2 jaar geleden

Wat doe ik met mijn lichaam? (II)

November 2016.

Onteren van het lichaam

Niet alleen door roken, drugs of alcohol kan het door God geschapen lichaam geweld aangedaan worden, maar het ‘onteren’ van het lichaam is vandaag ook aan de orde van de dag en wordt zelfs onder christenen verdoezeld of goed gepraat. Dit terwijl God hierover duidelijk Zijn afwijzing hierover uitgesproken heeft in Zijn Woord. Hierbij denk ik aan wat we in Romeinen 1 vinden. Daar vinden we ondermeer het volgende:

Romeinen 1:
25. Zij die de waarheid van God vervangen hebben door de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, die gezegend is tot in eeuwigheid. Amen.
26. Daarom heeft God hen overgegeven1 aan onterende hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;
27. en evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven en zijn in hun lust tegen elkaar ontbrand, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven en het verdiende loon voor hun dwaling in zichzelf ontvangen.
28. En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;
29. vervuld van alle ongerechtigheid, boosheid, hebzucht, slechtheid; vol afgunst, moord, twist, list, kwaadaardigheid;
30. kwaadsprekers, lasteraars, God-haters, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, uitvinders van boze dingen, [de] ouders ongehoorzaam,
31. onverstandig, trouweloos, liefdeloos, onbarmhartig;
32. die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen -, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.

Het is, denk ik, heel herkenbaar in onze wereld van vandaag. Overal zie je de proclamatie en de uitvoering van deze afschuwelijke dingen die lijnrecht ingaan tegen onze heilige God, die we door genade nu onze Vader mogen noemen. Wanneer het zover is gekomen dat God de mens – óók hen die belijden een kind van God te zijn – aan zijn eigen gedachten overgeeft, is dat een ontstellend droevige situatie. Zover kan het komen! Maar hoe komt dat? “Maar Mijn volk heeft naar Mijn stem niet geluisterd, Israël is tegenover Mij onwillig geweest. Daarom gaf Ik hen over aan hun verharde hart, zodat zij in hun eigen opvattingen voortgingen” (Ps. 81:12-13). Dit nu is het punt, dat dit gebeuren kan wanneer we niet luisteren naar Zijn stem. Dan moeten we God niet gaan verwijten dat Hij niet genoeg geduld met ons gehad heeft, wanneer we in de moeiten komen. Dan is omkeer nodig, bekering van deze weg naar Hem toe, die vergeving schenken zal wanneer deze zonden beleden worden. Want God is rechtvaardig. Hij handelt met beleden zonden op een wijze die overeenstemt met het feit dat Jezus Christus alle zonden gedragen heeft in Zijn lichaam op het hout (zie: 1 Petr. 2:24,25). Wanneer we iets in ons leven door de werking van de Heilige Geest ontdekken wat niet naar Gods gedachten is, en dit vervolgens ook belijden aan Hem, ontvangen we vergeving en is onze relatie met Hem weer hersteld. “Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle2 ongerechtigheid” (1 Joh. 1:9).

Ons lichaam heeft toekomst …

Nu enkele verzen over onze aardse tent (mijn sterfelijk lichaam) waarin wij wonen, dat afgebroken wordt (sterven), over een eeuwig huis in de hemelen.

2 Korinthe 5:
1. Want wij weten, dat als onze aardse tent waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig [huis], in de hemelen.
2. Immers, in deze [tent] zuchten wij, terwijl wij vurig verlangen met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden;
3. als wij namelijk, hoewel bekleed, niet naakt bevonden worden.
4. Immers wij, die in deze tent zijn, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed maar overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden wordt.
5. Hij nu Die ons hiertoe heeft bereid, is God, Die ons het onderpand van de Geest gegeven heeft.
6. Daarom hebben wij altijd goede moed, en weten dat wij, zolang wij in het lichaam wonen, niet bij de Heer wonen,
7. (want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen);
8. maar wij hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten* en bij de Heer inwonen.
9. Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, Hem welbehaaglijk te zijn.
10. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.

* Eigenlijk ‘liever uit het lichaam uitwonen’.

Ons lichaam is voor de Heer en zal eens ‘onsterfelijk’ gemaakt worden. “Want wij weten …” (vs. 1). Dat is nog wel toekomst maar is zeker ons deel wanneer we een kind van God zijn. Ook ons lichaam zal verlost worden. “… maar ook wij, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van [het] zoonschap: de verlossing van ons lichaam” (Rom. 8:23). Dat betekent echter natuurlijk niet dat we nu niet zuinig op ons lichaam zouden moeten zijn. Nu moet het lichaam nog sterven, afgebroken worden. Straks echter zal het zo zijn dat wij, wanneer wij nog leven bij de komst van de Heer Jezus, een hemels lichaam zullen ontvangen, dan zullen wij overkleed worden. Nu zuchten wij nog omdat wij de mogelijkheid om ontkleed te worden niet kunnen ontlopen. Het ‘ontkleed’ worden duidt erop hoe eerst ons stoffelijk lichaam afgelegd moet worden en later pas bekleed zal worden met een verheerlijkt lichaam. Het lichaam wordt hier vergeleken met een kleed. Ontkleed betekent dus dat het lichaam gescheiden wordt van de ziel.

De aardse tent waarin wij nu nog wonen, is dus ons lichaam. Daarin zuchten wij en worden voortdurend herinnerd aan de ‘voor ons liggende heerlijkheid’. Daaraan zal óók de schepping deel hebben omdat zij ook deel heeft aan de gevolgen van de zonde en in “barensnood” is. Dat zien we toch duidelijk om ons heen. De ‘voor ons liggende heerlijkheid’ is de verlossing van ons lichaam. Nu heeft ons lichaam nog geen deel aan de verlossing. Dit verwachten wij nog. Wanneer we bij de komst van Christus nog leven zullen wij ‘overkleed’ worden, dat wil zeggen dan zullen wij veranderd worden en wel in een ondeelbaar ogenblik (1 Kor. 15:52-54; Fil. 3:21) en zal dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.

Graag wil ik hierover ook nog doorgeven wat een broeder over 2 Korinthe 5 ooit eens schreef. Dit in twee delen. Hier volgt daarvan deel I. Het is wel raadzaam 2 Korinthe 5 voor je te nemen om het te kunnen volgen.

<<Inleiding

In het voorgaande hoofdstuk hebben we geleerd dat de apostel ondanks de vele oefeningen die hij meemaakte, niet uitgeput raakte omdat hij over de tijdelijke, zichtbare dingen uitzag naar de onzichtbare, eeuwige dingen. In het vijfde hoofdstuk gaat het nu om het voorrecht om iets van de zegeningen van deze eeuwige dingen te zien. We kijken in de hemel, waar we kunnen zien dat:

  • elke verloste een verheerlijkt lichaam wacht (vs. 1);
  • we bij de Heer zullen zijn (vs. 8);
  • we deelhebben aan de nieuwe schepping, waarin “het oude voorbij gegaan is” en “alles nieuw geworden” is (vs. 17).

Van sterfelijk lichaam tot het lichaam van de heerlijkheid

Vers 1. Want wij weten, dat als onze aardse tent waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig [huis], in de hemelen.
Vers 2. Immers, in deze [tent] zuchten wij, terwijl wij vurig verlangen met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden;
Vers 3. als wij namelijk, hoewel bekleed, niet naakt bevonden worden.
Vers 4. Immers wij, die in deze tent zijn, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed maar overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden wordt.

De apostel gebruikt het beeld van een huis, om de sterfelijke lichamen van de mens te vergelijken met het lichaam van de heerlijkheid, dat voor ons bereid is. Onze huidige “tent” is aards, menselijk, tijdelijk en sterfelijk. Ons lichaam van heerlijkheid is “in de hemel”, “van God”, eeuwig en onsterfelijk. Met het vertrouwen van het geloof kan een gelovige zonder een zweem van onzekerheid zeggen: “Wij weten”. Hij kent het gezegende deel dat ons te wachten staat wanneer we van deze sterfelijke lichamen bevrijd worden. Gezien deze zekerheid kan de apostel tweemaal zeggen: “wij zuchten”. We zien naar de heerlijkheid van het nieuwe lichaam en zuchten met de diepe wens om bekleed te worden met dit lichaam van heerlijkheid. We voelen de lasten die op het sterfelijke lichaam drukken en zuchten verlangend om dit uit te kunnen trekken. Toen de Heer Jezus  hier op aarde was, zuchtte Hij toen Hij het lijden voelde dat op de Zijnen komen zou, terwijl zij met hun sterfelijk lichaam bekleed zijn (Joh. 11:33,38). God laat het zuchten toe, maar geen gemor.

Als we vervolgens met het verheerlijkte lichaam bekleed zullen zijn, zullen we niet naakt bevonden worden, zoals Adam toen hij in zonde viel en aan het oordeel overgeleverd was. De apostel verlangt ook niet naar de dood. Hij wenst niet eenvoudig ontkleed worden en daardoor aan de huidige oefeningen te ontkomen, hoe gezegend die toekomst ook is. Hij verlangt naar de volle zegen om het nieuwe lichaam te dragen. Hij strekt zich uit naar de opname, wanneer de lichamen van de levende heiligen worden verwisseld in lichamen van de heerlijkheid, zonder dat zij door de dood gaan moeten. Want de apostel spreekt hier niet van dat vergankelijkheid onvergankelijkheid aan moet doen (verg. 1 Kor. 15:52,53), maar dat het sterfelijk lichaam onsterfelijkheid aantrekken zal en zo “door het leven verslonden” wordt.

Vers 5. Hij nu Die ons hiertoe heeft bereid, is God, Die ons het onderpand van de Geest gegeven heeft”.

Dit gezegend deel van de gelovige is geheel toe te schrijven aan het werk van God. Hij heeft ons toebereid voor het lichaam van de nieuwe schepping. Opdat we nu al in de toekomstige zegeningen in kunnen gaan, heeft Hij ons het onderpand van de Geest gegeven.

Vers 6. Daarom hebben wij altijd goede moed, en weten dat wij, zolang wij in het lichaam wonen, niet bij de Heer wonen,
Vers 7. (want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen);
Vers 8. maar wij hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten* en bij de Heer inwonen.

* Eigenlijk ‘liever uit het lichaam uitwonen’.

Met dit heerlijke perspectief dat ons het onderpand van de Geest geeft, “hebben wij altijd goede moed”. Zolang we nog in ons lichaam leven en daarmee niet bij de Heer wonen, hebben wij goede moed omdat we door geloof wandelen en niet door aanschouwen. Ook als we door de dood moeten gaan voordat de Heer terugkeert “hebben we goede moed”, omdat het met zegen voor ons verbonden is “bij de Heer in te wonen”.

Vers 9. Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, Hem welbehaaglijk te zijn.

Het feit dat we vandaag al in de zegen van de voor ons liggende heerlijkheid in kunnen gaan, leidt er in de praktijk toe dat we ons beijveren God welbehaaglijk te zijn in onze levenswandel en op onze wegen. Het geldt niet alleen voor de toekomst, maar ook al in deze tijd waarin we “niet bij de Heer wonen”. We kunnen soms zeer ijverig zijn op een manier te leven die ons zelf bevalt of voor anderen aangenaam is. Maar we doen er goed aan ons zelf af te vragen of we in al onze gedachten en woorden, in onze levenswandel en op onze wegen ijverig zijn om God welbehaaglijk te zijn.

De rechterstoel van Christus

Vers 10. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.

De vermelding van onze levenswandel brengt de apostel ertoe om te spreken van onze verantwoordelijkheid, ook van wat we gedaan hebben in tegenstelling tot wat God in zijn soevereiniteit voor ons bereid heeft. Daarom spreekt Paulus van de rechterstoel van Christus, die aan het eind van de levensweg staat, die we in verantwoordelijkheid tegenover God gaan. Hij zegt: „wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus”. Het verband lijkt erop te wijzen, dat deze verklaring van algemene aard is, zodat het zowel gelovigen als ook ongelovigen omvat.

Omdat ook van gelovigen gesproken wordt, zegt Paulus niet: “We moeten allen geoordeeld worden”, maar “wij allen moeten geopenbaard worden …”. Om dezelfde reden schijnt Paulus niet te spreken over het oordeel van personen, maar van dat “wat in het lichaam is gedaan”. De Heer Zelf heeft ons gezegd, dat een gelovige “niet in het oordeel komt” (Joh. 5:24). Ook willen wij ons eraan herinneren, dat we voor de rechterstoel van Christus komen zullen wanneer Hij terugkomt en wij veranderd worden in het “beeld van de Hemelse” (1 Kor. 15:49). Wanneer wij voor de rechterstoel van Christus staan zullen, zullen we een lichaam van heerlijkheid dragen zoals Christus. We zullen als de Rechter zijn.

Voor ons gelovigen gaat het voor dit tribunaal om onze daden die we in het lichaam hebben gedaan, hetzij goed of kwaad. Onze daden worden onder ogen gezien. Hoeveel hebben we van ons falen en ook van het goede in ons leven helemaal vergeten of zelfs nooit echt gekend. Maar alles zal op die dag in herinnering gebracht worden, zodat we de dingen precies kennen, zoals wij gekend zijn (verg. 1 Kor. 8:2,3). Zal dat niet leiden tot diepere waardering van de liefde en genade, die reeds met al ons kwaad gehandeld heeft en ons ondanks zoveel falen veilig aan het einde naar huis gebracht heeft? Tegelijkertijd zal elke kleine daad die Christus als motief had, worden beloond. Indien niet het gehele verleden tevoorschijn geroepen zou worden, zouden we, zoals iemand ooit zei, veel ‘materiaal’ voor de lof die we in de eeuwigheid uitspreken en zingen zullen, verliezen. Het openbaar worden voor de rechterstoel maakt ons niet geschikt voor de heerlijkheid, maar stelt ons in staat om de heerlijkheid in volle mate te genieten. Hamilton Smith >>

Wordt DV vervolgd.

NOTEN:
1. Leviticus 18:22-23: “U mag niet slapen met een mannelijk persoon, zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel.
Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een beest gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad”.
2. Alle of ‘elke’.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol