rechts of naar links, aan onze afwijkingen. (Tussen haakjes: Eerst wordt hier rechts genoemd … het is dus niet zo als men naar links afwijkt – wat dan ook moge inhouden – dat dit erger is dan naar rechts. Deze termen horen we ook wel eens onder ons. Laten we altijd voorzichtig zijn en beide afwijkingen vermijden). Ook aanpassingen aan de ‘wereld’ – óók aan de zogenaamde christelijke wereld – om ons heen zijn verhinderingen om het Woord van God te verstaan. Als onze gemeenschap met de Heer bijna ‘nihil’ is, verliezen we de “zegeningen van het land”, het genot ervan is verdwenen. Leven met de Heer en het ‘houden van Zijn geboden’ – het vasthouden van het Woord van God – is de enige remedie tegen onze geestelijke ondergang en bewaard ons voor verslapping in ons geloofsleven alsmede voor het “gelijkvormig worden” aan deze wereld. En … “resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst”.

Dus ervaringen in het verleden, overwinningen bijvoorbeeld, stellen ons niet in staat om nu een overwinning te behalen. We hebben Zijn hulp, steun en kracht elke dag nodig. Niet één keer in de 25 jaar! Daarom is dagelijkse omgang met Hem onontbeerlijk. En zegt de psalmist niet zo mooi: “Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, Zijn verbond maakt Hij hun bekend” (Ps. 25:14). De Heere beloont ons verlangen en ons streven om in gemeenschap met Hem onze weg te gaan. En alleen wanneer we ons in Zijn nabijheid bevinden, zullen de ervaringen uit het verleden ons tot nut kunnen zijn. Herinnert u zich dat maar eens. Hoe heerlijk was zijn trouw en liefde in moeilijke tijden, hoe indrukwekkend zijn vertroostingen voor onze ziel geweest toen een groot verdriet in ons leven binnendrong. Wederom een psalm: “Toen mijn gedachten binnen in mij zich vermenigvuldigden, verkwikten Uw vertroostingen mijn ziel”.

Karakter van het boek Richteren – verantwoordelijkheid

We zouden kunnen zeggen dat het boek Jozua ons wijst op het in bezit nemen van Kanaän, dus – toegepast op ons – “de hemelse gewesten” uit Efeze. Het boek Richteren laat ons herhaaldelijk zien dat het volk Israël wat hun verantwoordelijkheid betreft schromelijk gefaald heeft. Dan kunnen we denken aan de brief van Paulus aan Timotheüs, met name aan de 2e brief.

Zijn wij zo als eens voor de Heere geweest en Hem ons falen beleden. Dat betekent bij naam noemen wat we verkeerd gedaan of gedacht of geleerd hebben. Moeten wij – vooral als oudere broeders en zusters – (brusters) ook niet erkennen cq belijden dat we ons teveel hebben laten ontmoedigen door allerlei twisten. Hebben we niet teveel ons laten “inpakken” door de vijand en daarom gestopt met het bouwen aan het huis van God. Murw geslagen! Heel begrijpelijk … en wel vooral voor de jongeren. De gemeente gezien als het huis van God is behoorlijk in verval geraakt. Dat is waar! Maar dat betekent niet dat we ‘de harp maar in de wilgen moeten gaan hangen’, als ik deze uitdrukking eens mag gebruiken.

Een broeder zei eens tijdens onze gesprekken in verband met bepaalde moeiten in de gemeente, dat een weinig “zuurdeeg” het geheel deeg doorzuurt (1 Kor. 5:6). Dat duidde op het feit dat verkeerde leringen ook het gehele getuigenis in gevaar brengt (doorzuurt). Zodra er dingen in ons leven niet in overeenstemming zijn en we worden door de Heilige Geest daarbij bepaald, dan is voor ons persoonlijk geloof cruciaal dat we dit direct wegdoen. Is dat dan anders als het gaat om “kwaad” dat zich het midden van de gemeente heeft ontwikkeld? Natuurlijk moeten we wel daarbij de schriftuurlijke gang van zaken toepassen. Maar niet allen hebben zich daaraan onderworpen en daardoor het noodzakelijke handelen zodanig vertraagd, dat velen zijn afgehaakt, vooral jongeren. Te snel oordelen en handelen is zeker niet naar Gods gedachten. Er moet wel eerst goed en gedegen onderzoek plaats vinden. Maar te langzaam of helemaal niet handelen, en het op de lange baan schuiven, is uitermate funest naar mijn overtuiging. Als we dit ook in onze persoonlijke omgang met de Heer doen, zullen onze zielen zeker schade lijden. Moeten we in dit opzicht ook niet onze hoofden buigen en onze harten voor Hem verootmoedigen? Ook in onze gezinnen is misschien wel het een en ander helemaal verkeerd gegaan, zonder dat we er erg in hadden. Dan is het zaak ook dit te belijden en vervolgens werken aan herstel! Dat kost veel tranen, veel gebed, veel onderzoek in het Woord van God, vooral ook belijden wat verkeerd was en is … maar de Heer wil en zal dit zeker zegenen!!!

In Richteren vinden ook zo uitermate de trouw van God tegenover de ontrouw van mensen. GOD IS GETROUW!!! Hier wil ik het woord uit Klaagliederen aanhalen: “Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is! Nieuw zijn ze, elke morgen; groot is Uw trouw!” (Klaagl. 3:22-23).

Deel I: Vers 1-16: Deze vormen een inleiding waarin de beginselen van het komende verval zichtbaar worden.

Loven … luisteren .. afhankelijk … onafhankelijk

Er komen verschillende personen in dit boek naar voren, maar ook in dit hoofdstuk. Eén ding kenmerkte hen wel, denk ik, dat het ‘zwakke werktuigen’ waren. Dat zullen we D.V. deze dagen nog wel zien.

Het beging met de vraag wie er onder ons het eerst optrekken tegen de Kanaänieten? Dit is een externe vijand. Maar aan het eind van het boek vinden we ook een soortgelijke vraag (Richt. 20:18). “Wie zal het eerste optrekken?” Maar nu was het om te strijden tegen Benjamin (zoon van de rechterhand), hun eigen broeder. Wat een trieste ontwikkeling ligt er tussen deze beide gebeurtenissen!

Ik citeer nu een broeder:

BEGIN <<Wij zullen de weg tussen deze twee punten traceren: een afdaling zoals dat van “Jeruzalem naar Jericho”, niet ononderbroken, maar het oversteken van een bergketen, zoals, door soevereine genade van de Heer, het omhoog stijgt boven de lage mist en moerassen van ongeloof, en gaat over enkele werkelijke hooglanden van geloof, waar een “hoogwaardig persoon” zijn woonplaats heeft: een Gideon, een Barak, een Jefta; maar elke volgend hoogland ligt iets minder verheven dan zijn voorganger, elk voorzien van vruchten van een beetje meer aardse smaak, een beetje minder hemels; terwijl elk moeras dat volgt lager ligt, steeds lager, en gevuld is met een meer verderfelijke modderige klei van een diepere afvalligheid dan de vorige>> SLOT.

Vers 1-4

Juda betekent zoiets als “Hij zal geprezen zijn” (ik meen ook “God lover” of alleen “lof”) en Simeon betekent “luisteren”. Deze beide elementen zijn belangrijke elementen voor een overwinning: het eren en loven van God en het luisteren naar God. Geven wij ook God de eer die Hem toekomt en luisteren wij naar Zijn stem? We vinden hier niet iemand die de leiding heeft, zoals na de dood van Mozes Jozua (zie Joz. 1:1). Het volk moet nu zelf aan het werk, zelf initiatieven nemen. Ze zijn nu aan zichzelf overgelaten.

Maar hoe zal zich dit ontwikkelen? Wel, ze beginnen goed, ze vragen het aan de Heer. Ook een goed voorbeeld voor ons. Eerst de Heer vragen, dan (eventueel, zoals Hij het aanwijst) aan het werk. De Heer geeft hen ook antwoord. Dat doet Hij altijd als we Hem vragen. We moeten echter dan wel luisteren. Net zoals Samuël in het begin. (zie maar 1 Sam. 3). Samuël sprak op aanwijzing van Eli het volgende zeer belangrijke tegen de Heer: “Spreek HEERE, want Uw knecht hoort” (vs. 10). Geven wij ook acht op wat dienaars van de Heer zeggen of hebben gezegd? Het was dus niet: “Luister HEERE, want Uw knecht spreekt”. Maar het boek Richteren laat ook zien dat het niet zo blijft. Het begin was goed maar dan … We kunnen op verschillende plaatsen ontdekken dat het volk de Heere verlaat. Ik noem er willekeurig enkele: 2:8-13 v.v.; 3:7,12; 6:1; 8:32-35 enzovoorts. Als we nu openbaring 2 opslaan lezen we het volgende:

“Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die te midden van de zeven gouden kandelaren wandelt: Ik ken uw werken, uw inspanning en uw volharding, en weet dat u slechte mensen niet kunt verdragen, en dat u hen op de proef hebt gesteld die van zichzelf zeggen dat zij apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat u hebt ontdekt dat zij leugenaars zijn. En u hebt moeilijkheden verdragen, en volharding getoond. Om Mijn Naam hebt u zich ingespannen en u bent niet moe geworden. Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten. Bedenk dan van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, dan kom Ik spoedig bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert. Maar dit hebt u vóór, dat u de werken van de Nikolaïeten haat, die ook Ik haat. Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de Boom des levens, die midden in het paradijs van God staat” (vs. 1-7).

Hier is veel uit te leren, maar het gaat mij nu alleen om het volgende.

Ook hier vinden we dat het goed begon. Er worden enkele zeer positieve dingen van deze gemeente gezegd. Daaraan ging – en gaat vandaag – de Heer Jezus beslist niet voorbij. Maar wat moet de Heer toch ook tegen hen zeggen? “Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten”. De Heer gaat dieper dan de oppervlakte, waar alleen maar goede dingen te zien waren, tenminste zo lijkt het. Vandaag de dag zouden velen misschien ook wel zeggen: Deze gemeente ziet er heel gezond uit en bruist van geestelijke kracht. Maar toch ontbrak er iets. Iets dat heel essentieel is en absoluut niet mag ontbreken. En dat is “de eerste liefde”. Deze eerste liefde is niet de blijdschap en de opgewondenheid (zoals een broeder ooit eens schreef) van het “eerste uur” toen we tot geloof kwamen. Hoewel dat op zich natuurlijk geweldig is en voortkomt uit het feit dat we tot de Heer Jezus kwamen. Maar wanneer deze opgewondenheid en blijdschap wat geluwd is, kan men gaan denken dat “de eerste liefde” verlaten is. Wel, dat is helemaal niet het geval. Deze opgewondenheid en blijdschap hebben plaats gemaakt voor een kalme en rustige houding en beleving van de dingen die de Heer Jezus gaf en geeft en die we steeds meer in Hem ontdekken. Nee, de eerste liefde is de gelukkige en innige verbondenheid van liefde met de Heer Jezus Die zichzelf voor mij/ons uit liefde gegeven heeft (verg. Gal. 2:20, Ef. 5:25). Het is datgene in ons wat de vrucht is van Zijn grote liefde. Het is de Heer Jezus Die het enige voorwerp is van mijn liefde. Dat is de eerste liefde die al vanaf net begin aanwezig was, toen ik Hem en Zijn liefde leerde kennen. “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefhad” (1 Joh. 4:19). Deze liefde wil de Heer Jezus graag zien, daar verlangt Hij naar. Hij wil graag zien dat Hij het enige Voorwerp van geluk en blijdschap voor ons is. Dat is dus een innerlijke aangelegenheid, die te maken heeft met de motieven het hart en daaruit voortvloeiend de werken.

Hoe zouden wij reageren als de Heer dit tegen ons zou zeggen? “Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten”. 

Afhankelijkheid en onafhankelijkheid van God

Maar wat doet Juda nu? Hij gaat niet alleen ten strijde maar zoekt hulp van zijn broer Simeon. Deze luistert naar zijn broer en helpt hem. Maar vertoont Juda hier niet een teken van zwakte in het vertrouwen op de Heer? Hij vraagt de Heer, dat is goed en vervolgens gaat hij naar Simeon. Maar hoe mooi ook de naam klinkt van Simeon en in haar toepassing geheel juist is, namelijk dat het luisteren van groot belang is – toch kan ook Simeon niet redden en helpen en iets toevoegen aan Hem Die alleen de overwinning geven kan. Dat had Juda moeten weten en daarnaar moeten handelen. Juda maakt zich afhankelijk van een broeder en daarmee maakt hij zich onafhankelijk van God. Zou God hem niet kunnen en willen helpen in de allergrootste moeilijkheden en tegen de allergrootste vijanden? ABSOLUUT!!! Maar daarvoor is “bewuste gemeenschap” nodig!!! Daarvoor moet je tijd vrij maken. Niet even de Heer vragen en vervolgens je eigen gang gaan. Nee, een bewuste gemeenschap met God vraag naar de Heer en Zijn sterkte … zoekt daarom in Zijn Woord naar licht en wijsheid, naar hulp en steun. Dat gaat niet even tussen neus en lippen door. En moeten we hier niet allen misschien ons hoofd buigen. Hoeveel tijd nemen we om in gemeenschap met God Zijn Woord te lezen en te onderzoeken? Is dat niet onrustbarend weinig? Daardoor missen we Zijn aanwijzingen voor ons leven en voor onze dienst voor en met Hem. Het is nodig dat we naar Hem luisteren en in afhankelijkheid van Hem onze strijd aangaan!

CITAAT:

BEGIN: Er bestaat ook het gevaar van “vleselijke onafhankelijkheid” als gevolg van trots of ijdelheid. Men gaat dan alleen op pad omdat men trots is op eigen kunnen en de hulp van anderen als “afgaan” beschouwt. Maar op sommige momenten gingen ook alle stammen tezamen: elke hulp gold dan voor allen. Er bestaat in een bepaalde betekenis, een bepaalde omstandigheid, waarin elke gelovige afhankelijk is van allen als leden van één lichaam. Maar zelfs dit is in volledige en gemeenschappelijke afhankelijkheid van een ieder van het Hoofd: van Christus. Dit is hier echter niet het geval. Het vertrouwen op Simeon is het tegenovergestelde dan het vertrouwen op de Heer. SLOT.

Waarom strijden?

Hierop geeft het boek Richteren ook antwoord. In Jozua zien we dat het volk ‘overwinnend’ beloofde land wordt binnen gevoerd. Jozua is daar het voorbeeld (zo u wilt ‘type’) van de krachtige werking van de Geest van Christus. In Richteren zien we wat het volk met de zegeningen in het land die God hen schonk, gedaan heeft. Het gaat hier in dit boek vooral ook om de verantwoordelijkheid. Wat hebben zij gedaan met datgene wat God hen schonk? Hebben zij stand gehouden en de geweldige voorrechten die God hen in vertrouwen schonk, ook gewaardeerd? In de dagen van Jozua, dus toen Jozua nog leefde, vreesde het volk God. Hier in Richteren zien we een treurig verval.

We voelen direct aan dat dit ook ons iets te zeggen heeft. Wat hebben wij – en wat doen wij – met de ‘geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten’? (Ef. 1). Genieten wij er nog van? Als we willen stand houden, moeten wij immers ook onze wapenrusting aan hebben? (Ef. 6). Omdat er verval intrad na Jozua – zoals we zien in Richteren – komt de tweede brief van Timotheüs in beeld. Daar vinden we dat door de ontrouw van de gemeente zij haar oorspronkelijke standpunt niet is blijven innemen. Zij heeft aan de vijand “ruimte” gegeven en deze de gang laten gaan en zo in staat van verval gekomen. Zij heeft haar strijd opgegeven.

Hoe is het met ons? Moeten wij niet ons heerlijk standpunt als gemeente blijven innemen en de geestelijke strijd voeren in de kracht van Zijn sterkte?

Toen Jozua nog leefde was er nog de werking van de geest van Christus. Toen de apostelen er nog waren was er nog de krachtige werking van de Heilige Geest. Toen Jozua stierf trad het begin in van verval. Nadat de apostelen er niet meer waren, trad het verval spoedig in. De apostel Paulus wijst hierop – zoals we in Handelingen 20 (zie vooral vs. 29-30) lezen kunnen.

Het verloop van de strijd

Juda had dus niet bij Simeon hulp moeten zoeken. Het was weliswaar niet een deal met de vijand, maar met zijn eigen broeder. Niet broeders. Zover ging hij nog niet. Het was dus ook kleingeloof van Juda. Deze overeenkomst was een verkeerde. Eigenmachtige, onafhankelijke overeenkomsten sluiten om een werk van de Heer te doen of het getuigenis van God in stand te houden, zijn niet uit God. God had iets aan Juda beloofd (zie vs. 2).

Vers 5-9 (kort)

Ondanks dat hielp God hen tóch (zie vs. 4). Maar in hun overwinningsroes gingen zij over tot wraak, leren ons de volgende verzen (vs. 4-7). Adóni-Bézek kende de hier beschreven methode. Zoveel overwonnen koningen verhoogde immers zijn status, zijn roem. Maar nu overkwam het hemzelf. Hij zag daarin terecht de rechtvaardige straf van God en boog zich daaronder. Daarmee toonde hij berouw over zijn wrede handelwijze.

Vers 10 en 11

In Jozua 15 vinden we dat m.b.t. Hebron niet Jozua maar Kaleb wordt genoemd en wat hier beschreven wordt aan hem wordt toegeschreven. Dat is ook wel te begrijpen, want het leven van Kaleb immers wordt gekenmerkt door vrijmoedig geloof, door vertrouwen en door kracht. Hij liet zich niet imponeren door ‘reuzen’ maar geloofde en vertrouwde op de kracht van God. Dat vinden we al bij hem toen hij nog veel jonger was (40 jaar). Hij was één van de twee verspieders die ‘standvastig’ bleven toen de andere verspieders onder de tafel kropen (zie Num. 13:30; 14:6-10; vs. 24: de beloning daarvoor).

In Jozua vindende bij de beschrijving van het erfdeel van Israël, dat Kaleb Jozua herinnert aan het woord van de Heere. Kaleb was dit niet vergeten, hoewel hij al ‘enkele’ jaren ouder was, namelijk 85 jaar oud. Daaruit blijkt dat het hem uitermate interesseerde en hij er graag bezit van wilde nemen (zie Joz. 14:6-15).

Kaleb betekent: “Een hond: heel moedig/trouwen” maar ook “met het gehele hart”. We vinden wel meer mannen met moed en trouw in Richteren, waarvan het gehele volk voordeel had. Dat is vandaag niet anders. Persoonlijke trouw is van nut ook voor het geheel. Bij opwekkingen in de gemeente waren het ook de enkelingen die trouw waren. Neem nu Nehemia. Ook hij was trouw aan God en diep geraakt door het verval. Hij ging echter niet bij de pakken neerzitten en het resultaat was – onder andere – dat het volk zich ging verblijden toen zij de resultaten zagen van de volharding van Nehemia (zie Neh. 12:44b). Door toedoen van Kaleb overwon Juda. Dit is natuurlijk wel beschamend voor het geheel. Ook zij hadden trouw moeten zijn zoals deze enkeling. Dat geldt ook voor vandaag.

Dat Hebron “gemeenschap” betekent is ook mooi om te zien. Daarvan hebben we al gesproken (zie boven).

Andersom is het ook bedroevend, wanneer de mannen die door God gebruikt werden, de mannen Gods dus, ontrouw worden en door hun ontrouw het geheel wordt verzwakt. Laten wij ons beijveren om het karakter van Kaleb te voeden en te vertonen (Kaleb bleef met zijn gehele hart de Heer trouw en vertoonde geloofsmoed). Als wij dit doen, zullen anderen die zich hebben laten ‘imponeren’ door de vijand – zowel die van buiten als die van binnen, de externe en de interne – bemoedigd worden om ‘de hand aan de ploeg te slaan’, om ‘te gaan bouwen aan het huis van God’. Het zal hen zeker positief inspireren.

Vers 12-15

De invloed van Kaleb op Othniël – Achsa

Kaleb was met Jozua de enige van de mannen die bij de uittocht boven de 20 jaar waren en Kanaän bereikten. Kaleb inspireerde ook Othniël. Othniël betekent: “Mijn kracht is God” of ook: “op de juiste tijd spreken van God”. Wel, dit zien we duidelijk bij Othniël. Zijn kracht kwam van God en nam Kirjath-Sefer (“stad van het boek”) in. Hij werd later zelfs de eerste richter van Israël (3:7-11). Waarom nam Othniël deze stad in? Deze ‘stad met het boek’ kon Othniël niet weerhouden, want hij wilde niet alleen familie zijn van Kaleb als zijn trouwe oom, maar wilde een nauwere relatie tot Kaleb. Een relatie die hem het genot van het huwelijk schonk met Achsa. Zo kreeg hij een andere relatie met Kaleb, namelijk die als schoonzoon. Dit had als gevolg dat hij in aanmerking kwam voor een erfdeel. Zo bezat hij als man van Achsa zelf een erfdeel.

Othniël neemt dus ‘Kirjath-Sefer’ in, dat vertaald wordt met: ‘de stad van het boek’, en veranderd wordt in ‘Debir’, een levende ‘orakel’. Precies dat is wat geloof doet met Gods Woord. Voor de eerste mens is het maar een boek, dat hij dan behandelen zou ‘als elk ander boek’. Maar voor het oor van het geloof echter is het de levende stem van de levende God. Er is nog steeds ruimte voor Othniëls in onze tijd. Hoe is dat met ons? Willen wij ook wel zo’n Othniël zijn?

Achsa doet bewust een verzoek

Achsa betekent:  “rinkelen” of “voetring”. Zij vertoont trekken van haar vader. Mogelijk heeft zij opgemerkt of gehoord van de ‘vrijmoedigheid van het geloof’ van haar vader. Zij vond het niet genoeg om een eigendom te hebben maar het moest ook vruchtbaar zijn. Het moest ook iets voor haar betekenen kunnen. Ze moest er ook van kunnen genieten, er de vruchten van kunnen genieten. Dat geldt ook voor ons. We hebben dan weliswaar de geestelijke zegeningen in onze bijbel staan maar zijn ze ook ons eigendom, kunnen we er ook van genieten. Achsa was hiervan goed doordrongen. Wij ook?

Achsa was de dochter van een bekende man, Kaleb, en kwam daarmee in de openbaarheid. Toch is het daardoor niet naar haar hoofd gestegen door daarop verwaand te roemen of haar daarop voor te laten staan. Dat gebeurt helaas maar al te veel. Ongetwijfeld heeft Othniël ook haar daarvoor gewaardeerd.

Zij trad in het huwelijk met Othniël die ook om haar gestreden heeft (vs. 12). De bruiloftsschat van haar vader was een veld, wat een dor stuk land bleek. Zoals gezegd nam zij daarmee geen genoegen. Dit land namelijk lag naar het zuiden toe zodat de volle zon erop brandde. Achsa had eerst haar man al aangespoord om een “veld” te vragen. Dit bezat ze nu. Maar met een ‘veld’ zonder mogelijk genot, zonder vruchtbaarheid, zonder waterbronnen die daarvoor konden zorgen, was zij niet tevreden.

Zij was als jonggehuwde bezorgd zoals Gods Woord het beschrijft (Spr. 31:10-31). Zij zette zich in voor haar gezin en drong er bij haar vader op aan om ook bronnen erbij te geven. Zonder deze bronnen had het voor haar geen waarde. Haar man Othniël greep blijkbaar niet de kansen om dit aan zijn schoonvader, Kaleb, te vragen. Misschien zag hij er ook wel tegenop dit haar vader te vragen. Toen deed ze dat zelf. Ongetwijfeld in het vertrouwen dat haar vader dit haar niet zou weigeren. Vrijmoedig! maar niet brutaal of vrijpostig. Zo mogen wij ook goede en grote dingen van God vragen en verwachten. Daarmee eren wij Hem!

Achsa kreeg toen ‘hoog- en laaggelegen bronnen’. Zij was een vrouw die grote verlangens had. Deze verlangens hielden verband met de zegeningen van het land Kanaän. En dat is wel het hoogste wat ook wij kunnen verlangen, namelijk naar de zegeningen van het ‘hemelde Kanaän’, naar de zegeningen in de hemelse gewesten. Daarin is zij ons zeker tot voorbeeld.

Ook wij bezitten in Christus een prachtig Zuidelijk land, een land van zon en warmte, een land van vruchtbaarheid en schoonheid, maar we moeten dat bezitten, zodat het ons in staat stelt om ervan te genieten. De hoge en de lage bronnen hebben we nodig, zowel in het bergland als in de valleien. “Want bij U is de bron van het leven; in Uw licht zien wij het licht” (Ps. 36:10).

U BENT DE BRON VAN LICHT EN LEVEN

‘Ik weet ook wat het is overvloed te hebben’ (Fil. 4:12) is de ‘hooggelegen bron’, als alles goed is en de zon van voorspoed en overvloed vol op mij schijnt; wanneer ik 1 uur op de bergtop ben, waar glorieuze verre uitzichten naar alle kanten en de gezondheid-gevende lucht wordt beantwoord door een opwinding van vreugde van binnenuit, dat is de ‘hoge bron’. Maar Paulus heeft ook nog een andere bron, want hij voegt eraan toe: ‘in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd te zijn als in honger te lijden, zowel in overvloed te hebben als in gebrek te lijden’. Dat is de ‘lage bron’, die spreekt van gebrek en nood en leegheid, wanneer God Zijn geliefd kind bij de hand neemt, en hem misschien eerst omlaag leidt, met een met tranen gevuld oog, in de vallei van vernedering waar de nederige bloemen groeien, en stille wateren stromen. Wordt door dit alles onze Heer Jezus niet veel kostbaarder? En is Hij niet de ware Bron van alle verkwikking? Ja, inderdaad, op Zijn gebied – Christus – heeft Paulus “hoge en laaggelegen bronnen” van volmaakte tevredenheid gevonden in welke toestand hij ook was. Nooit was het nodig dat Achsa buiten haar “gebied” moest gaan; zij kon daar haar huis bouwen en erin blijven. Hebben u en ik ook al geleerd, dat we “in Hem volmaakt” zijn, en dat het enige wat nodig is te weten dat Hij in alle behoefte voorziet en wij “in Hem blijven”?

Hoewel hier misschien – vanwege de leeftijd – niet in directe zin van toepassing nog het volgende waarmee we onszelf, onze kinderen en kleinkinderen iets kunnen leren.

Overgenomen van een website:

BEGIN:” <<Sommige vrouwen drijven hun mannen op: ‘Zorg toch eindelijk eens voor loonsverhoging; zorg voor een bijbaan want wij komen met het geld niet rond’. Dat is ook een “aanporren”. Wanneer vrouwen niet tevreden zijn, dan kunnen ze hun man tot vertwijfeling brengen. Maar waar zijn de ‘Achsa’s’ die hun mannen in geestelijke dingen ‘opporren’? Die misschien zeggen: ‘Laten we toch alsjeblieft ook eens zieke en oude broeders en zusters bezoeken’. Of zij herinneren aan deze of gene in de zin van liefdevolle bemoeienis om kinderen van God. ‘Achsa’s’ kunnen toch ook wel eens zeggen: ‘We moesten eens meer gezamenlijk de Bijbel lezen, er zijn op de boekenplank al die vele mooie overdenkingen over het Woord van God, maar ze worden nauwelijks gebruikt’. Een Achsa kan ook voorstellen: ‘Laten we toch regelmatig gezamenlijk onze knieën buigen om te bidden’. ‘Achsa’s’ laten hun mannen – wanneer niet bijzondere omstandigheden om te helpen in de huishouding noodzakelijk is – voldoende tijd om het Woord van God te bestuderen. Zijn er vandaag nog ‘Achsa’s’? Waar zijn ze in de plaatselijke gemeenten? Waar zijn er zulken onder het volk van God?>> SLOT.

Vers 16 laten we over aan hoofdstuk 4 vers 17vv.

Deel II: Vers 17-36: Kenmerken van het verval

Verval is wel iets anders dan afval. Afwijking is al verval. Openbaring 2 en 3 tonen het verloop van verval (Efeze – eerste liefde) naar afval (Laodicéa – uit de mond spuwen).

Vers 17-19

“IJzeren wagens”

Hier vinden we “ijzeren wagens”. Hier vinden we een kenmerk van verval. Vanwege het zich niet afzonderen van de Kanaänieten in het dal, vond er namelijk een vermenging plaats van gelovigen met ongelovigen.

In plaats van de Kanaänieten te verdrijven, waren ze bang voor hen en lieten deze bij hen wonen.

Juda begon goed (vs. 17-18). Geen wonder dat we lezen in vers 19a: “En de HEERE was met Juda”. Maar voor de bewoners in het dal was Juda bang. Waarvoor had hij dan Simeon gevraagd? In zijn eigen leger had hij niet voldoende vertrouwen en daarom had hij Simeon gevraagd. Maar ook in deze had hij hier niet genoeg vertrouwen. Veel erger is, dat Juda geen vertrouwen had op de Heer en op de macht van de Heer. Angst voor de wereld en haar macht voedt de angst. Vertrouwen op de hulp Heer voedt ook het vertrouwen op de Heer. “Vertrouw uw weg aan de HEERE toe en vertrouw op Hem: Híj zal het doen” (Ps. 37:5).

Waren ze dan wat we lezen in Jozua 11 vers 4,6 en 9 en 17 vers 18 vergeten?

Zo heeft Juda eigenlijk de oneindige kracht van God afgewezen en daardoor zichzelf onnodig beperkt. Nu is ijzer een beeld van datgene wat “onweerstaanbaar” is. “IJzer verbrijzelt en vergruisd alles” (Dan. 2:40). Maar er is wel een Arm die dit breken kan, de Arm van God. Voor Hem is ijzer niet meer dan “het kaf van de zomer-dorsvloer” (Dan. 2:35). Het woord van God echter waardeert het vertrouwen op God. Dat vinden we bijvoorbeeld duidelijk in Hebreeën 11:32 en de verzen erom heen.

Vers 20

Kaleb verdreef drie zonen uit Hebron. Hoewel hij meer dan 80 jaar oud is, is hij nog even fris als toen hij 40 jaar was. Hij putte uit de Bron van het leven. Hij was daarom niet bang voor de reuzen. Hier vinden we in hem opnieuw het geloof van één enkele. Wat het geheel niet vermag, doet één getrouwe. Als ook wij zwak en moe zijn geworden in het geloof, dan komt dat onder andere omdat wij vertrouwen op een ‘vleselijke arm’ en niet ‘met ons gehele hart’ (= één betekenis van Kaleb) op de Heer vertrouwen. De kracht van Christus wordt ons deel als wij beseffen dat wij in onszelf (in ons vlees) zwak zijn en geen kracht hebben (2 Kor. 12:9-10).

Vers 21

Hier vinden we dat de Jebusieten niet verdreven worden door Benjamin. In vers 8 zien we dat Jeruzalem door Juda ingenomen was. Dat waren betere dagen blijkbaar. Toch is de vijand er in geslaagd om zich te hergroeperen. De vijand wacht zijn kansen af en geeft zich nooit gewonnen. De verslapping van Israël gaven de Jebusieten de kans om zich bij de kinderen van Benjamin te voegen. Zo vinden we hier dat ze weer samenwonen in Jeruzalem. Dat is ook voor ons een groot gevaar. Dat de vijand weer haar plaats krijgt in de gemeente en daar haar invloed heeft.

Vers 22-26

Het huis van Jozef trok naar Bet-hel. Dat betekent: “huis van God”. Dat klinkt heel goed. Hier vinden we een verrader van een verkeerd kaliber. De belofte dat zijn leven gespaard zou blijven, bracht hem zover. Nadat hij vrijgelaten werd ging hij naar een ander land en bouwde daar een stad met dezelfde naam als zijn stad die verwoest was, namelijk Luz. Luz betekent: “verdorven”. Dat is precies waarheen hij terug keerde, de wereld. In het huis van God, Bet-hel, hoorde hij ook niet. Het was geen geloof wat hem dreef.

In Jozua 2 vinden we ook een verraadster, die echter door geloof wordt geïnspireerd. Daar vinden we Rachab. Zij echter sloot zich aan bij het volk van God.

Vers 27

Ook Manasse verdreef de genoemde steden niet. Daar lezen we dat de Kanaänieten in dat land wilden wonen. Deze wil was dus zo sterk dat zij bleven wonen. Ze moesten wel belasting betalen maar werden niet verdreven. De wil van de wereld kan ook op de gelovige vandaag invloed hebben. Echter dat is alleen het geval wanneer er zwakheid in het geloof in ingetreden en het Woord van God – en de heerlijke beloften daarin beschreven, – niet meer die invloed en kracht uitoefenen die nodig zijn om de vijand te weerstaan.

Vers 29-30

Ook Efraïm en Zebulon verdreven de Kanaänieten niet en laten dezen ‘in hun midden’ wonen. Zij hebben daar blijkbaar geen moeite mee. Zo is het ook in de christenheid gegaan. Hoevelen onder hen zijn werkelijk ‘opnieuw geboren’ en zijn ‘kinderen van God’? Dat is moeilijk te tellen maar we merken af en toe in onze contacten met kerkmensen wel dat er geen levend geloof is maar – zoals het lijkt tenminste – uitsluitend ‘traditie-geloof’. Zij onderscheiden zich ook niet van deze wereld. Zij hebben dezelfde interesses en onderwerpen zich geheel aan de ‘stijl van deze wereld’. Dat vinden we dan ook steeds meer terug in hun bijenkomsten. Hoe triest!!! De Kanaänieten (betekent ‘handelaars’) zijn er in geslaagd mogelijk mede door hun onderhandelingsgeest in het midden te wonen van het volk Israël. Daarmee hebben zij het volk Israël om de tuin geleid. Zij hielden verder gewoon vast aan hun afgoden en afgodische praktijken en konden dit ook omdat dit door het volk werd getolereerd. De wereld is dus nu voortaan ‘een deel’ van het volk van God.

Vers 31-33

Aser (betekent ‘gelukkig’) en Nafthali gaan zelfs nog een stap verder en gaan zelf onder de Kanaänieten wonen.

Vers 34-36

Kan het nog erger. Ja, want de Danieten (betekent ‘gebieder’) werden zelfs naar de bergen verdreven en mochten van de Amorieten niet in de dalen komen. Maar helaas heeft hier de wereld het voor het zeggen. Dat komt weliswaar overeen met de betekenis van de naam Dan maar was en is van toepassing op de wereld en niet op het volk van God. Immers de wereld gebiedt!!! Maar hoe is het nu?

Wat hier echter ook gebeurt is dat de wereld de kinderen van God berooft van haar erfdeel. Verschrikkelijk!!!

In vers 35 vinden we de wil van de Amorieten die op bepaalde bergen wilden wonen, maar vanwege het huis van Jozef werden zij daar aan zware arbeid onderworpen.

ONTWIKKELING VAN HET VERVAL

Er is dus ontwikkeling van het verval waarneembaar.

  • Eerst werd de afhankelijkheid van God gedeeltelijk opgegeven en werd het vertrouwen op God uitermate zwak.
  • Daarna worden de beginselen van de wereld gehuldigd.
  • Verder worden dan de vijanden niet meer geheel uitgeroeid omdat er angst en twijfel is aan Gods macht.
  • Daarna wordt de vijand in de nabijheid geduld. Dit aanvankelijk om over hen te kunnen heersen en de controle over hen te kunnen houden.
  • Daarna wordt aan de vijand een woonplaats toegewezen, waar zij in alle rust kan wonen. Hier worden ze dan ook als gelijken beschouwd.
  • Tot slot worden de vijanden van het volk van God gezien als de eigenaars van het land, want zij lieten zich van hun erfdeel verjagen.

Iets over bronnen:

Ik heb – naast mijn eigen overdenking en studie – dankbaar gebruik gemaakt van verschillende bronnen om een overzicht en inleiding te maken van dit hoofdstuk.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol