8 maanden geleden

Zij zagen naar Hem uit …

“Zij zagen naar Hem uit, ja, stroomden op Hem aan; en hun gezicht werd niet rood van schaamte” (Ps. 34:6).

We zijn geneigd om het heden met het verleden te vergelijken. Dat ontmoedigt en verzwakt ons. We leven in moeilijke tijden waarin de algemene toestand van de dingen boos zijn. Naar welke kant we ons oog ook richten, we zien een moreel en geestelijk verval. Je moet wel blind zijn om deze feiten niet te zien. Degenen die ze niet diep voelen, moeten wel harteloos en onverschillig of zelfs ontrouw zijn. Maar er op een vleselijke manier mee omgaan, zou dwaas en schadelijk zijn.

Wat moet men dan doen in deze laatste “zware tijden”? Of beter, wat doet de Geest van God? De in zijn gedachten <onder de zon> levende mens vraagt: “Hoe komt het dat de dagen van vroeger beter waren dan deze?”“Niet uit wijsheid” zou u dat vragen (Pred. 7:10).

Maar God richt de blikken van Zijn kinderen naar boven en naar voren; naar boven tot Hemzelf, tot de troon van genade, en naar voren naar onze gezegende bestemming.

De schatten van Zijn genade zijn op de hele weg voor ons geopend; Hij zij daarvoor geprezen! “En God is machtig alle genade overvloedig te doen zijn jegens u”, zegt de apostel (2 Kor. 9:8). Hoeveel moed, hoeveel troost en kracht kunnen we uit deze woorden putten, en wat een krachtige hulp vinden we in de schatten van Zijn genade! Onze moeilijkheden kunnen aanzienlijk zijn, het zedelijk verval, de geestelijke zwakte kan toenemen. Dit alles kan ons terneerdrukken. In onze huizen, bij onze kinderen, bij de jeugd in het algemeen en, helaas, in de gemeente, kunnen we de voor “de laatste dagen” aangekondigde tijden duidelijk herkennen. Maar bij dit alles kunnen we zeggen: “Ik sla mijn ogen op naar U, Die in de hemel zit”, en mogen op Zijn beloften van genade wachten: “Mijn hulp is van de HEERE, Die hemel en en aarde gemaakt heeft” (Psalm 123:1 en 121:2). Sterker nog, deze God, “Die hemel en aarde gemaakt heeft”, die “in de hemel zit”, is in Christus Jezus onze Vader, Die “ons liefheeft”. En aan Zijn rechterhand zit de grote Hogepriester, Die in staat is om “volledig te behouden”, “die door Hem tot God naderen” (Hebr. 7:25).

“Daar we nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, … Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd” (Hebr. 4:14-16). Zouden wij, omdat wij ook “de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan” (Rom. 5:2), onze zielen vermoeien door voortdurend naar ons vaak zo steile en doornige pad te kijken? Zouden wij God Zelf veronachtzamen en de middelen die Hij ons gegeven heeft, verachten? Moeten we doof blijven ten opzichte van Zijn vertroostingen en Zijn beloften van goedheid en genade? O, hoezeer zouden wij Hem bedroeven!

Nee, we hebben een zekere garantie, dat Gods beloften waar zijn, en deze garantie is God Zelf, in eigen Persoon, de onveranderlijke God Die niet liegen kan.

Habakuk 3 vers 17 beschrijft een tijd van ernstige materiële nood: de vijgenboom bloeit niet; er zijn geen vruchten aan de wijnstokken; de vrucht van de olijfboom valt tegen en de korenvelden brengen geen voedsel voort; het kleinvee ontbreekt in de kooien, geen rund is in de stallen. Maar wat doet de gelovige in dergelijke omstandigheden? Hij zegt: “… ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen, mij verheugen in de God van mijn heil. De HEERE Heere is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten als die van de hinden, en Hij doet mij treden op mijn hoogten” (vs. 18-19).

De profeet Micha daarentegen, spreekt in hoofdstuk 7 vers 1-7 van slechte dagen gekenmerkt door zedelijk verval. Neem eens de moeite om het gedeelte te lezen. Ook daar zul je het kostbare “ik echter” vinden: “Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God van mijn heil. Mijn God zal mij horen. Verblijd u niet over mij, mijn vijandin, want als ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; als ik in duisternis zit, is de HEERE mijn licht” (Micha 7:7-8). Laten we ook degene, die zo spreekt, navolgen! Ja, moge het ieder van ons gegeven zijn om naar boven te zien!

God richt, zoals we gezegd hebben, onze ogen niet alleen naar boven, naar een huidige Hulp, maar ook naar voren, naar onze komende zegeningen, naar een gezegende toekomst, waar ons lichaam van nederigheid zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, waar de Heer de gemeente verheerlijkt voor Zich zal stellen, “zonder vlek of rimpel of iets dergelijks”, waar wij Hem gelijk zullen zijn en Hem zullen zien “zoals Hij is” (Fil. 3:20-21, Ef. 5:27; Joh. 3:2).

Toen het overblijfsel van Babel was teruggekeerd naar het land Kanaän, en “de oudsten”, die de grondlegging van de tempel bijwoonden, weenden omdat het zo klein en zo ellendig voor hen leek in vergelijking met de tempel van Salomo, wiens heerlijkheid zij zich herinnerden (Ezra 3:12-13), zond de HERE hen de boodschap: “Wees niet bevreesd! … Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid … De heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn dan die van het eerste, zegt de HEERE van de legermachten” (Haggaï 2:3-9) God troostte de bedroefden en bemoedigde de zwakken doordat Hij hen op de toekomstige heerlijkheid en op de heerschappij van de Messias wees.

Alle beloften die in de brieven aan de zeven gemeenten aan “de overwinnaars” gegeven zijn, verwijzen naar de toekomst. God heeft de ogen van Zijn kinderen ten allen tijde gericht op hun toekomstige erfdeel. Gelovigen zagen vanouds de beloofde dingen van verre en verwelkomden ze, hoewel er in vergelijking met ons weinig aan hen geopenbaard was. In de tussentijd is de openbaring van Gods gedachten en raadsbesluiten in Zijn Woord voleindigd, en we kunnen ze verstaan door de Heilige Geest, Die ons gegeven is “opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn” (1 Kor. 2:12), en dat Hij ons de toekomstige dingen zal verkondigen (Joh. 16:13). En spoedig zal onze geliefde Heer Zelf komen en daarmee Zijn kostbaarste beloften inlossen: “En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14.3).

“… en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn. Vertroost daarom elkaar met deze woorden” (1 Thess. 4:17-18).

Mocht het woord van de apostel ons toch meer en meer aanspreken: “… maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus” (Fil. 3:13,14).

Je kunt je afvragen: laat God ons soms niet terugkijken naar het verleden? Zeker, maar het moet met een heel ander doel gedaan worden en op een heel andere manier dan onze natuurlijke harten zo graag doen:

  1. Als een christen gestruikeld is en niet voor God buigen wil, ja, misschien lange dagen in deze toestand volhardt, dan moet God hem voortdurend aan het verleden herinneren, om in zijn eigen ziel zelfoordeel en herstel te bewerkstelligen.
  2. In de brief aan de Hebreeën (Hebr. 10:32-34) werden de gelovigen vermaand zich “de dagen van vroeger” te herinneren, opdat zij zo de vreugde en volharding weer verkregen, die vroeger hun deel waren en zij opnieuw in onwankelbaar geloof in de toekomst zouden kijken (Hebr. 10:35-39).
  3. Nog beter is het voor ons, wanneer wij ons steeds weer eraan herinneren, wat wij vroeger waren, dat we in duisternis en dood lagen, en hoe God in Christus Jezus Zijn genade jegens ons heeft laten overstromen.
  4. Uiteindelijk zullen we een rijke zegen ontvangen wanneer onze harten steeds weer in diepe dankbaarheid de genade herinneren, die Hij ons tot nu toe op het smalle pad bewezen heeft. Aldus werd Israël vermaand: “Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, …” (Deut. 8:2). En we kunnen ook met de psalmist uitroepen: HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan, en Uw gedachten, die U over ons hebt. Men kan ze voor U niet uiteenzetten. Zou ik ze verkondigen en uitspreken, dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen” (Ps 40:6). Of: “Ik zal de daden van de HEERE gedenken, ja, ik zal denken aan Uw wonderen van oudsher. Ik zal al Uw werken overdenken en over Uw daden spreken” (Ps. 77:12-13, zie ook Job 5:9; 9:10).

Om de verheerlijking van God en tot ons eigen bestwil, moeten we niet naar de influisteringen van ons eigen hart luisteren, maar de aanwijzingen van de Geest van God volgen. Dan zullen de terugblikken naar het verleden een zegen voor ons zijn. Zoals het volk Israël aan de andere zijde van de Rode Zee terugblikte op de weg waarlangs ze waren gegaan, zullen ook wij op soortgelijke wijze de behoefte voelen uit te roepen: “Ik zal zingen voor de HEERE … De HEERE is Mijn kracht en lied, … Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik; de God van mijn vader, Hem roem ik” (Ex. 15:1-2).

© Haltefest, jaargang 62 – bladz. 65.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol