3 maanden geleden

Zie, Mijn Knecht (7)

“Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen. Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde, door God geslagen en verdrukt” (Jes. 53:4).

Zie, Mijn Knecht (7)

Deze tekst bevat veel sleutelbegrippen en maakt deel uit van de belijdenis die Israël zal doen wanneer het Jezus erkent als de Messias, wanneer Hij terugkomt uit de hemel. Wij, gelovigen uit Joden en heidenen, kunnen ons vandaag al vereenzelvigen met deze belijdenis. We realiseren ons dat de Heer Jezus heeft geleden onder Gods oordeel, ook voor ons.

Het volk van de Messias, gezien in hun leiders, had Hem onterecht beschuldigd van godslastering en besloten dat Hij gekruisigd zou worden. In die tijd bezetten de Romeinen het land van Israël. Onder Romeinse wet werd de doodstraf uitgevoerd door kruisiging – bijvoorbeeld een slaaf die zijn meester had gedood. Barabbas maakte zich schuldig aan de opstand, wachtend op zijn executie. Toch kozen de mensen hem in plaats van Jezus – de ware Zoon van de Vader – die volkomen onschuldig was (Matth. 27:20-26). Hoe verkeerd waren ze, en toch vervulde dit Gods plan (Joh. 3:13).

Het woord ‘voorwaar’ in de bovenstaande belijdenis stelt de bereidheid van de Plaatsvervanger voor. De Messias nam vrijwillig de plaats in onder Gods oordeel dat het volk verdiende. Als we dit op ons toepassen, kunnen we zeggen dat de Heer Jezus, als het zondoffer, het oordeel verdroeg dat wij hadden verdiend. De zondaar die zich bewust is van de noodzaak van een plaatsvervangend offer, wordt dan de offeraar wiens schuld, zonden en ongerechtigheid worden overgedragen op het offer (2 Kor. 5:21). Na het belijden van onze zonden nemen we Christus’ werk aan, leggen we onze handen op Hem, het Zondoffer (Lev. 4:4), en vereenzelvigen we ons met Hem en Zijn werk, toen Hij onze plaats innam onder Gods oordeel.

Wordt DV vervolgd.

Alfred E. Bouter, © The Lord is near

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol