4 jaar geleden

Zal het recht bij de vliegtuigramp MH17 zegevieren?

“En ik zag een grote witte troon, en Hem Die daarop zat. Voor Zijn aangezicht vluchtten de aarde en de hemel weg, zodat er geen plaats meer voor hen te vinden was. En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het boek des levens. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder overeenkomstig zijn werken. En de dood en het rijk van de dood werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood. En als iemand niet bleek ingeschreven te zijn in het boek des levens, werd hij in de poel van vuur geworpen” (Openb. 20:15).

De grote witte troon

De roep om rechtvaardigheid is ook duidelijk waar te nemen in verband met de vliegtuigramp MH17 boven Oekraïne. De daders moeten gevonden en berecht worden! ‘Het recht moet zegevieren’, is de wens van velen. Dat is ook volkomen begrijpelijk en juist. Onrechtvaardige daden moeten bestraft worden. Maar passen we dat ook op onszelf toe met betrekking tot onze eigen zonden? Want of we eraan willen of niet: God is behalve liefde ook volmaakt rechtvaardig! Dat betekent dat ook de eens niet bekend geworden misdaden, de ‘geheime’, geoordeeld zullen worden als wij deze niet zelf erkend hebben en beleden hebben voor God. De gedachte – die vooral in het zogenaamde ‘vrije westen’ wordt gekoesterd – dat God mijn zonden wel door de vingers zal zien en het daarom niet zoveel uitmaakt wat ik doe, is uitermate misleidend en verwerpelijk. Als ik mijzelf niet heb leren kennen als een zondaar in het oog van een heilig en rechtvaardig God, zal ik eens zelf het rechtvaardig oordeel ontvangen, wanneer ik voor de grote witte troon zal staan. Niemand ontkomt daaraan, welke grootheid u ook was op aarde. De Bijbel, het Woord van God, zegt ook heel duidelijk: “En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan”. Misschien bent u wel president geweest (of nog), of bekleedde u een heel hoge positie in het rechtsstelsel van uw land; ja, misschien was uzelf wel rechter, of advocaat …. dat kan allemaal. Het is uiteraard ook zeer goed mogelijk dat u niet zo’n ‘grote’ man of vrouw was, maar behoort of behoorde tot de ‘kleinen’ der aarde. Denk dan niet dat u er beter afkomt dan die ‘grote’ die over u heerste. De Bijbel zegt: “Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Jezus Christus, onze Heer”. Het eerste deel van dit Bijbelvers is voor hen die voor eigen rekening komen te staan voor God voor Zijn grote witte troon; het tweede deel voor hen die geschreven staan in het boek van het leven. Ja … eens zal er een grote witte troon zijn en op die troon zit God Zelf. Daar zal eens de definitieve eindafrekening, het ‘eindoordeel’, zijn van hen die niet de toevlucht tot Jezus Christus hebben genomen. Zoals al aangegeven, ‘groten’ zowel ‘kleinen’. Als daar iemand bij is, of mogelijk meerderen die verantwoordelijk zijn voor de vliegramp MH17, zal deze zijn of haar oordeel niet ontgaan. Geen ontkomen mogelijk! Zij worden geoordeeld naar hun werken en wel in overeenstemming met wat in de boeken geschreven was. Zij zullen horen wat zij misdaan hebben en daarvoor ook het rechtvaardig oordeel van God ontvangen.

Het boek van het leven

Er is ook nog een ander boek, het ‘boek des levens’. Als daar uw naam niet instaat, zult u, zul jij geworpen worden in de ‘poel van vuur’, dat is de tweede dood. Het is de plaats waar u voor eeuwig van de levende God gescheiden bent en waar ook geen kans meer is om uit te komen. Deze kans hebt u verspeeld als uw naam niet in het boek van het leven staat genoteerd. U bent dan verloren! Een verschrikkelijke toestand!!! Ja, zonde maakt scheiding tussen God en de mens. Dat moeten wij nooit vergeten. De Bijbel zegt in het Oude Testament: “Maar uw ongerechtigheden maken scheiding tussen u en uw God, uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij u niet hoort” (Jes. 59:2). Dit laatste is overigens ook van toepassing voor hen die een kind van God zijn maar die desalniettemin hun eigen weg gaan en met God in hun leven geen rekening houden. Uiterlijk gezien kan men hen niet onderscheiden van hen die God niet toebehoren en hun toevlucht tot Jezus Christus nog niet genomen hebben. Zij genieten van deze wereld zonder te beseffen dat deze wereld – tot wie zij ook voor hun omkeer tot God behoorden – voorbijgaat en het rechtvaardig oordeel van God zal ontvangen. Zij zijn ook niet ‘echt’ gelukkig. Als u zichzelf diep in uw hart ook als zo’n Christen herkent, keer u om tot God, belijd uw leven zonder God. Dan ontvangt u vergeving op grond van het rechtvaardig oordeel dat over Christus kwam op het kruis van Golgotha. Gods Woord zegt – en daar gaat het ook over gelovigen – : “Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”. Het is ook goed om te weten, dat God Zich zeker nooit vergist, zoals de mens voortdurend wel doet. Als u nu – die dit leest – nog niet weet dat uw naam in het boek van het leven geschreven is: keer u dan om tot God en belijd uw zonden en misdaden aan Hem. Dan is er een weg ter ontkoming, want God heeft voor hen die Hem in geloof aannemen een oplossing voor dit ‘zondeprobleem’. God is rechtvaardig maar God is ook liefde. Hij gaf Zijn eigen Zoon opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God zond Zijn Zoon niet om de wereld te oordelen maar juist dat de wereld behouden zou worden (verg. Joh. 3:13-18). Maar daarvoor is wel geloof nodig. GELOOF DAAROM HEM NU HET NOG NIET TE LAAT IS! Jezus Christus heeft ‘plaatsvervangend’ het oordeel van God gedragen. Dit heeft Hij gedaan voor hen die in Zijn Naam (zouden) geloven. Een ander woord voor geloof is ‘vertrouwen’. Misschien helpt ook u dit om uzelf in het licht van God te plaatsen en te erkennen dat het volkomen in overeenstemming is met God, Die rechtvaardig is, dat de zonde en zonden geoordeeld moeten worden. God is heilig en kan op geen enkele wijze met zonde verbonden worden. Overigens ook niet in het leven van een kind van God. Er was – en is – geen mens die voor zijn eigen zonden, noch voor die van een ander, het oordeel van God kan ondergaan. Dat zou voor hem of haar de eeuwige dood betekenen. De mens kan niet voor zijn of haar eigen zonden betalen omdat hijzelf volkomen onder de slavernij van zonde ligt en besmet is met zonde(n). Dat wist God en daarvoor gaf Hij die geweldige oplossing waaruit zowel Zijn rechtvaardigheid als ook Zijn liefde op een unieke wijze blijkt. Hij gaf Zijn eigen Zoon, Jezus Christus, de Rechtvaardige. Een lied zegt het volgende:

Rechtvaardigheid drong aan op straf, genade vroeg om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide, die allebei voldoening gaf. O wonderbare gunstbetoning, o licht, dat zich van ’t kruis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid, hier straalt genadige verschoning.

Wanneer u dit ook ontdekt en aangenomen hebt, dan mag u ervan verzekerd zijn dat uw naam óók geschreven staat in het boek van het leven. Dit is dan geen gekoesterde ‘droom’ dat uw naam dan in het boek van het leven staat, maar een reële, levende werkelijkheid. Dat kunt u nu al weten nu u nog hier op aarde bent. Leest u daarvoor nog maar eens Johannes 3 vers 13-18. De apostel Paulus noemde ook meerderen die in het Boek van het leven stonden waarvan één zelfs met name, namelijk Clemens (Fil. 4:3). Dezen werden ook gekenmerkt door het dienen van de Heer Jezus. Dat zou met ieder zo moeten zijn. Immers als je Christus kent, Hem toebehoort, wil je niets liever dan Hem ook dienen om op deze wijze Hem te danken voor de geweldige bevrijding uit de macht van de zonde, uit de macht van satan en uit de macht van de dood (Hebr. 2:14-15; 9:26; Hand. 26:18). Geliefde ‘brusters’*, nu wend ik mij nadrukkelijk tot u die al wel de toevlucht genomen hebben tot Jezus Christus: ‘Laat zien in uw leven dat u een kind van God bent, dient de Heer Jezus met alle ijver die in u is’. Dit alles in het besef van die onnaspeurlijke genade en liefde van God waaraan u en ik deel hebben gekregen.

* * *

Nu nog enkele dingen die ook te maken hebben met (be)oordelen, met belijden, met vergeven en met berouw.

‘Belijden’ en ‘vergeving’ – berouw

“Toen kwam Petrus naar Hem toe en zei: Heere, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus zei tegen hem: Ik zeg u: niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal” (Matth. 18:21-22). Dat zonden erkend en beleden moeten worden aan God hebben we al gezien. Maar wanneer tegen ‘mensen’ gezondigd is, moet dit ook beleden worden. Wat er ook van komt! Ook als u gezondigd hebt tegen een ‘bruster’, geldt uiteraard dat dit beleden moet worden. Zonder enige terughoudendheid en … eveneens wat er ook van komt. Dit is namelijk de voorwaarde voor vergeving. Als zonde beleden wordt, kan en moet er vergeving volgen, en wel van harte (Matth. 18:35). Ook hierover is het Woord van God niet onduidelijk. God is namelijk ook een God van vergeving. Zo moeten wij ook altijd van harte bereid zijn om elkaar als kinderen van God te vergeven (zie Matth. 18:21-35; Ef. 4:32; Kol. 3:13). “… zoals Christus u vergeven heeft” moet ons hierbij steeds voor ogen staan. Dan wordt het ook niet meer zo moeilijk. Want moeten we niet erkennen dat het ‘elkaar belijden’ ons niet altijd zo van harte afgaat? En als het om meerdere keren gaat, worden we dan niet snel op z’n minst ‘kriegelig’? Petrus hanteerde de norm van 7. De Heer van 70 x 7 maal! Petrus dacht mogelijk dat hij nogal royaal was. Nee, uit liefde tot onze mede-bruster moeten wij de aanwijzing van de Heer Jezus volgen en onze norm bijstellen tot de norm van 70 x 7. Is dat niet de norm van de vergevende liefde die de bruster wil ‘winnen’? (Matth. 18:15). Dit winnen gaat echter wel via de weg van belijden, anders hoef je ook niet naar de bruster toe te gaan om hem of haar terecht te wijzen. De volgende overwegingen kunnen dan zijn: Waarom zou je dat eigenlijk doen? Dan rakel je immers alleen maar dingen op en dat brengt zielen niet tot elkaar? Dat brengt toch alleen maar verwijdering? Hierover zegt Gods Woord echter ook duidelijke dingen. “U mag in uw hart uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt” (Lev. 19:17). Het is juist liefde tot de bruster die terechtwijst, zodat deze niet langer beladen blijft met zonde. Dit ‘beladen zijn’ is tot oneer van de Heer en maakt immers niet gelukkig maar ongelukkig. Hoe brengen we iemand terecht? Het antwoord daarop vinden we heel duidelijk in bijvoorbeeld de volgende tekst: “Broeders, ook als iemand onverhoeds tot enige overtreding komt, moet u die geestelijk bent, zo iemand weer terechtbrengen, in een geest van zachtmoedigheid. Houd intussen uzelf in het oog, opdat ook u niet in verzoeking komt” (Gal. 6:1). Bijzonder leerzaam met het oog op ons onderwerp. Deze geest van zachtmoedigheid is bijzonder belangrijk. Ook hiervoor kunnen we naar de Heer Jezus opzien, Die “zachtmoedig en nederig van hart” was. Hij nam niet voor een tijd die houding aan maar “zo was Hij”. Dat kunnen we dus van Hem leren. Hoeveel kunnen we van Hem leren? Oneindig veel. O, dat wij die Hem toebehoren deze geest van zachtmoedigheid zullen laten werken in ons hart. Dat kan, geliefde brusters. Leert dit ons dezelfde Brief niet? Er staat in hoofdstuk 5 het volgende: “De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (Gal. 5:22). Ook de andere dingen die hier genoemd worden, kunnen ons heel goed helpen om een en ander in praktijk te brengen met betrekking tot belijdenis en vergeving.

Berouw

Nu nog het volgende punt, namelijk berouw. Hoeveel berouw moet iemand hebben én tonen, wil hij of zij vergeving ontvangen? “Geeft acht op uzelf. Als uw broeder zondigt, bestraf hem. En als hij berouw heeft {tot inkeer komt – HSV}, vergeef hem. En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal per dag naar u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, dan zult u hem vergeven” (Luk. 17:3-4 – Voorhoeve Vertaling 4e druk). Het ‘geeft acht op uzelf’ lijkt me cruciaal. Immers als wijzelf ‘te beschuldigen’ zijn, als wijzelf niet Galaten 5 vers 22 in de praktijk (proberen te) brengen, hoe zullen we dan onze bruster bestraffen? Laten we hier allereerst over nadenken voor we een bruster benaderen om hem of haar te bestraffen. Laten we in gebed gaan tot de Heer vóór we ‘bestraffen’ in de zin van deze tekst. Geeft dus acht op uzelf! In dit vers staat niet ‘hoeveel’ berouw hij moet hebben, maar ‘als hij berouw heeft’. Hiervan zou ik willen zeggen dat wanneer er echt berouw is in het hart, dit ook zichtbaar of hoorbaar wordt. Dit veronderstelt ook dat we berouw moeten ‘willen’ zien. Gebeurt het helaas niet soms zo, dat iemand er meer baat bij denkt te hebben, wanneer hij aan het berouw van de bruster voorbij ziet? De gedachte kan dan zijn: ‘Dit brengt mij meer geestelijk of materieel voordeel op, mogelijk kan ik mijzelf – of mijn positie onder de gelovigen – op deze wijze handhaven’. Het natuurlijke hart – het vlees – geeft hem of haar dit in. Dit is zeer verwerpelijk en niet oprecht voor de Heer. Berouw moeten wij niet ‘onder de tafel’ vegen maar juist toejuichen en erkennen en vervolgens belonen met onze vergeving. Dat zou God ook doen. Immers God is goed en mild om te vergeven. “U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven {of: tot vergeven bereid – Elberfelder Bibel, FW} en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen” (Ps. 86:5). Dat moeten wij dan ook zijn, bereid zijn om te vergeven, ‘mild zijn om te vergeven’! Mild zijn staat ook heel dicht bij ‘zachtmoedigheid’ (Gal. 5:22). Wat zegt de tekst (Luk. 17:4) wanneer een broeder zevenmaal per dag zondigt en zevenmaal per dag terugkomt en zegt: “Ik heb berouw”, dan zegt de Heer Jezus: “… dan zult u hem vergeven”. We zouden (misschien al wel bij de eerste keer?) zeggen: ‘Hij meent er helemaal niets van, want nu heeft hij opnieuw gezondigd en komt hij al weer aan met berouw’. Maar hier zien we duidelijk erkenning en vervolgens vergeving van ‘geuit’ en ‘getoond’ berouw. De Heer Jezus toont hier HOE wij vergeven moeten. Herinneren we ons nog die zondares uit Lukas 7? Zij had kennis van haar eigen vele zonden (vs. 47). Deze vrouw had ook veel lief, hetgeen voortkwam uit haar kennis van haar vele zonden. Zij betoonde deze liefde aan de Heer Jezus en zalfde wenend – in het bewustzijn van haar vele zonden – Zijn voeten (vs. 48). De Heer vergaf haar vele zonden. Ook wij moeten nooit vergeten dat onze zonden vergeven zijn! Dit zal ons ook helpen om ook de ander te vergeven en zijn we de Heer dankbaar en zijn we gelukkig met elke blijk van berouw van die ‘lastige en zondige’ ander. Ja toch?! Misschien is het ook goed nog aan te geven dat berouw niet afgedwongen kan worden. Ook niet de mate van berouw kan voorgeschreven worden. Dit moet we overlaten aan de persoon die berouw zou moeten tonen over zonden. De Heilige Geest zal hem of haar dit ongetwijfeld indachtig maken. De Heer kent ook in dit opzicht het hart! Wel mogen en ‘moeten’ we de Heer bidden of Hij het hart ontvankelijk wil maken voor het belijden van zonde(n). De liefde zou ons daartoe moeten dringen. “Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden, en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden” (1 Joh. 5:16). * Berouw komt uit het hart; * Berouw is op een of andere wijze zichtbaar; * Berouw moet erkend en beloond worden met vergeving!

Droefheid naar God

“Want de droefheid naar God bewerkt een onberouwelijke bekering tot behoudenis; maar de droefheid van de wereld bewerkt de dood” (2 Kor. 7:10). Tot slot. Zonder hierop heel uitgebreid in te gaan, wijs ik allereerst op het grote belang van “droefheid naar God”. Dat is immers essentieel voor elke belijdenis van schuld! Droefheid in overeenstemming met de wil van God heeft als resultaat ‘bekering tot behoudenis’. Dat betekent ook dat als wij in het midden van de gemeente met zonde geconfronteerd worden, wij allen ons voor God moeten stellen, in Zijn licht ons behoren te onderzoeken. Dan komt ongetwijfeld de vraag naar voren: “Hoe komt het dat dit in ons midden kon gebeuren?” Daarmee kan het tot een ‘worsteling’ worden voor Zijn aangezicht, omdat jezelf door Hem beoordeeld wordt. De Korinthiërs waren nogal trots geweest op hun gaven, zo leert ons de 1e Brief aan hen. Zij waren zelfs “opgeblazen” (1 Kor. 4:18; 5:2). Zij wisten zoveel in Korinthe maar toch werd onder hen hoererij gevonden die zelfs onder de volken niet bestond, dat iemand de vrouw van zijn vader heeft. Door hun ‘opgeblazenheid’ hadden zij geen droefheid naar God gehad vanwege deze zondige dingen. Misschien wisten ze niet wat zij hiermee moesten aanvangen. Maar wat zij wel konden weten, namelijk droefheid hebben naar God, “leed dragen”, werd bij hen niet gevonden. Als zij dit hadden gedaan, zou God hen duidelijk gemaakt hebben wat er gebeuren moest met dit verschrikkelijk kwaad dat zich onder hen afspeelde. Dan zouden ze geweten hebben dat hij die deze daad begaan heeft, weggedaan moest worden uit hun midden (1 Kor. 5:1-2). Dat dit niet door steniging, door de lichamelijke dood, plaats moest vinden, begrepen zij wel. Maar hoe moest dit dan? Deze vraag kan hen hebben beziggehouden, zonder het antwoord te weten. Maar zoals al aangegeven, wat zij wel wisten deden ze niet vanwege hun hoogmoed. Daardoor kon geen reiniging plaats vinden in hun midden. De apostel moest hen ook verwijten dat zij “vleselijk” in plaats van ‘geestelijk’ en dat zij ‘kleine kinderen in Christus’ waren (1 Kor. 3:1-2). Dit alles maakte dat zij zichzelf ‘verhoogden’ in plaats van zichzelf te ‘vernederen’. Dat had diep ingrijpende en nare gevolgen, die niet naar Gods gedachten waren, zoals de 1e Brief ons toont. Zij tolereerden het kwaad in hun midden, zij zagen het door de vingers. Hiermee waren zij mede schuldig dat het kwaad zich onder hen kon ontwikkelen. Hoewel zij niet schuldig waren aan die ene daad (1 Kor. 5:1), waren zij wel medeschuldig. Hun vleselijke toestand maakte dat zij geen gemeenschap met God hadden, waardoor dingen in hun midden gebeurden die niet in overeenstemming waren met God. Zij waren veel meer gericht op hun kennis, op uiterlijke tekenen en zochten bevrediging van hun eerzucht, zo leert ons de 1e Brief. Gelukkig echter kan de apostel in de 2e Brief melding maken van hun droefheid. En wel droefheid naar God. Hoewel zij niet besmet waren met die verschrikkelijke zonde die in hun midden voorkwam, kwam er diepe droefheid in hun harten dat deze dingen toch in hun midden voorkwamen zonder dat dit veroordeeld was. Dit maakte hen duidelijk dat zij gefaald hadden. Toen dit ‘herstellend’ werk in hun harten plaatsvond, kwam er bereidwilligheid om dit kwaad weg te doen, kwam er verontschuldiging, verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing. Nu kwam het bewijs bij hen openbaar dat zijzelf ‘rein’ waren in deze zaak (2 Kor. 7:12). Zij hadden zichzelf in het licht van God gesteld en door Hem laten beoordelen en deze beoordeling ook aangenomen. Het kwaad moet uit het hart worden weggedaan, moet met droefheid beleden worden. Dan is er ook geestelijke kracht en genade om het kwaad ook uit het midden weg te doen, als zich dat openbaart. Dit alles maakt ons ondermeer duidelijk dat wanneer het kwade zich in ons midden openbaart, dat dit weggedaan moet worden in het besef dat wij in een niet-geoordeelde toestand waren en daardoor het kwade kon binnendringen en zich kon nestelen. Zo zien we in de gemeente te Korinthe dat niet één de schuldige was, maar dat de gemeente ook schuldig was, zij het dat zij niet die ‘ene daad’ (1 Kor. 5:1) gedaan hadden. Dit geestelijk inzicht bracht hen tot verootmoediging. Verootmoediging voor de Heer – droefheid naar God – is de weg waarlangs wij licht ontvangen om te handelen in overeenstemming met de gedachten van God. Zowel persoonlijk als gemeenschappelijk. Het is ook goed om te begrijpen dat de tekst uit 2 Korinthe 7 vers 10 niet gaat om onze eeuwige behoudenis. Nee, het gaat hier over de behoudenis met betrekking tot het getuigenis van God op aarde. Op de weg van verootmoediging voor God blijft Zijn getuigenis bestaan. Dat behoort tot Gods orde. De gemeente van God moet niet een militaire orde zijn die strenge tucht uitoefent volgens de regels van de militaire wetten. Nee, zij behoort een getuigenis van God op aarde te zijn die leeft en handelt in gemeenschap met God en die door de Heilige Geest en door het Woord van God geleid wordt. * Dit zijn broeders en zusters in de Heer Jezus Christus.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol