11 jaar geleden

Vrijmoedigheid

De uiteenzettingen, die wij onder de titel “Bijbelse begrippen” aan de lezers voorstellen, hebben niet het doel een “theologische” betekenis uitleg te geven, maar moeten eenvoudige begrippen, die vandaag misschien anders verstaan worden of ook ongebruikelijk geworden zijn, verklaren. Daarbij willen we telkens op haar gebruik in verband met de Heilige Schrift ingaan. Dit kan natuurlijk nauwelijks op een uitvoerige wijze gebeuren, maar kan misschien daartoe dienen, richting van denken voor onze praktijk als Christen te geven.

Nu behandelen we een bijzondere uitwerking van het geloof: vrijmoedigheid.

Allereerst daarom eens wat vrijmoedigheid niet is: een fors optreden, omdat men van zichzelf en zijn bekwaamheid een opdracht aan te pakken en op te lossen, overtuigd is.

In de heilige Schrift betekent vrijmoedigheid, dat wij ondanks de hele macht, die in deze wereld tegenover ons staat, “dapper” en “verzekerd” zijn, omdat God voor ons is. Het gaat om een houding van geloofszekerheid, die God schenkt1.

De uitdrukking – samengesteld uit de beide woorden “vrij” en “moed” – maakt duidelijk, dat het om een zeker “vrij” optreden gaat, waarbij men “moedig” is. Zo wordt het Griekse begrip parresia respectievelijk het daaruit afgeleide werkwoord parresiazomai ook met “vrijuit zeggen” (in Johannes 10:24), “vrijuit verkondigen/spreken” (Johannes 16:25,29), “ronduit/vrijuit zeggen” (in Johannes 11:14,54) vertaald (zie o.a. Statenvertaling, NBG-vertaling, Voorhoeve-vertaling 4e druk en Telos-vertaling); op de meeste plaatsen ook met het woord “vrijmoedig spreken”, vrijmoedig zijn” respectievelijk met het zelfstandig naamwoord “vrijmoedigheid”.

Het begrip wordt regelmatig positief gebruikt. Overigens lijkt het mij interessant te zijn, dat er geen plaats in de heilige Schrift is, waar iemand zegt of van iemand gezegd wordt, dat er geen vrijmoedigheid was, of dat iemand het helemaal van zichzelf gezegd zou hebben. Dat schijnt mij te tonen, dat God bij de Zijnen – en alleen bij hen wordt het begrip “vrijmoedigheid” toegepast – eigenlijk het tegendeel, namelijk ontbrekende vrijmoedigheid, niet veronderstelt.

Het vaakst komt het begrip vrijmoedigheid in Handelingen voor – er zijn hier alleen al twaalf plaatsen waarin bij de eerste gelovigen van de genadetijd daarvan gesproken wordt:

Petrus spreekt met vrijmoedigheid tot de Joden (hoofdstuk 2:29), hij en Johannes vallen de oversten van de Joden op door hun vrijmoedigheid (hoofdstuk 4:13), de apostelen en de andere discipelen spreken het Woord van God met vrijmoedigheid (hoofdstuk 4:31), Paulus sprak vrijmoedig in de naam van de Heer (hoofdstuk 9:27-28), Paulus en Barnabas “zeiden/spraken met vrijmoedigheid” (hoofdstuk 13:46, vergelijk 14:3), Apollos “begon vrijmoedig te spreken in de synagoge” (hoofdstuk 18:26), Paulus “nu ging in de synagoge en sprak vrijmoedig drie maanden lang” (hoofdstuk 19:8), voor koning Agrippa sprak hij “met vrijmoedigheid” (hoofdstuk 26:26), en tenslotte lezen we in het laatste vers van Handelingen van Paulus, dat hij allen ontving die bij hem binnenkwamen, “predikte het koninkrijk van God en leerde aangaande de Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, ongehinderd” (hoofdstuk 28:31).

Men kan boven de manier waarop de apostelen gesproken hebben, hoe zij gepredikt hebben, hoe zij hun geloof voorgeleefd hebben, de titel zetten: “Met vrijmoedigheid”.

Hoe kwamen de apostelen en de eerste Christenen tot deze vrijmoedigheid? Het is geen vertrouwen op eigen kracht en bekwaamheid, God heeft het hen geschonken, zij is uit geloof voortgekomen.

Een plaats in Handelingen maakt dat, naar het mij toeschijnt, zeer duidelijk: In hoofdstuk 4 lezen wij van de tegenstand, die de oversten en oudsten van de Joden tegen de apostelen en hun prediking bewerkstelligden, doordat zij hen bedreigden en maatregelen tegen hen beraadslaagden. Petrus zou nu, zoals enige tijd voorheen, totaal zelfbewust hebben kunnen optreden in vertrouwen daarop, dat hij toch duidelijke woorden te spreken had. Zijn prediking met Pinksteren bewees dat toch! Maar niets daarvan! Toen hij en Johannes tot de “hunnen” gingen (vers 23), richtten zij samen eendrachtig een ernstig gebed tot God en zeiden onder ander: “En nu, Heer, zie op hun dreigingen en geef uw slaven met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken …” (vers 29). Zij baden met absoluut vertrouwen, een gebed van geloof! En zij werden onmiddellijk verhoord (vers 31).

Een kort onderzoek in welke verbanden van vrijmoedigheid gesproken wordt of waartoe vrijmoedigheid bestond, bestaan moet en kan, toont het volgende:

1. Vrijmoedigheid, de voorrechten en zegeningen die de Heer Jezus ons door Zijn dood, Zijn opstanding en verheerlijking verworven heeft, ook werkelijk en persoonlijk in bezit te nemen, namelijk:

  • Vrijmoedigheid tot praktisch toepassen van de waarheid, dat alle gelovigen (uit Joden en volkeren) in Christus op een nieuwe grondslag gesteld zijn en de zegen daaruit bezitten mogen, dat zij daarmee de toegang in de tegenwoordigheid van God, de Vader, hebben (Efeze 3:12);
  • Vrijmoedigheid om het heiligdom in te gaan door het bloed van Jezus, dat betekent toegang tot God, de heilige en rechtvaardige, waarvan het naderen anders onverbiddelijk de dood voor de zondaar betekend zou hebben (Hebreeën 10:19);
  • Vrijmoedigheid tot de troon van de genade te naderen, omdat de troon van de heiligheid en de gerechtigheid van God voor de gelovige een troon van genade geworden is, waar hij genade en barmhartigheid vindt, alles op grond van het feit, dat Christus als Hogepriester daar is (Hebreeën 4:16);
  • Vrijmoedigheid tot het onwrikbaar vasthouden van de geschonken hoop (Hebreeën 3:6).

2. Vrijmoedigheid in de dienst voor de Heer

  • tot prediking van het Woord van God (alle aangevoerde plaatsen in Handelingen, Efeze 6:19-20; 1 Thessalonika 2:2);
  • tot en in de “bediening van de Geest”, “bediening van de gerechtigheid” (bijvoorbeeld in de prediking van de uitnemende heerlijkheid van het evangelie (2 Korinthe 3:12);
  • tot de dienst als “dienaar” of “diaken”, en tot verdere werkzaamheid in het geloof als gevolg van trouwe dienst (1 Timotheüs 3:13);
  • tot toewijding in de dienst van het evangelie, al zou het zijn tot de dood (Filippi 1:20).

3. Vrijmoedigheid in het persoonlijke leven van de gelovige

  • tot gebed, uit de wandel met reine harten voor God (1 Johannes 3:21);
  • tot het verschijnen voor Hem, de Heer, – voor de rechterstoel van Christus-, voor de dienaars (hier de apostel Johannes en zijn medeapostelen), die niet “met lege handen”, dat betekent beschaamd daar zouden mogen staan, of voor ieder van ons, wanneer wij navolgers van de Heer in deze wereld zijn (1 Johannes 2:28 respectievelijk 4:17).

4. Vrijmoedigheid van de apostel Paulus in bijzondere situaties

  • uit liefde tot de Korinthiërs en tegelijk in het vertrouwen op de waarheid van Zijn Woord – vrij tot hen te spreken en hen te vermanen (2 Korinthe 7:4);
  • aan Filemon dat te gebieden, dat te doen, wat goed en gepast is, in het bijzonder in de aangelegenheid van de weggelopen slaaf Onésimus, daar hij als apostel van Jezus Christus absolute autoriteit daartoe bezat; maar terwille van de liefde beveelt hij niet, maar spreekt een wens uit (Filemon :8-21).

God wil ook ons vrijmoedigheid schenken tot een getuigenis voor Hem, onze Heer; een vrijmoedigheid die uit het leven van geloof en uit liefde tot onze Heer voortkomt. Het was reeds de wens van de apostel, dat “met alle vrijmoedigheid” in zijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood, “Christus wordt grootgemaakt” (Filippi 1:20).

Rainer Brockhaus, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol