15 jaar geleden

Bewuste en onbewuste zonden

Reinig mij van de verborgen afdwalingen

Psalm 19:13

Soms wordt de vraag gesteld of men ook dan schuldig is voor God wanneer men onbewust gezondigd heeft.

Menigeen handelt immers naar het motto: Wat niet weet, wat niet deert! Als hoogste beoordelingsinstantie accepteren zij alleen maar het eigen geweten. Helaas vindt men zulk een oppervlakkige houding ook vaak onder gelovigen.

Maar de beslissende vraag is wat God erover zegt, wanneer men onbewust gezondigd heeft.
In dit verband is het zeker van belang dat het Woord van God er principieel vanuit gaat dat een gelovige alleen per ongeluk, dat wil zeggen niet bewust, zondigt. Maar toch, moeten wij ons vaak niet oprecht afvragen of het niet toch voorkomt, dat wij bewust de verkeersregels overschrijden of de belastingwetten bewust ontlopen en daardoor het Woord van God ongehoorzaam zijn (vergelijk Romeinen 13:1; 1 Petrus 2:13-17)? Laten wij ook met deze zonden naar de Heer gaan en Hem vragen ons de kracht te geven Zijn Woord compromisloos en consequent te gehoorzamen.

Maar nu terug naar onze eigenlijke vraag: Ben ik ook dan schuldig voor God, wanneer ik mij mijn zonde niet bewust ben?

Gods oordeel

In Leviticus 5:2-6 lezen wij van verschillende gevallen waar iemand zich verontreinigd, respectievelijk zich ten opzichte van God schuldig gesteld heeft. Daarbij geeft de samenhang aan dat onderscheiden wordt of iemand zich de verontreiniging bewust was of niet. Beslissend voor de beoordeling van de schuldvraag in de ogen van God is in ieder geval niet het weten van de mens, maar enkel en alleen het feit, “Indien een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen een van alle geboden des HEEREN, wat niet behoorde gedaan te worden” (Leviticus 5:17). Wanneer het voor het menselijk oog of gevoel verborgen is, zo geldt in Gods ogen toch: “Nochtans is hij onrein en schuldig” (Leviticus 5:3b).

Paulus, de grote apostel van de volken, heeft ten opzichte van deze vraag als volgt stelling genomen: “Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij die mij beoordeelt, is [de] Heer” (1 Korinthe 4:4).

In dit verband komt de vraag op ons af, of deze toestand van onwetendheid nu moet voortduren totdat wij bij Hem, onze Heer, in de hemel zijn. Dan is het een grote troost dat wij mogen weten, dat God ons door de Heilige Geest en door Zijn Woord ertoe brengen wil, dat wij onze zonden inzien en tot Hem komen met de vraag om reiniging. In Zijn oneindige liefde tot ons zal Hij aan ons werken. Zo lezen wij in Openbaring 3:19: “Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik” [Het woord ‘tuchtig’ is in het Grieks ‘aideuo’ waarvan ons woord ‘pedagogiek’ is afgeleid]. Het is altijd Gods bedoeling dat wij altijd ons leven net zo beoordelen zoals Hij. Zolang wij op aarde zijn, zullen wij daar altijd moeite mee hebben. Maar op zijn laatst voor de rechterstoel van Christus zullen wij tot een absoluut gelijkvormig beoordeling komen.

Menselijke verantwoordelijkheid

Zolang voor iemand de zonde of verontreiniging nog verborgen is, geldt hij weliswaar voor God als verontreinigd en schuldig; zijn verantwoordelijkheid om vanwege zijn schuld een offer te brengen, begint in ieder geval direct vanaf het ogenblik dat hij zich zijn schuld bewust wordt. “Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft; En tot zijn schuldoffer de HEERE voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft …” (Leviticus 5:5-6a). Wij leven nu niet meer in de tijd van het Oude Testament, waar een dierlijk offer gebracht moest worden. 1 Johannes 1:9 laat ons zien hoe wij de zaak in overeenstemming met de gedachten van God in orde kunnen maken: “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”.

Laten we het zo samenvatten: Schuldig staan we onmiddelijk tegenover God dan, wanneer zonde of verontreiniging aan de orde is. In overeenstemming met de menselijke verantwoording een passend offer te brengen (in het Oude Testament), respectievelijk met een belijdenis van zijn schuld tot God te komen (vergelijk 1 Johannes 1:9), begint in ieder geval direct met het bewust worden van de schuld.

Betekent dat nu in de praktijk van het dagelijks leven, dat men voortdurend het gevoel moet hebben, door het een of ander dat men zich niet bewust is, voor God schuldig te zijn? Zeker niet! Natuurlijk zal een grondig bewustzijn van de heiligheid van God ons voorzichtiger maken in ons praktisch gedrag. Wij zijn er echter niet toe geroepen onszelf voortdurend te onderzoeken met de bange vraag, of ik schuldig ben of niet. Dat zou er alleen maar toe leiden dat wij te veel met onszelf bezig zouden zijn. Nee, de oplossing kan alleen zijn dat wij ons meer en meer met de Persoon van de Heer Jezus bezig houden, de gemeenschap met Hem zoeken, ook en juist in het dagelijks leven – op de werkplek, op school, bij de studie of waar en hoe dan ook. Hoe meer ons leven met geestelijke dingen gevuld is, hoe minder lopen wij het gevaar bewust of onbewust iets te doen, wat ons voor God schuldig zou kunnen maken; en des te eerder zal ons een aanvankelijk onbewuste zonde voor Hem bewust worden.

Praktische conclusies:

  1. Een vertrouwde omgang met de Heer en het opvolgen van het Woord van God, zal ons voor vele zonden, die wij onbewust zouden kunnen doen, bewaren. “Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou” (Psalm 119:11).
  2. Iedere zonde, onverschillig of zij bewust gedaan wordt of niet – belast de gemeenschap met de Heer. “Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij” (Johannes 13:8). Gedulde zonde in mijn leven maakt gemeenschap met de Heer zolang onmogelijk, tot de zaak in overeenstemming met God geordend is.
  3. Wanneer zonde in mijn leven is voorgekomen, en ik ben mij van de zaak niet bewust, dan is het de bemoeienis van de Heer mij in het licht van het Woord van God te stellen, opdat ik mij bewust wordt van de schuld. “Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik” (Openbaring 3:19). Laten we bedenken: Het is deliefde van de Heer Jezus tot ons, dat Hij Zich er niet tevreden mee kan stellen, dat de gemeenschap met Hem belast, of misschien zelfs onderbroken is.
  4. Onmiddellijk, nadat wij ons van de zonde bewust zijn, wordt ons opgedragen de zaak in overeenstemming met God te laten reinigen, dat wil zeggen: * belijden (dat betekent het concreet noemen van de zonde) en * erkennen (met een waar gevoel van berouw), dat de Heer Jezus voor deze zonde verschrikkelijk onder het oordeel van God lijden moest.
  5. Ons oprecht (dat wil zeggen geen formeel) gebed zou dagelijks moeten zijn: “reinig mij van de verborgen afdwalingen” (Psalm 19:13), en “doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg” (Psalm 139:23-24).

Friedhelm Dünkel, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW