De werken van het vlees (Gen. 20)
In Genesis 19 zagen we Abraham op een moreel hoogtepunt, “waar hij voor de HEER had gestaan,” buiten deze wereld en gespaard gebleven voor het uur van verzoeking, dat over degenen kwam die op aarde woonden.
Een oude, herhaalde zonde (vs. 1-2)
In Genesis 20 reist Abraham opnieuw naar het Zuiderland en woont in het grensgebied van Egypte. In deze hachelijke situatie gedraagt hij zich wederom op een manier, die hem de afkeuring van de mensen van deze wereld oplevert.
Abraham faalt op dezelfde wijze als zo’n twintig jaar eerder, hoewel de omstandigheden enigszins anders waren. Destijds, geconfronteerd met de ontberingen van een hongersnood, had hij het beloofde land verlaten en was hij als het ware “naar Egypte gevlucht.” Nu treffen we deze moeilijke omstandigheden echter niet aan. Puur uit angst voor de mensen verloochent hij haar, door wie God hem de komende, geprofeteerde erfgenamen had beloofd (Gen. 18:10).
In het eerste geval gaf Abraham het getuigenis van de erfenis op. In het tweede geval verduistert hij het getuigenis van de erfgenaam. Net als in het eerste geval leren we nu, dat achter elk falen van Gods volk een aanval van de vijand schuilgaat op een grote waarheid die verbonden is met de roeping van gelovigen. Vandaag de dag valt Satan de waarheid aan over de ware relatie van de gemeente (de kerk) met haar Hoofd in de hemel.
Het feit, dat Abraham na zoveel jaren dezelfde fout herhaalt, maakt de overtreding alleen maar erger. Hij is nu geen nieuwkomer meer op de weg van het geloof, maar iemand die al lange tijd in een staat van uiterlijke afzondering van de wereld heeft geleefd. En als zodanig faalt hij nu.
Een andere les die we uit dit droevige incident kunnen leren, is dat het vlees in Gods volk niet verandert. Dit is een ernstige waarheid die we pas langzaam beginnen te begrijpen. Maar we moeten dit allemaal leren – soms door pijnlijke ervaringen. Er is echter altijd genade die ons redt van de macht van het vlees en ons ervan weerhoudt het kwaad van het vlees te doen. Maar het kwade vlees, waartegen God ons in feite wil beschermen, verandert niet. Het vlees kan zich weliswaar in verschillende vormen en in verschillende personen manifesteren. Maar welke vorm het kwaad van het vlees ook aanneemt, het zal zijn kwaad behouden vanaf het begin van ons leven tot het einde!
Deze tweemaal herhaalde fout van de man Gods staat zeker niet in de Bijbel opgetekend om ons te ontmoedigen of onze zwakheid te benadrukken, maar om ons te wijzen op de enige ware bron van vertrouwen en kracht. Iemand heeft terecht gezegd, dat pas wanneer we hebben geleerd, dat we “zelfs geen moment zonder Hem kunnen leven, we beseffen, dat God er elk moment van ons leven voor ons is.” Maar het is gemakkelijk om te zeggen, dat we niet zonder God kunnen leven. Het is moeilijker om door ervaring, misschien zelfs door herhaaldelijk falen, te leren dat we elk moment van ons leven van God afhankelijk zijn.
Door zijn angst voor mensen verliest Abraham zijn geloof in God. Zijn gebrek aan geloof leidt ertoe, dat hij op zijn eigen overleggingen vertrouwt en handelt vanuit de bedrieglijkheid van het vlees. Hij zegt over Sara, zijn vrouw: “Zij is mijn zuster.” Hij spreekt de waarheid om de waarheid te verbergen. En opnieuw versmaad hij zijn relatie met zijn vrouw om zijn eigen leven te redden.
Een altijd trouwe God (vs. 3-7)
Hoe groot het falen van gelovigen ook mag zijn, God verlaat Zijn volk nooit. Hij zal Zijn parels niet wegwerpen omdat er zand aan is gekomen. Hij zal met alles wat zich in ons bevindt wat in tegenspraak met Hem is, handelen. Dit kan pijnlijk voor ons zijn. Maar Hij verlangt ernaar ons deelgenoten te maken van Zijn heiligheid. God handelt echter niet alleen met ons, maar ook ten behoeve van Zijn falende volk. Zo grijpt God op een opmerkelijke manier in bij Abraham om Sara te redden van de schande die Abrahams bedrog haar had gebracht.
Abimelech wordt ervoor bewaard om een misdrijf tegen Abraham te begaan. Hij wordt zelfs gewaarschuwd, dat Abraham een profeet is en dat de dood zijn huis en familie zal treffen als hij Sara niet onmiddellijk teruggeeft aan haar man. Bovendien wordt Abimelech meegedeeld, dat de man die hem onrecht heeft aangedaan zo dicht bij God staat, dat Hij voor Abimelech kan bidden. Ondanks zijn fout blijft Abraham een profeet en iemand die bij God voorspraak doen kan. God ontzegt Abraham deze hoge voorrechten niet, ook al heeft hij gefaald.
Een terechte berisping (vs. 8-11)
Abrahams voorrechten als profeet en voorspraak verergerden echter alleen maar het kwaad van zijn dubbelzinnigheid. En de wereld zag dit al snel in. Abimelech riep Abraham onmiddellijk bij zich en confronteerde hem. In duidelijke bewoordingen zei Abimelech terecht: “… U hebt dingen met mij gedaan die niet gedaan mogen worden” (vs. 9). Abraham had niet alleen gefaald in zijn geloof voor God; hij had niet alleen zijn vrouw onrecht aangedaan, maar hij had zich ook onbehoorlijk gedragen tegenover een mens van deze wereld. Abraham was niet alleen onder de maat van zijn roeping gezonken, maar ook onder de norm van fatsoenlijk gedrag in deze wereld!
Vervolgens confronteert Abimelech Abraham met zijn motieven voor deze handelwijze. Abraham antwoordt: “Omdat ik bij mezelf dacht: “Omdat ik dacht: Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden” (vs. 11). Hoe diep is deze man Gods gezonken! Meegesleept door zijn eigen gedachten, dacht hij alleen aan zichzelf en zijn eigen veiligheid. Zo handelt hij met een dubbelzinnigheid die duidelijk laat zien, dat hij zelf op dat moment niet uit ontzag voor God handelde, ongeacht in hoeverre hij anderen ook beschuldigde geen ontzag voor God te hebben.
Een zwak excuus (vs. 12)
Bovendien zien we bij Abraham ook de poging om zijn fout te bagatelliseren, zoals zo vaak het geval is bij een gelovige die gefaald heeft. We horen dan ook geen eerlijke bekentenis: “Ik heb gezondigd!” Geen drie woorden in de menselijke taal zijn zo moeilijk uit te spreken voor een zondaar of een gelovige als “Ik heb gezondigd.” Abraham probeert zijn dubbelzinnigheid te verontschuldigen door te verklaren, dat het inderdaad waar is dat Sara zijn zuster was, ook al verzweeg hij de waarheid dat ze ook zijn vrouw was.
Een richtingloze wortel van ongeloof (vs. 13)
Bovendien stellen we vast, dat dit falen een ongerichte wortel heeft in ongeloof die ver in het verleden ligt. In een verkeerde positie bagatelliseert hij het getuigenis van God voor het wereldse begrip door te zeggen: “Toen God mij vanuit het huis van mijn vader lie”t rondzwerven” (vs. 13). Hij zegt niet: “Toen God mij riep naar een hemels land en een stad met fundamenten.” Abraham wil veeleer de indruk wekken, dat God hem – zoals bij elke “verloren zoon” – ertoe heeft bewogen zijn vaders huis te verlaten. Onder deze omstandigheden hadden hij en zijn vrouw een pact van dubbelzinnig ongeloof gesloten.
Ongepast gedrag (vs. 14-18)
In tegenstelling tot Abrahams falen handelt Abimelech, hoewel een man van deze wereld, rechtvaardig en zelfs vrijgevig. Dit staat in schril contrast met Abrahams gedrag. Op een dag van kracht en overwinning op zijn vijanden had Abraham geweigerd iets van de koning van Sodom aan te nemen “van draad tot schoenriem.” Op een dag van zwakte en ongeloof accepteert hij schapen, runderen, mannelijke en vrouwelijke dienaren en duizend zilverstukken van koning Gerar.
Hoewel Abimelech Abraham geschenken geeft, aarzelt hij niet om zijn vrouw te berispen en haar met minachting te behandelen. Hij zegt immers: “Zie, ik heb uw broer duizend zilverstukken gegeven. Zie, laat dat mogen dienen als sluier voor de ogen, voor u én voor allen die bij u zijn” (vs. 16). Als ze zich als Abrahams vrouw op de juiste manier had gesluierd, zou Abimelech haar nooit in zijn huis hebben opgenomen. De sluier spreekt bij een vrouw ervan, dat ze alleen voor degene is, aan wie ze toebehoort.
Als men zou zien, dat wij gelovigen uitsluitend voor Christus bestaan, zou de wereld ons niet in haar gemeenschap willen opnemen. Paulus kon zeggen: “Te leven is voor mij Christus” (Fil. 1:21). Door deze houding was de wereld voor hem gekruisigd, en hij was voor de wereld gekruisigd. Als we er niet in slagen een eenvoudige toewijding aan Christus te behouden, zullen we, net als Sara, het respect van de wereld verliezen en terecht door haar worden berispt.
Nadat de oorzaak van zijn falen aan het licht is gekomen, neemt Abraham opnieuw zijn rechtmatige plaats in de wereld in, namelijk als voorspraak (vs. 17-18).
Hamilton Smith; © www.bibelpraxis.de
Geplaatst in: Christendom, Zonde
© Frisse Wateren, FW