10 jaar geleden

1 Koningen 19:9

Het was Elia vergund om op de berg Karmel een geloofsoverwinning te behalen. God had Zich op een eenmalige wijze aan Zijn knecht bekendgemaakt. Het was een indrukwekkend getuigenis voor het afvallige volk. Maar nu kwam zijn geloof aan het wankelen. Hij vluchtte in een eenzame spelonk voor de wraakdreiging van de goddeloze koningin Izebel en voor de wankelmoedigheid van het volk. Hij moest ook beleven dat het uur na de overwinning gevaarlijker is voor het geloof dan het gevecht. Maar God kwam tot hem met de gewetensvraag: “Wat maakt gij hier, Elia?”

Hoe geheel anders was dat bij onze Heere! Van Hem zegt God door de profeten: “Gij zijt Mijn knecht”, en Hij heeft de volle diepte moeten ondervinden van wat in het Woord tot uitdrukking komt: “Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnut en ijdel besteed” (Jesaja 49:3,4). Toch kon niets Hem ervan weerhouden God “eeuwig te dienen”, waar de Hebreeuwse knecht een type van is (Ex. 21:6). Hoewel Zijn volk Hem afwees, volhardde Hij in Zijn dienst en was “gehoorzaam tot de dood … van het kruis” (Fil. 2:8). Daarom is de blik op Hem voor ons ook zo bemoedigend.

Wat Elia betreft, moeten we ons afvragen of wij niet ook al de stem van God moeten horen: “Wat maakt gij hier?” Laten we, als we teleurstellingen te verwerken krijgen of als een dienst die we mogen doen, zo weinig resultaat laat zien, niet gaan slapen onder de jeneverboom of vluchten in een spelonk, zoals Elia. Nee, alleen de gemeenschap met onze Heere kan ons dan helpen. Hoeveel beter is het  toch om Hem te vragen: “Wat moet ik doen, Heere?” dan de vraag te moeten horen: “Wat maakt gij hier?”

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW