13 jaar geleden

Zendings- en evangelisatie-conferentie (VII)

 Deze toespraken werden in de jaren ’80 van de vorige eeuw gehouden tijdens een zendings- en evangelisatie-conferentie. Degenen die ook verlangen om de heerlijke boodschap van “de Heer Jezus Christus en die gekruisigd” uit te dragen, beveel ik dit van harte aan. Velen die deze conferentie bijwoonden, zijn aangespoord en bemoedigd om zich ook in dit opzicht aan de Heer toe te wijden. Hopelijk heb je de eerste zes artikelen in de vorige nummers ook gelezen. Zo niet, dan raad ik je aan dat toch eerst te doen. Het is echt de moeite waard. Dit artikel gaat dan nu verder in op de boodschap van hoofdstuk 1 van de tweede Timotheüs-brief.

Wat is het evangelie?

Wat het evangelie betekent – dat weten we allemaal wel – dat betekent “goed nieuws”. Goed nieuws betreffende het koninkrijk van God en de redding door Jezus Christus. Dat is het evangelie in nieuwtestamentisch verband. Nu zullen we kunnen opmerken dat naast de evangeliën van Mattheüs en Markus het woord evangelie eigenlijk uitsluitend gevonden wordt in de brieven van de apostel Paulus.

In welk verband gebruikt de apostel Paulus dan het woord evangelie? Het zijn twee verwante maar ook onderscheiden dingen. Ten eerste voor de apostel Paulus is het evangelie de fundamentele feiten van de dood, de begrafenis en de opstanding van Christus. Om dat eventjes te onderstrepen … kijkt u dan maar in 1 Korinthe 15:1-5: “Ik nu maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik heb verkondigd, dat u ook hebt aangenomen, waarin u ook staat, waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd. Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften”. Dat was voor de apostel Paulus het evangelie. En dat is meer dan alleen maar je zonden belijden en vergeving ontvangen en weten dat je naar de hemel gaat. Evangelie en de leer van de apostel Paulus is de totaliteit van de openbaring van het werk van de verlossing door de persoon van de Heer Jezus. En dat is niet alleen verlossing van de straf die wij verdiend hebben op onze zondige daden, Jezus stierf voor mij, maar dat is ook de boodschap van de verlossing van de macht van de zonde, de zonde die in mij woont door de inwoning van de Heilige Geest. En door het zich één weten met Christus die gestorven is, begraven en opgestaan. Een opgestane en verheerlijkte Heer. Dat was het evangelie van Paulus, totdat we verheerlijkt zijn in de eeuwigheid. Kijkt u maar eens in Romeinen 8:29-30.

Het bewaren van het evangelie

Het evangelie. Wat we zien wat de apostel Paulus daarmee bedoelt, dát – zegt hij tegen Timotheüs – moet je bewaren. “Bewaar het goede jou toevertrouwde pand …”. Hoe kunnen we dat bewaren? “Door de Heilige Geest die in ons woont” (2 Timotheüs 1:14). Daar hebben we de kracht om trouw te zijn aan deze overlevering. De openbaring die God gegeven heeft in Zijn Zoon, de Heer Jezus Christus, de Verlosser.

Punt 1
Nu wil ik nog twee dingen zeggen over hoofdstuk 1.

Het evangelie in dit eerste hoofdstuk wordt beschreven in vers 9. In vers 10 zien we hoe dat voorbereid werd én hoe het uitgebeeld werd. Als u deze twee verzen eens eventjes bekijkt met mij, vers 9 en 10, waar we dus de bron, de kracht en het fundament zien van het evangelie, dan zie ik acht dingen.

Ten eerste zie ik daar in vers 9 de uitdrukking “vóór de tijden van de eeuwen”. Ziet u dat. Er was iets vóór de tijden van de eeuwen. Wat was dat? In het hart van God was er deze wonderbare gedachte, dat Hij een bruid wilde geven aan Zijn Zoon. Ten tweede (ook in vers 9): “naar Zijn eigen voornemen”. In de eeuwigheid van het verleden was in het hart van God een voornemen, een plan, zo heerlijk … en dat sprong voort uit Zijn hart vol genade. Dat is het derde woordje in vers 9: “naar Zijn eigen voornemen en genade”.

En het vierde woordje, ook in vers 9: “geroepen” zijn. Geroepen “met een heilige roeping”. Hij heeft ons geroepen en door Zijn genade hebben we daarop kunnen antwoorden. God heeft altijd het initiatief gehad. Wij konden niets van onszelf doen. Het was enkel genade. Hij heeft ons geroepen.

Het vijfde woordje, ook in vers 9: “Behouden”. “… naar de kracht van God die ons heeft behouden en geroepen …”. Toen Hij ons riep (genade) mochten wij antwoorden. En toen hebben wij de behoudenis ervaren.

Hoe kwam dat dan allemaal, dat wij dat hebben kunnen ervaren door Zijn genade? Vers 10, het zesde woordje: “… die nu geopenbaard is …”. Het ogenblik kwam dat God die gedachte (dit plan) die verborgen was in het hart van God van vóór de tijden van de eeuwen, heeft geopenbaard.

En hoe kwam dat? Het zevende woordje, vers 10: “… door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, die de dood te niet gedaan heeft”. Door het komen en het sterven van de Heer Jezus. De Heer Jezus kwam om ons het hart van God als Vader te openbaren … wat er in het hart van God de Vader was. En Hij stierf om daardoor de dood te niet te doen, te overwinnen de krachten van de duisternis.

En als resultaat het laatste woordje, het achtste woordje: “leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft”. Hij bracht het eeuwige leven aan het licht. En … om het allemaal nog eens op te sommen … aan het eind van vers 10: “… door het evangelie”.

Dat is de boodschap, brusters, die wij moeten doorgeven. Onveranderlijk! Wat een heerlijke boodschap is dat.

Zo komen we bij het tweede punt. We hebben dus ontdekt nu wat dat evangelie inhoudt. Wat die boodschap die wij door te geven hebben, inhoudt, ook in een tijd van verval.

Punt 2

Het tweede punt: onze plicht in verband met dat evangelie. Dat wordt beschreven in de volgende verzen (vers 11-18), maar in het bijzonder vers 11 en 12. In vers 11 zien we wat onze plicht is. Het gevoel dat de apostel Paulus had zouden ook onze gevoelens moeten zijn. “Geef het door!”. Vers 12: “Lijdt er voor!”.

“Geef het door!” (vers 11). Hoe deed de apostel Paulus dat? Hij zegt dat met drie woordjes, beschrijft hij dat in vers 11.

Ten eerste: “als prediker”. Dat betekent dat hij een boodschap had. Hij was er van overtuigd dat hij een boodschap had.

Ten tweede: “als apostel”. Dat betekent dat hij die autoriteit had om die boodschap uit te dragen. Die autoriteit was niet van hemzelf! Maar die autoriteit was het feit dat hij gezonden was. Apostel betekent ‘gezondene’, ‘zendeling’.

Ten derde: zijn gave “leraar”. Kunnen we dat ook niet – niet natuurlijk in diezelfde mate als de apostel Paulus – maar in onze kleine mate op onszelf toepassen. We hebben die boodschap. We hebben het zelf ervaren. We weten wat het evangelie inhoudt. Nu hebben wij onze verantwoordelijkheid om dat te prediken in de autoriteit van de Naam van Jezus Christus. Het is in Zijn Naam dat we voortgaan, en wel door de verschillende gaven die Hij ons heeft gegeven. Dat is voor een ieder van ons verschillend. Maar we kunnen die boodschap doorgeven door ons leven; met ons leven en met onze lippen.

Dan krijgen we natuurlijk het laatste gedeelte, het bewaren van deze boodschap in:

  • Ten eerste “gezonde woorden” (vers 13): “Houdt tot voorbeeld de gezonde woorden”.
  • Ten tweede het te beschouwen als een “goed pand” dat wij ontvangen hebben (vers 14). “… het toevertrouwde pand”, dat Iemand als een erfenis voor ons achtergelaten heeft. Dat Iemand die we liefhebben, die heengegaan is, het ons ter bewaring heeft gegeven, om daarmee te doen wat Hij verlangt.

Dus de boodschap hier is: “het bewaren van het evangelie”.

Wordt vervolgd D.V.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM