2 weken geleden

Vragen over de erkenning van gemeenten

“Voorwaar, ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn” (Matth. 18:18).

Een weliswaar complexe situatie

We leven in de 21e eeuw. De wereld is niet hetzelfde als in de eerste eeuw. Dit geldt niet alleen voor technologie en de maatschappij, maar ook voor het christelijke getuigenis op aarde. In het begin gingen alle gelovigen dezelfde ‘kerkelijke’ kant op: er waren geen kerkelijke namen of organisaties, maar christenen kwamen eenvoudig samen als christenen, op verschillende plaatsen maar in gemeenschap met elkaar.

Bovendien waren er in het vroege begin (zie Hand. 2-4) geen geestelijken, geen getolereerde dwaalleringen, geen twijfel over Bijbelse inspiratie, enzovoorts.

Dat alles is drastisch veranderd.

Deze situatie roept vragen op – vooral met betrekking tot de basisprincipes waarop wij als christenen onze gemeenschappelijke koers funderen, beslissingen nemen, ons samenkomen, tucht en opname uitoefenen enzovoorts. Onze situatie vandaag is gewoon veel complexer dan het ooit was: Er is niet langer één ‘kerkelijke’ weg, maar duizenden, en velen daarvan lijken aantrekkelijk of min of meer gelijkwaardig naast elkaar te staan.

Een bemoedigend feit

Wat nu? Is het een dilemma zonder een uitweg? Een situatie waarin je voor het minst kwade moet kiezen? Of gewoon moet accepteren, dat er geen ‘perfecte wereld’ meer is en daarom ook geen goed ‘kerkelijk’ pad?

Het is interessant – en uiterst troostrijk – dat het Nieuwe Testament, vooral waar het spreekt over de latere ontwikkelingen op het christelijke erf, benadrukt dat er nog steeds een weg is naar Gods gedachten en dat het ook mogelijk is om deze weg te gaan:

  • In de tweede brief aan Timotheüs wijst Paulus er nadrukkelijk op, dat de laatste dagen zware tijden zullen zijn, maar zonder iets van de tot dusver vastgehouden waarheid op te geven of aan de voortgang respectievelijk verval te offeren. Iedereen die deze brief leest (vooral de hoofdstukken 2 en 3) zal dat heel duidelijk kunnen vaststellen.
  • Judas gaat nog verder. Hij schrijft over de tijd waarin men steeds meer van het christelijk geloof afwijkt en uiteindelijk helemaal verlaat respectievelijk in het tegendeel verkeert en de Heer Jezus Christus geheel ontkent. Het eerste begin ervan was al merkbaar in zijn tijd (Judas vs. 4). Interessant genoeg staat er juist in deze brief: “Hem nu Die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich …” (vs. 24).

God heeft altijd een weg. Dit is al te zien in het Oude Testament. Rond 607 voor Christus zag het er verschrikkelijk uit voor Gods volk: 10 stammen waren in Assyrië, 2 stammen in Babylon, er was geen koning in Israël, de tempel was verbrand en Jeruzalem werd vernietigd! Toch was er een weg die God behaagde: de terugkeer naar de plaats die Hij had gekozen om Zijn Naam daar te doen wonen.

Tot op de dag van vandaag is er een weg die Gods goedkeuring vindt. Of we op deze weg zijn, is een andere vraag. We moeten ons niets aanmatigen. Maar aan de andere kant moeten we ons  laten bemoedigen om te zoeken naar de weg die God voor ons heeft (Ps. 132:4,5 en Deut. 4:29).

Moeilijke vragen

Hoe ziet deze weg, waar God op wijst, er dan uit – vooral met het oog op het samenkomen “als gemeente” (1 Kor. 11:18)? Is het vandaag nog steeds mogelijk om Bijbelse principes te praktiseren, ook en vooral met betrekking tot onderwerpen zoals de toelating tot het breken van brood, de relatie tussen gemeenten op de verschillende plaatsen, enzovoorts?

Wij zijn ervan overtuigd, dat dit inderdaad het geval is. God is niet verrast door de ontwikkelingen van onze tijd. Hij heeft er van tevoren over gesproken en aanwijzingen gegeven.

Dat we vandaag met moeilijke vragen worden geconfronteerd, staat natuurlijk buiten kijf. Hier zijn enkele concrete voorbeelden:

  • Wie kunnen en moeten we tot de broodbreking toelaten?
  • Kan men onderscheid maken tussen aanbevelingsbrieven uit ons bekende gemeenten enerzijds en andere gemeenten anderzijds?
  • Als je alleen aanbevelingsbrieven erkent van gemeenten die we kennen, is dat dan niet sektarisch?
  • Zou iemand niet de vrijheid moeten hebben om het brood te breken waar men ‘Bijbelgetrouw’ is en waar geen kwade leringen of praktijken voorhanden zijn?
  • Moet men ook niet vrij zijn om gelovigen uit dergelijke plaatsen of groepen te ontvangen om brood te breken?
  • Als iemand zich niet heeft gerealiseerd, dat plaatselijke gemeenten niet onafhankelijk zijn en daarom ook ‘onafhankelijke’ groepen bezoekt, kan hij daarom dan niet deelnemen aan het breken van het brood?
  • Kan iemand zich ooit van een gemeente afscheiden (en zo ja, waarom lees je er niets over in het Nieuwe Testament)?
  • Als gemeente A zich van gemeente B afscheidt, wat hebben andere gemeenten daarmee te maken?

Een sleutel

Een gedetailleerde bespreking van deze vragen gaan we hier niet doen. In plaats daarvan wil ik een vers introduceren dat ons de sleutel geeft om de meeste van deze vragen zelf te beantwoorden. Ik bedoel de woorden die de Heer Jezus over dit onderwerp zei:

“Voorwaar, ik zeg u1: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn” (Matth. 18:18).

De Heer verklaart dat de gemeente op een bepaalde plaats bevoegd is om te binden en te ontbinden, dat betekent in de christelijke gemeenschap op te nemen (‘ontbinden’) of ook daarvan uit te sluiten (‘binden’). Hij doet de verbazingwekkende uitspraak dat een dergelijke handeling geldig is in de hemel. Bijna niemand zou eraan twijfelen dat het op aarde (wereldwijd) geldig is. Het is interessant dat dit vers nooit spreekt over binden of ontbinden op één plaats, maar over binden en ontbinden op aarde. Ook deze uitdrukking onderstreept de wereldwijde geldigheid van de handeling. Zo ook in Mattheüs 18 vers 19.

Waar komt deze autoriteit vandaan? Ligt ze in de onfeilbaarheid van de gemeente? In geen geval, want ze is niet onfeilbaar. De Heer Zelf geeft het antwoord: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20). Het is een afgeleide autoriteit, het is de autoriteit van de Heer Zelf Die aanwezig is temidden van gelovigen.

Op het geval dat een gemeente een verkeerde beslissing neemt, ga ik nu slechts heel kort in: als dat het geval is, dan zal de Heer – als deze gelovigen werkelijk tot Hem vergaderd zijn en Hij daarom in hun midden is – hun deze vergissing tonen, zodat ze haar fout kan corrigeren. Als ze dit over lange tijd gezien niet doet, rijst de vraag of ze echt vergaderd zijn tot de naam van de Heer (meer hierover later).

De toepassing in het begin

Hoe konden deze beginselen in het begin worden nageleefd? Het was relatief eenvoudig. Alle gelovigen vergaderden zich tot de Naam van de Heer. Men was op verschillende plaatsen vergaderd, maar in gemeenschap met elkaar. Als iemand – zoals Fébe – deelnam aan het breken van het brood in Korinthe, kon en moest deze persoon ook opgenomen worden in Rome (niet alleen tot het broodbreken, maar ook dat). Als de Korinthiërs iemand vergaven, dan vergaf zelfs een apostel Paulus hem evenzo (2 Kor. 2:10).

Er waren ook “gemeenten” op verschillende plaatsen. Alle waren vergaderd tot de Naam van de Heer. Alle werden door iedereen erkend. Elke gemeente kan aanbevelingsbrieven van andere accepteren en deze daarheen ook meegeven.

Degenen die deelnamen in A mochten dit ook in B en C doen. En wie in D werd uitgesloten van de christelijke gemeenschap, was het ook in E en F (en overal elders).

Wanneer het op één plaats problematisch toeging (zoals in Korinthe), dan zorgden ze ervoor, werkten ze er aan om misstanden op te lossen, wangedrag te corrigeren en verkeerde houdingen toe te geven en te veranderen. We weten dat dit daadwerkelijk in Korinthe is gebeurd en dat alles een goed resultaat heeft gehad.

De toepassing vandaag

Tegenwoordig is alles ingewikkelder – maar de principes zijn hetzelfde. Net zoals een Israëliet uit Babylon naar Jeruzalem terug kon keren, zo kunnen ook wij vandaag de dag volgens Bijbelse principes handelen.

Laten we beginnen met de “onveranderlijke”, met wat vandaag nog steeds geldig is:

  • De belofte van de aanwezigheid van de Heer (daar, waar men in Zijn Naam vergaderd is);
  • het gezag van de Heer;
  • het gezag van de gemeente, waar de Heer in het midden is;
  • de universele geldigheid van de beslissingen van een dergelijke gemeente;
  • de daaruit voortkomende verplichting om dergelijke beslissingen te erkennen (en het daaruit voortkomende recht om op dergelijke beslissingen te vertrouwen).

Dit laatste betekent niet, dat er geen vragen mogen worden gesteld, maar allereerst (‘prima facie’2) wordt erkend. Het is niet mogelijk om op lange termijn een samenkomen als in de Naam van de Heer te beschouwen en toch zijn beslissingen te negeren.

Daarbij kunnen we ons vandaag niet onttrekken aan de vraag: welke gelovigen zijn vergaderd tot de Naam van de Heer? We kennen waarschijnlijk niet alle dergelijke groepen in alle landen, maar besluiten erkennen (zoals binden en ontbinden), kunnen we alleen dan, als de autoriteit bestaat dergelijke besluiten te nemen (dat wil zeggen waar de Heer in het midden is).

Laten we eens de tegenovergestelde positie innemen. Het is begrijpelijk dat sommige gelovigen hier heel voorzichtig in zijn en vragen: kunnen we onszelf een oordeel veroorloven? Komt het ons toe anderen te beoordelen? Kunnen we ooit weten waar de Heer aanwezig is? Enzovoorts. Maar men ziet iets over het hoofd. Want als je deze moeilijkheid zou willen vermijden, zou men:

  1. Of besluiten (en daarmee ook aanbevelingsbrieven) van alle christelijke groepen erkennen, of
  2. geen besluiten (en daarmee ook geen aanbevelingsbrieven) erkennen.

Dat optie 2 geen oplossing is, ziet iedereen onmiddellijk: het zou het principe in Mattheüs 18 vers 18 schenden. Hoe kan men zeggen: “Ja, deze gelovigen kunnen tot de Naam van de Heer vergaderd zijn, de Heer kan daar zijn, ze hebben iets besloten, de Heer heeft gezegd dat het universeel geldig is, maar we onderzoeken alles zelf, we accepteren geen beslissing!”? Onvoorstelbaar!

Maar optie 1 is ook geen oplossing. Als je hier consequent wilt zijn, moet je alles erkennen: ook de excommunicatie door de katholieke kerk (bijvoorbeeld een persoon die tegen een van hun onbijbelse dogma’s geschreven heeft), de toelating van alle gedoopten tot het avondmaal in een andere kerk, enzovoorts. Dit is ook onmogelijk.

We komen dus, zoals gezegd, er niet omheen onszelf de vraag te stellen: zijn er gelovigen in onze omgeving die zich op Bijbelse basis vergaderen in de Naam van de Heer? In veel gevallen kennen we hen en onderhouden we al jaren een gelukkige gemeenschap, inclusief de wederzijdse erkenning van besluiten. In geval van twijfel moeten we de dialoog zoeken en – voor zover het aan ons is – deze vraag verduidelijken. Waar we nieuwe groepen gelovigen ontmoeten, moeten we ook het gesprek zoeken om te zien of een gemeenschappelijke weg op Bijbelse basis mogelijk is. Zonder reden om van hen gescheiden te blijven zou sektarisch zijn. Wanneer zij zich van het kwaad afscheiden en de Naam van de Heer uit een rein hart aanroepen (2 Tim. 2:21,22), moeten we gemeenschap en wederzijdse erkenning zoeken.3

We willen niet beweren, dat dat eenvoudig is. Vaak zal er behoefte zijn aan gesprek en verduidelijking. Ook zal de situatie niet statisch zijn. Er ontstaan nieuwe groepen die zich ook in overeenstemming met de Bijbel willen vergaderen (de Heer zij dank!), en anderen zullen (helaas) afstand nemen van Bijbelse principes.

Maar anders gaat het niet. We kunnen geen beslissingen erkennen, als we niet weten waar en door wie ze worden genomen met het gezag van de Heer. Om dat te doen, zal geestelijke energie nodig zijn. Steeds opnieuw zullen er gevallen zijn, waarin vragen gesteld en beantwoord moeten worden. Het zal zonder geestelijke energie en houding niet mogelijk zijn. Het is niet voor niets dat Paulus schrijft: “… terwijl u in alle nederigheid en zachtmoedigheid met lankmoedigheid elkaar in liefde verdraagt [en] u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band4 van de vrede” (Ef. 4:2).

Maar hoe zit het met “andere Bijbelgetrouwe gemeenten”?

Als een groep gelovigen ‘Bijbelgetrouw’ is, zullen ze deze principes ook erkennen. Dan moeten we met vreugde vaststellen, dat we onbeperkt gemeenschap kunnen hebben. De vraag die moeilijker is: hoe zit het met de gemeenten, die ‘relatief Bijbelgetrouw’ zijn, maar de bovenstaande principes niet zien? Dus bijvoorbeeld degenen die zeggen: bij ons kan iedereen beslissen waar hij anders nog deelneemt, zolang hij hen maar voor Bijbelgetrouw houdt. Of degenen die zeggen: wij zijn ook Bijbelgetrouw, maar we erkennen uw besluiten niet (hoewel we u zien als vergaderd in de Naam van de Heer).

Een dergelijke positie betekent, dat men de vraag wie tot de Naam van de Heer vergaderd is, aan het individu overlaat (of geheel wordt genegeerd). Iedereen kan hier een andere (of zelfs geen) positie vertegenwoordigen. Het gevolg is dat men niet meer weet welke gelovigen kunnen worden beschouwd als vergaderd in de Naam van de Heer, wiens beslissingen men erkennen kan, enzovoorts. Men heeft niet langer de mogelijkheid om samen te handelen, maar laat het aan een ieder over om “te doen, wat recht is zijn ogen”. Het principe van Mattheüs 18 vers 18 zou dan niet meer uitvoerbaar zijn.

En wie dat niet begrijpt?

Als een gelovige met ons brood wil breken, die niet uit een gemeente komt, waarvan we weten dat die is vergaderd in de Naam van de Heer, rijst de vraag waarom hij niet volgens dezelfde principes vergadert. Heeft hij het begrepen? Heeft hij er zelfs over gehoord? Is hij oprecht? Als hij werkelijk oprecht is, maar nog niet voldoende is onderwezen om deze principes te begrijpen, moeten we hem na goed onderzoek laten deelnemen aan het breken van brood. Maar dan hebben we ook de plicht om hem bekend te maken met de waarheid – en dan moet hij ook de Bijbelse leer aannemen. Als hij zich daartegen verzet of andere principes begint te verdedigen, neemt hij niet de plaats van een ‘ongeletterde’ en oprechte in.

En hoe zit het met de “gemeente-shopping”?

Hoe zit het met degenen die bewust heen en weer willen switchen tussen verschillende kerkelijke wegen? Het meest voorkomende geval is waarschijnlijk dat van personen, die ooit de hierboven beschreven weg hebben gevolgd (wederzijdse erkenning van gemeenten en hun besluiten volgens Matth. 18:18) en er zich vervolgens bewust tegen gekeerd hebben. Kunnen dergelijke gelovigen daarom niet meer deelnemen aan het breken van brood?

We behandelen hier ook een geval, waarin het niet om onwetenden gaat, maar degenen die (bewust) een andere weg hebben gekozen. Er zijn twee verschillende wegen: een weg waarbij volgens Mattheüs 18 vers 18 gehandeld wordt en een weg waarbij dat niet gebeurt. Maar is dat nu “slecht”? Moet je niet verschillende overtuigingen toestaan? Maakt men dan niet toch het begrip van de kerkelijke weg tot voorwaarde voor de deelname?

We hebben het al gehad over werkelijk onwetende mensen. Hier behandelen we het geval van degenen, die niet onwetend zijn. Is het hier niet eenvoudig een kwestie van oprechtheid? Mag ik op een zondag zeggen, dat ik op grondslag X wil vergaderen (onafhankelijke gemeenten, persoonlijke beoordeling en beproeving, enz.), en de volgende zondag op basis van Y (eenheid van het lichaam, erkenning van gemeenten en hun besluiten volgens Matth. 18:18, enz.)? Is het eerlijk om van tijd tot tijd de principes van X te loochenen, omdat je vrienden of familieleden hebt met wie je het brood wilt breken, maar die zich juist volgens principes Y vergaderen?

Als iemand bewust op zo’n dubbel spoor loopt en bereid is, om uit gemak of om mensen te plezieren, van tijd tot tijd de principes te verloochenen, die hij of zij anders als juist erkent, kan men daar dan nog ervan spreken, dat zij de Heer uit reine harten aanroepen?5

Kan en moet men niet begrip hebben, als er twijfels rijzen? Kan iemand werkelijk oprecht op sommige zondagen bepaalde beginselen “onderschrijven” en op andere zondagen geheel andere en daarmee niet verenigbare beginselen?

De Bijbel zegt meer

Toegegeven, dit artikel is zeer onvolledig. In dit verband moet men eigenlijk 2 Timotheüs 2 veel uitgebreider behandelen, en daarbij de tafel van de Heer (1 Kor. 10), het avondmaal van de Heer (1 Kor. 11), de eenheid van het lichaam (1 Kor. 10 en 12 en Ef. 4), de eenheid van de Geest (Ef. 4), de plaatselijke gemeente als uitdrukking van de gehele gemeente van God, het onderwerp van de toelatingseisen, de verontreiniging door verbindingen (waartoe er naast 2 Tim. 2:21 en 2 Johannes :11 nog vele andere passages in het NT zijn), enzovoorts. We kunnen dit allemaal niet doen in het raam van dit artikel (ook niet alle vragen die aan het begin zijn gesteld bespreken). Maar wat dit artikel tracht te bereiken, is aantonen dat de Heer ons met een enkel vers (Matth. 18:18) een hulpmiddel in de handen geeft, dat bij de vraagstellingen van dit artikel uiterst nuttig is. Dit vers alleen al toont ons een uiterst belangrijk beginsel. Wie de andere hierboven genoemde passages (en nog meer andere) erbij neemt, zal merken dat deze daarmee in overeenstemming zijn en het beginsel bevestigen.

Met al de nodige voorzichtigheid …

Bovenstaande regels zijn niet geschreven om gemeentelijke arrogantie te promoten. Daar moeten we altijd voor oppassen. We willen heel bescheiden zijn. Niettemin blijft het: God heeft een weg. “Second best” is niet goed genoeg. Jeruzalem is er nog steeds – de plaats die God verkozen heeft. De vraag is: zal Hij ons daar vinden?

NOTEN:
1. Meervoud. {FW}
2. Op het eerste gezicht. {FW}
3. We spreken van erkenning in de zin van “herkennen”. Een groep gelovigen wordt geen schriftuurlijke gemeente door erkenning, maar wij herkennen in haar de kenmerken van een Bijbelse gemeente. Niemand verleent een “status” – we stellen alleen vast, dat deze gelovigen volgens de Schrift samenkomen.
4. Eig. sterker: ‘samenbinding’. {FW}
5. Sommigen proberen de vraag of iemand een “boze” is, ongedaan te maken (1 Kor. 5:13). Maar om de Heer vanuit een rein hart aan te roepen, is er meer nodig dan alleen geen “boze” te zijn. Daar moet je oprecht voor zijn.

 

Michael Hardt; ©  www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 15.05.2019.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW