7 maanden geleden

Vijf dorpen (2)

Mattheüs 3 vers 13-17; Lukas 2 vers 39-52; Lukas 3 vers 21-22

Nazareth

De Verachte“Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. 1:46)

De jaren van stilte (Luk. 2:39-52)

Mattheüs 2 vers 23 en 4 vers 13 geven een beeld van het verblijf van Jezus in Nazareth. Hij bracht het grootste deel van Zijn leven op aarde door in dit dorp, weg van de grote verkeersaders, midden in de heuvels ten westen van de zee van Galilea. Daar werd Hij “grootgebracht,” zoals Lukas 2 vers 39-401 ons vertelt.

<<Zijn ontwikkeling was regelmatig en altijd zoals het moest zijn; zijn mensheid was natuurlijk in zijn ontwikkeling. Zijn wijsheid hield gelijke tred met Zijn grootte en leeftijd; Hij was eerst een kind, toen een man>> (John G. Bellett). Zo toont Lukas 2 vers 40 Hem in Zijn kindertijd en vers 52 in Zijn jeugd: volmaakt in alle fases van het leven, niet als kind doende wat Hij als man zou doen, maar Zich in alles gedragend naar Zijn leeftijd en de positie waarin Hij was gekomen.

Wat een Voorbeeld voor ons, die als jonge mensen zo gemakkelijk op de zaken vooruit willen lopen en ondernemen wat ons nog niet is toevertrouwd! Maar ook als volwassenen gedragen we ons vaak als kinderen en vergeten we de bediening die de Heer ons heeft toevertrouwd, door te verzuimen elkaar te dienen “als goede rentmeesters van de veelvoudige genade van God” (1 Petr. 4:10) die we van Hem hebben ontvangen. Het is bijvoorbeeld niet gepast voor een jongeling om op te treden in de samenkomst; maar het zal gepast zijn als een jongeman die de Heer liefheeft en met de Zijnen van Zijn gedachtenismaal geniet, begint te bidden in de gebedsbijeenkomst. Het is nog niet gepast voor hem om de samenkomst te onderrichten; maar als hij heeft kunnen groeien “in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus” (2 Petr. 3:18), hoe zal een passend woord welkom zijn, als de Heer hem daarin zal leiden.

Vanaf Zijn kindertijd en jeugd vertelt het Woord ons noch over een wonder noch over een onderwijzing van de Heer Jezus: daarvoor was de tijd nog niet gekomen. Maar als de tijd daar is, zal Hij niet nalaten Zijn bediening te vervullen. Als kind en als jongeman was Hij onderdanig aan Zijn ouders (Luk. 2:51), maar als Zijn moeder en broers Hem later willen tegenhouden in Zijn werk, zal Hij verklaren, dat Hij niet naar hen kan luisteren.

In alles gedroeg Hij zich zoals een kind zich hoort te gedragen, maar de Geest van God wilde het voorval op het pascha in Jeruzalem voor ons bewaren (Luk. 2:41-50) om ons duidelijk te laten zien dat Hij zich er op twaalfjarige leeftijd al van bewust was dat Hij de boodschapper van de Vader was (vs. 49). Hoe in overeenstemming was Zijn houding met Zijn leeftijd! Het was heel natuurlijk voor Hem om in de tempel te zijn, niet om er te leren, zoals Hij later zo vaak zou doen en tot de laatste dag van Zijn leven, noch om de indringers eruit te jagen, maar om tussen de leraren te zitten, naar hen te luisteren en hen vragen te stellen. Het zou niet gepast zijn geweest voor een kind om hen te onderwijzen, maar Zijn vragen en Zijn antwoorden waren zodanig, dat allen die Hem hoorden verbaasd waren over Zijn inzicht en Zijn antwoorden. Wijsheid had zichzelf tot een kind gemaakt om de volmaakte Mens te kunnen worden.

Door deze scène in zijn morele toepassing te bekijken, komt er nog een praktische les voor ons naar voren. Hoe gemakkelijk verliezen we de gemeenschap met de Heer! We hebben dan niet meer het besef, dat Hij met ons meereist, en vaak zonder dat we ons daarvan bewust zijn! Zijn ouders waren al een hele dag onderweg (Luk. 2:43) en “wisten het niet” dat Jezus niet bij hen was.

Toen zijn haar werd afgeknipt, dacht Simson, dat hij al zijn kracht nog bezat; hij wist niet dat de HEER van hem geweken was (Richt. 16:20).

In het Hooglied wil de bruid niet gestoord worden en wil ze de deur niet opendoen als haar minnaar aanklopt: “Ik heb mijn onderkleed uitgetrokken. Waarom zou ik dat weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen. Waarom zou ik ze weer vuilmaken?” (Hoogl. 5:3). En toen ze eindelijk opstond om Hem open te doen, “maar mijn Liefste was weg, Hij was weggegaan” (Hoogl. 5:6). Op dezelfde manier onderbreekt het kwaad of een nalatigheid, waarvan we ons bewust zijn maar die we niet hebben geoordeeld, onze gemeenschap en berooft ons van het genot van de liefde van de Heer.

Herstel kan onmiddellijk plaatsvinden als we onszelf oordelen en ter plekke aan de Heer belijden wat de oorzaak was van de verbroken gemeenschap; maar het kan ook lang duren en veel oefeningen van het hart kunnen nodig blijken. Drie dagen lang zochten de ouders naar het kind in Jeruzalem zonder Hem te vinden, omdat ze er niet eens aan gedacht hadden Hem in de tempel te zoeken! (zie Ps. 27:4).

De doop (Matth. 3:13-17; Luk. 3:21,22)

Mattheüs vertelt ons, dat Jezus, voordat Hij Nazareth verliet om in Kapernaüm te gaan wonen, vanuit Galilea “naar de Jordaan ging om door Johannes gedoopt te worden.” Johannes de Doper had aangekondigd dat het koninkrijk van de hemel nabij was. Hij had gesproken over de macht van Hem die zou komen, wiens sandalen hij niet waardig was te dragen. Hij waarschuwde voor het oordeel, dat Hij zou uitoefenen door Zijn dorsvloer door en door te reinigen en het kaf met onblusbaar vuur te verbranden. Men moest er dus op voorbereid zijn om Hem in Zijn macht te zien verschijnen, een Koning vergezeld van al Zijn rechterlijke pracht en praal.

Maar toen Jezus bij de Jordaan aankwam, was Hij uit Galiléa gekomen, het verachte deel van het land, niet om gekroond te worden, maar “om gedoopt te worden!” Hij kwam om het teken van de dood voor Zichzelf te ontvangen. Hij nam Zijn plaats in bij hen die berouw toonden in Israël door hun zonden te belijden, zodat hun harten klaar zouden zijn om Hem te ontvangen die zou komen. Niet dat Hij Zichzelf moest bekeren, maar het paste Hem, het was zelfs rechtvaardig, dat Hij Zich één maakte met hen die op deze manier God zochten. <<Hij neemt voor God de plaats in van de geringste van Zijn volk>> (John Nelson Darby); dit was in overeenstemming met de positie die Hij had ingenomen.

Maar de Vader wilde, dat Hij boven alle anderen geëerd zou worden. Na al degenen die “over Hem spraken” in de eerste drie hoofdstukken van Lukas, is het nu de stem van de Vader Zelf die te horen is: “Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.”

Bezoek aan Nazareth

Heeft Jezus in de jaren van Zijn dienst meer dan één bezoek gebracht aan Nazareth? Dat is moeilijk te zeggen. Misschien vat Lukas 4 vers 16-30 twee of drie opeenvolgende bezoeken samen, waarvan één hetzelfde zou zijn als dat in Markus 6 vers 1-6 en Mattheüs 13 vers 54-58. Hoe dan ook, het Woord stelt ons in Lukas de dingen voor alsof het één enkel bezoek was geweest, waar Hij eerst aangenomen en daarna verworpen werd. “… en ging naar zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge.” Als kind had Hij deze synagoge al bezocht en ons zo een voorbeeld gegeven van wat gepast is om te doen op de dag van de week die God voor Zichzelf heeft afgezonderd. Toen Hij twaalf jaar oud was, wilden Zijn ouders, dat Hij met hen meeging naar Jeruzalem voor het pascha; dit laat zien dat wij onze kinderen al op jonge leeftijd mee kunnen nemen om de gedachtenismaaltijd van de dood van de Heer bij te wonen.

Met alle ogen op Hem gericht (Luk. 4:20), had de Heer net de passage in de profeet Jesaja gelezen, die over genade spreekt en was net gestopt bij de woorden die het oordeel aankondigden. “En allen gaven Hem getuigenis en verwonderden zich over de woorden van de genade die uit Zijn mond kwamen” (Luk. 4:22). Onder Zijn heerlijkheden was deze overheersend: “… genade is op Uw lippen uitgegoten” (Ps. 45:3). Hij was gezalfd “om aan armen het evangelie te verkondigen … om aan gevangenen loslating te prediken … het aangename jaar van de Heer” (Luk. 4:19). Deze aangename tijd duurt nog steeds voort (2 Kor 6:2-3), maar het toneel zal veranderen!

Openbaring 5 toont ons Hem weer als het Middelpunt van alle ogen, met een boek in Zijn hand, maar dan niet het boek van genade, maar het boek van oordeel. Als Hij het opent, zal de toorn van de mensen niet tegen Hem worden ontketend, zoals toen de genade zich wilde verspreiden onder de volken (Luk. 4:28), maar de toorn van het Lam (Openb. 6:16) zal dan komen over degenen die Zijn liefde hebben afgewezen.

“En zij stonden op, wierpen Hem de stad uit en voerden Hem op [de] rand van de berg … om Hem van de steilte af te werpen” (Luk. 4:29). Hoeveel jaren leefde Hij niet in Nazareth, vol zachtmoedigheid en onderdanigheid, “in gunst bij God en mensen” (Luk. 2:52) en dit is wat Hij er voor terug kreeg: “Voor Mijn liefde klagen zij Mij aan …” (Ps. 109:4). Hij had Zich van de berg af kunnen laten werpen door deze van woede vervulde menigte; er zou Hem niets ergs zijn overkomen, net zo min als wanneer Hij Zich op aandringen van de duivel van het dakrand van de tempel naar beneden had laten werpen (Luk. 4:9-11); maar <<toen Zijn leven werd bedreigd, verbaasde Hij de wereld niet door een daad die bewondering wekte; integendeel, Hij maakte Zichzelf tot niets. Hij zou net zo gezond en gaaf aan de voet van de berg zijn aangekomen als op de bodem van de tempel. Maar hoe zou dan de Schrift vervuld zijn, die had aangekondigd dat Hij Zijn eer niet zou zoeken? “Hij echter ging midden tussen hen door en vertrok” (Luk. 4:30). Hij trok zich terug zonder opgemerkt te worden, en bleef in de gestalte van een dienstknecht>> (John G. Bellet).

Wat een straal van Goddelijke heerlijkheid straalt er uit van deze Man die zich rustig kan afwenden van een uitzinnige menigte, er doorheen kan lopen en weg kan gaan zonder dat iemand Hem durft aan te raken!

In Markus 6 vers 1-6 (net als in Matth. 13:54-58) zien we Hem weer in Nazareth. Wat werd Hij daar veracht! “Is Deze niet de timmerman, de zoon van Maria? … En zij namen aanstoot aan Hem.” Zijn we verbaasd over zo’n verkeerde beoordeling van Zijn Persoon, Wiens wijsheid al lang was geopenbaard, Wiens wonderen talrijk waren, Die zoveel jaren onder hen had geleefd? En wat zeggen we dan van die jongens en meisjes die uit een christelijk gezin komen, die Hem van jongs af aan over Hem hebben horen spreken, die zelfs een tijdlang Zijn onderricht konden waarderen en beïnvloed werden door Zijn genade, maar zich dan van Hem afkeren en Hem verachten? (Hebr. 10:29). “En Hij kon daar geen enkele kracht doen … .” Er is geen behoudenis voor hen die de Heiland afwijzen. Maar het Woord voegt eraan toe: “behalve dat hij enkele zieken de handen oplegde en hen genas.” Te midden van algemeen ongeloof kon genade zich nog steeds uitstrekken naar enkele lijdende mensen waar een sprankje geloof Hem toestond te werken.

Jezus van Nazareth

De naam van de verachte komt veertien keer voor in de Evangeliën en zeven keer in de Handelingen van de Apostelen, dus eenentwintig keer in het Nieuwe Testament. <<God heeft Nazareth niet veracht, maar de mens veracht Jezus omdat Hij uit Nazareth komt>> (John Nelson Darby). Toen Filippus tegen Nathanaël zei: “Wij hebben Hem gevonden van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten: Jezus, de Zoon van Jozef, van Nazareth” (Joh. 1:46), drukt Nathanaël zijn lage achting voor zo’n dorp uit als hij zegt: “Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” En toen de menigte die Bartimeüs passeerde zei, dat Jezus, de “Nazarener” voorbij kwam, was dit waarschijnlijk een minachtende titel; maar de blinde man, door God geïnstrueerd, wendt zich tot Hem met de uitroep: “Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij” (Mark. 10:47). Hij ontmoette deze minachting ook van de dieven in Gethsemané (Joh. 18:5,7) of van het dienstmeisje voor wie Petrus loochende (Mark. 14:67,68), en nog meer van Pilatus door het opschrift op het kruis: “Jezus de Nazoreër, de koning der Joden” (Joh. 19:19).

Maar op de dag van de opstanding zal dezelfde verachtelijke titel door de engelen worden opgeworpen als behorend bij Zijn heerlijkheid: “Jezus, de Nazaréner, de Gekruisigde.” De discipelen van Emmaüs, sprekend over “Jezus de Nazaréner”, zullen naar Hem verwijzen als een “profeet, krachtig in werk en woord voor God en al het volk” (Luk. 24:19). En in de Handelingen van de apostelen zal de Naam, die de verachte Man gedragen had, maar die nu gebruikt wordt om te verwijzen naar de Opgestane, benadrukt worden als de enige “naam onder de hemel … waardoor wij behouden moeten worden” (Hand. 4:10,12). Tenslotte zal het gebruikt worden door de Heer Zelf, die Saulus van Tarsus vanuit de heerlijkheid zal toespreken en tegen hem zal zeggen: “Ik ben Jezus de Nazoreeër, die jij vervolgt!” (Hand. 22:8).

“Zo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft, tegen de Knecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, vorsten – zij zullen zich voor U neerbuigen …” (Jes. 49:7).

 

NOOT:
1. Zie ook Lukas 4 vers 16.

 

Georges André; © www.haltefest.ch

Jaar 1975; bladzijde 57

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW