5 jaar geleden

Aanbidding: les 7 – Abraham (II)

Abraham (II)

Aan het einde van de vorige les hebben we gezien dat God Abraham de opdracht om naar het land Moria te trekken om  daar zijn zoon te offeren als brandoffer. Toen Abraham afscheid nam van zijn knechten, zei hij tegen hen: “Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.” (Gen. 22:5). Abraham had het bevel om zijn zoon te offeren rechtstreeks van God ontvangen. Nu bereidt hij zich voor om deze moeilijke taak uit te voeren. We horen geen tegenspraak, geen “maar” uit zijn mond. Hij stond vroeg in de ochtend op om naar de plaats te gaan die God als een offerplaats voor zijn zoon hem wilde laten zien. Kunnen we ons voorstellen wat deze goddelijke opdracht voor het hart van Abraham betekende? Hij had alleen deze ene zoon, en hij hield zielsveel van hem. Hij had vijfentwintig jaar op hem gewacht en al zijn hoop betreffende de beloften van God rustte op hem. Nu moet hij deze zoon afstaan, hem zelfs op het altaar offeren! Maar Abraham gehoorzaamde. Abraham geloofde God; hij stelde zijn hele vertrouwen op Hem en Zijn beloften, en daardoor werd hij bemoedigd en versterkt om het bevel van God te gehoorzamen. Ja, hij oordeelde, dat God in staat was​ Isaac zelfs uit de dood te laten opstaan.

Wij hebben reeds opgemerkt dat in Genesis 22 het woord “aanbidden” voor de eerste maal in de Bijbel genoemd wordt (vs. 5). We willen nu een beetje nadenken over de inhoud van dit hoofdstuk. We kunnen met betrekking tot ons onderwerp ‘aanbidden’ hieruit veel leren.

1. Leest u dan eerst Genesis 22 eens zorgvuldig door. God kon Abraham het bevel geven om Hem zijn zoon te offeren. Kunt u een toelichting geven waarom hij van Lot nooit iets dergelijks geëist heeft?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

2. Om te kunnen offeren, moest Abraham naar het land Moria gaan. God zou hem in dit land een bepaalde berg laten zien. Weet u nog, wat de naam van dit land betekent?

……………………………………………………………………………………………………………………

3. In de vorige les hebben we al gezien dat deze plaats in het land Moria  heel belangrijk was voor God. Wilt u 1 Kronieken 21 vers 18-19 en 2 Kronieken 3 vers 1-2 eens opslaan?

Wat gebeurt er met deze plaats:

I. Tijdens het bewind van David?

……………………………………………………………………………………………………………………

II. Tijdens het bewind van Salomo?

……………………………………………………………………………………………………………………

In een van de volgende lessen komen we terug op deze plaats. God heeft Abraham niet naar een of andere plaats. Nee. Hij moest naar de plaats waar God op een dag, in de verre toekomst, Zijn Naam zou doen wonen.

4. Denkt u dat Abraham zich op de dag, waarop hij zijn zoon offeren zou, erg comfortabel gevoeld heeft?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

5. Waarom denkt u heeft Abraham het dan toch gedaan?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

6. Wist Abraham van tevoren dat hij Izaäk niet hoefde te doden?

……………………………………………………………………………………………………………………

Als we al het wezenlijk, met betrekking tot de aanbidding, punt voor punt samenvatten, kunnen we het volgende stellen:

a. Als we God onze Vader willen aanbidden, moeten we Hem ons hele leven beschikbaar stellen – Lot niet kon aanbidden.

b. Het gaat er in de aanbidding niet om dat we iets van God krijgen, maar erom dat wij Hem iets te brengen.

c. God bepaalt de plaats waar we moeten aanbidden, niet wij!

d. Hij Zelf kiest het slachtoffer.

e. Het komt er in de aanbidding niet op aan hoe of wat we voelen, maar op wat onze hemelse Vader gevoelt.

f. De manier waarop wij aanbidden is een kwestie van gehoorzaamheid! We willen het toch zo doen, zoals God het gezegd heeft.

g. Zelfs als we niet aanbidden om gezegend te worden, krijgen we toch een zegen. Zelfs Abraham kreeg een rijke zegen (vs. 16-19).

Nu komt er iets heel belangrijks, dat we in ons hart zouden moeten inprenten!

7. Geeft God Abraham een exact ‘adres’ van de plaats waar hij moet offeren? ……..

Wat vertelt God hem slechts in Genesis 22 vers 2?

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

……………………………………………………………………………………………………………………

In Handelingen 9 vers 11 en 10 vers 5-6 geeft God Ananias in Damascus en de hoofdman Cornelius in Caesarea een exact adres. Er zou nu bij jou en mij de vraag op kunnen komen: “Op welke plaats en in welk huis moet ik dan gaan, als ik mij samen met gelovigen vergaderen wil om te aanbidden?” Dat is een goede vraag. Geen twijfel over mogelijk dat zou God dat gemakkelijk kan beantwoorden. Maar Hij doet dat niet zonder meer.

Abraham moest eerst naar het land Moria trekken, en dan wilde God hem de berg tonen, waar hij offeren moest. God toont ons niet altijd onmiddellijk de directe weg, die wij moeten inslaan. Hij laat het ons vaak stap voor stap zien. Ten eerste moeten we Hem gehoorzamen zoals bij de vorige stap, en dan laat Hij ons de volgende stap zien. Dit is vaak een grote oefening voor ons!

8. Als praktisch voorbeeld nemen we nu de geschiedenis uit 1 Samuel 16. De profeet Samuël krijgt de opdracht om iemand tot koning te te zalven. Wat God zegt in vers 1b?

Vul uw hoorn met olie en

……………………………………………………………………………………………………………………

In welk vers zegt God uiteindelijk, wie het zijn zal? In vers ………… .

God zegt niet eenvoudig tegen de profeet: “Ga naar Bethlehem en zalf David tot koning”, maar als het ware: “Ga heen, en Ik zal het je laten zien”. Eerst moest Samuel gehoorzamen – en hij gehoorzaamde werkelijk – en God liet hem zien, wie hij zalven moest.

9. Wie vandaag de plaats vinden wil, waar het “geestelijke altaar” is, waar men tot God naderen kan als aanbidders, om Hem volgens 1 Petrus 2 vers 5 “geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus”, moet dezelfde weg gaan als Samuël, namelijk de weg van gehoorzaamheid en onderwerping aan Gods Woord. God zal hem of haar duidelijk de plaats tonen waar de Heer Jezus Zijn persoonlijke aanwezigheid heeft beloofd, namelijk waar gelovigen vergaderd Zijn tot Zijn naam. In die tijd, de tijd van het Oude Testament, was het letterlijk één enkele plaats in het midden van Israël, waar God woonde en waarheen de vrome Israëliet kwam, om zijn offers te brengen. Maar vandaag wordt God gekend in de gelukzaligheid van Zijn tegenwoordigheid in de persoon van Zijn Zoon, waar “twee of drie vergaderd zijn in Jezus’ naam” (Matth. 18:20).

Kent u die plaats al? Wat hebt u er voor over? Zou u ook daar willen zijn waar de Heer Jezus in het midden is? Wat het u ook kost? Zou u Hem ook daarin willen gehoorzamen? Doe het en vertel dat aan Hem en Hij zal u erheen leiden.

© Bibelkurs.com

© Vertaling: Frisse Wateren – rm

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol