14 jaar geleden

Jonge mensen in de Bijbel (9)

Verzoeking en overwinning

VOORDRACHT 4A

Genesis 37-47

Er bestaat geen twijfel over het feit dat Jozef een treffend en mooi type is van de Heer Jezus Christus. Als het niet zo was zou ik deze geschiedenis niet hebben uitgezocht om haar voor te stellen. Precies zoals Jozef door het vooruitzien dat God hem gaf om het koren in schuren op te slaan voor iedereen in Egypte de redder werd, zo is Jezus, de Zoon van God en de Zoon des Mensen, weliswaar verworpen door de mensen maar door God verheerlijkt, de enige Redder voor de mensen in hun nood als zondaars. De parallel tussen Jozef en Jezus is erg treffend.

Jozef komt voor de eerste maal naar voren als jonge man van zeventien jaar (Genesis 37:2) – ik geloof zeker dat tamelijk veel van jullie ongeveer van dezelfde leeftijd zijn – en we vinden dat zijn vader hem op reis zendt, zeggende: “Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broeders … en breng mij een woord weer” (Genesis 37:14). Evenzo lezen we van onze gezegende Heer: “Dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Heiland van de wereld”. Kende de wereld Hem? Oh, nee! “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en heeft Hem niet gekend. “Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Johannes 1:10,11). Zo was het hier ook. Nauwelijks verscheen Jozef tussen zijn broers of zij beraamden, zoals je weet, zijn dood. Hij had een droom gehad en in die droom had hij gezien dat hun korenschoven zich bogen voor zijn schoven. Hij had ook een tweede droom gehad en de zon, maan en sterren gezien die zich diep voor hem bogen.

Zij konden het idee van zijn verhoging niet verdragen. Ze haatten hem waarom zij hem “de meester-dromer” (Genesis 37:19) noemden en daarom beraamden zij zijn dood; maar Ruben redde hem en zei: “Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil” (Genesis 37:21). Je weet wat daarna gebeurde. Hij werd voor twintig zilverlingen aan de Ismaelieten verkocht. Ik behoef jullie niet te vertellen dat Judas Jezus voor dertig zilverstukken verkocht – de prijs van de geringste slaaf. Hier werd Jozef als slaaf verkocht en als gevangene naar Egypteland afgevoerd en verliezen we hem voor een tijdje uit het oog. Aan het einde van hoofdstuk 37 krijgen we dat “de Midianieten hem verkochten in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der lijfwachten” en in hoofdstuk 38 hoor je niets van Jozef. Daarin laat God ons iets weten over Juda. Ik lees het niet voor; misschien wil je het zelf doen. Wie van jullie thuis een Bijbel heeft of in je logies, lees dan juist het achtendertigste hoofdstuk van Genesis en let op de verschrikkelijke geschiedenis die de vleselijke lust, zonde en slechtheid van de zijde van Juda, een van Jozef”s broers onthult. Het is niet nodig hierover uit te weiden. Het is een akelige geschiedenis maar een onverbloemd relaas van wat een mens kan doen. Maar dat is het mooie van de Bijbel. God vertelt de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid over de mensen en hun zonde en hun dwaasheid en toont zo hoe zijn genade meer dan overvloedig kan zijn waar de zonde zo overvloedig is. Wie heeft ooit gedacht dat Perez of Phares (vers 29) in de directe geslachtslijn van de Zaligmaker zou verschijnen? Maar het is zo (zie Mattheus 1:3).

Soms vallen mensen de Bijbel aan en zeggen: Kijk toch eens wat voor een dingen in de Schrift worden verteld. Ik zal je vertellen waarom God de mens schildert zoals hij is en niet zoals hij zich graag voordoet. Wat hij is en wat hij doen kan, is opgetekend zonder er iets van af te doen. De Bijbel vertelt de waarheid of het de mensen bevalt of niet. Er zijn veel jonge mensen die het niet bevalt, wanneer hun leven opgeschreven en in het openbaar zou worden voorgelezen. Kom op, ik doe een beroep op je, zou het jou bevallen wanneer je leven en de geschiedenis van de bevrediging van je lusten en zonden in het openbaar te lezen zou zijn? O nee, dat geloof ik niet! Er zijn velen die dit lezen met een schuldig geweten die zouden zeggen: “God verhoedde het dat mijn leven openbaar gemaakt zou worden”. Daar stem ik mee in. Het punt is dat het leven zo moet zijn dat wij ons niet zouden behoeven te schamen wanneer het gepubliceerd werd.

Zo was het bij Jozef. Juda had nooit gedacht dat zijn gehele zonde met zijn schoondochter gepubliceerd zou worden; maar ik schat het zo in dat God ons laat weten wat er in hoofdstuk 38 wordt vermeld omdat het een zeer sterk contrast vormt met hoofdstuk 39. Terwijl Jozef nog een jonge man is, wordt hij daar gezien in een verzoeking van de verschrikkelijkste soort. De vrouw van zijn meester zet hem onder druk van een zeer ordinair karakter en liet haar invloed gelden om hem er toe te brengen te wandelen in de voetstappen van Juda. Laten we kijken hoe hij aan deze strik, die voor zijn voeten gezet is, ontkomt.

De aantrekkelijke maar godvruchtige jonge man zegt tegen Potifar’s vrouw: “Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” (Genesis 39:8). Hoeveel jonge mannen die dit lezen zouden zo geantwoord hebben? Hoeveel van jullie zijn ervan overtuigd dat zij schuldig geweest zijn aan wat Jozef noemt “een groot kwaad”? O, mijn vrienden, over hoererij en overspel wordt klein gedacht in deze wereld, ervan uitgegaan dat het niet wordt ontdekt; maar vergeet niet dat er geschreven staat: “hoereerders en overspelers zal God oordelen”. Vanaf het begin tot het einde van de Heilge Schrift heeft God op de meest duidelijke taal over dit punt gesproken. “Maar de vreesachtigen en ongelovigen en zij die gruwelen bedrijven en moordenaars en hoereerders en tovenaars en afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt; dit is de tweede dood” (Openbaring 21:8). “Buiten zijn de honden en de tovenaars en de hoereerders en de moordenaars en de afgodendienaars en een ieder die de leugen liefheeft en doet” (Openbaring 22:15). Wat een rampzalig situatie de eeuwigheid door te brengen in duisternis en buiten de tegenwoordigheid van God! Ellendig is de man die op deze lijst staat – welgelukkig hij die er niet op staat!
Hoe goed is het voor ons op te merken dat Jozef deze meest verschrikkelijke verzoeking weerstaat en ontvlucht. Wat is het geheim van zijn bewaring? Hij zegt: “Hoe zou ik dan zondigen tegen God?” Zijn oog is op God gericht. Hij leeft voor God. Gelukkige man! Hij voelt in tegenwoordigheid van God aan wat goed en kwaad is en dat iedere zonde, of het “tegen zijn eigen lichaam” (zie 1 Korinthe 6:18) is of niet, zonde tegen God is. “Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” is een kostelijk weerwoord. Het getuigde van een godvruchtig gezindheid en een teer geweten. Gelukkige man! “Welgelukzalig de man die verzoeking verdraagt; want beproefd bevonden, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben” (Jakobus 1:12).

Maar laten we Jozef’s geschiedenis verder volgen. Zijn gevoelig geweten en verzet tegen de verleiding bracht hem in de moeilijkheden. De vrouw van zijn meester vertelde een leugen om haar eigen zonde te bedekken. Natuurlijk was Potifar boos en het verbaasd mij niet dat Jozef in de gevangenis werd gegooid. Wat is het gevolg? Alles werkt mee tot zegen voor Jozef en tot vervulling van de plannen van God. In hoofdstuk 40 komt hij in aanraking met twee gevangenen die dromen gedroomd hadden. De een was de overste van de bakkers en de andere de overste van de schenkers van de farao; en elk van de beide mannen had zijn eigen droom die ik nu niet nodig vindt te vertellen. Zij vertelden Jozef hun dromen en hij zei tegen de overste schenker: “Dit is zijn uitleg: de drie ranken zijn drie dagen. Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Farao”s beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze van doen, toen gij zijn schenker waart. Doch gedenk mij bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij de Farao, en maak dat ik uit dit huis kom. Want ik ben met bedrog ontstolen uit het land der Hebreeen; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben” (Genesis 40:12-15).

Verderop in hetzelfde hoofdstuk lezen we: “Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem (Genesis 40:23). Hoe lijkt de geschiedenis van Jezus in alles op deze! Hij heeft ons gezegend en welgedaan en wij hebben Hem vergeten. Mijn vrienden, jullie hebben Jezus vergeten, is het niet? Hoe menig mens moet als hij eerlijk is, toegeven: Ik heb Jezus vergeten. Maar jullie zouden kunnen zeggen: Wat heeft Jezus gedaan? Jozef deed de overste schenker de geruststellende kennisgeving dat in plaats van door zijn schuld onthoofd te worden, hij weer in zijn oude ambt hersteld zou worden; en wat heeft Jezus voor ons als schuldige zondaars gedaan? Hij kwam ongevraagd in deze wereld en was werkelijk niet welkom; Hij stierf op het kruis – Hij de zondeloze heeft onze zonden gedragen en na het werk van de verlossing volbracht te hebben, heeft God Hem gezet aan Zijn rechterhand in de heerlijkheid. Vanuit de heerlijkheid komt nu Zijn stem en zegt tot ons: “Doch gedenk Mij bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan Mij”. Wat een ontroerend woord is dat voor ieder die in Hem gelooft! Elk van hen kan zeggen: Ik weet dat het goed is met mij, ik weet dat ik gered ben, ik weet van mijn vergeving en ben een begenadigd mens door Christus, ik weet dat ik het eeuwige leven bezit door de Heer Jezus Christus. Staat het niet inderdaad goed met allen die zo kunnen spreken? Al deze spreekt Hij aan: “Doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding”. Aan wie, Heer? antwoord mijn hart en ik hoor Hem zeggen: “Aan de jonge mensen in Edinburgh die Mij niet kennen”.

Ik zou jullie dan ook graag melding van Hem willen maken, lieve jonge mensen die Hem niet kennen, die Hem noch liefhebben noch naar Hem vragen. Laat mij jullie weer vertellen dat Jezus de verheerlijkte en eeuwig levende Heiland is. Hij heeft mij gered en Hij wil jouw nu redden en je kunt dan naar buiten gaan en de geschiedenis van Zijn liefde en reddende genade aan anderen vertellen. Het is iets heel moois om uit te gaan om anderen te vertellen van Jezus. Voor de liefhebbende getroffen harten zijn deze woorden: “Doch gedenk mij bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal”. Gaat het ons als Christenen niet goed? Ja. Gaat het goed met hen die gered zijn? O, ja! Gaat het goed met de bekeerde mens? Jazeker. Gaat het goed met hen die niet gered zijn? Nee. Gaat het goed met de goddeloze mens? Absoluut niet. Jong mens, wandelend en gedreven door zonden – je gaat zo het oordeel tegemoet – staat het goed met je? Ja, het is verre van goed met je ziel. Onbekeerde, het staat slecht “erg slecht” met je ziel. Luister nu want, let op, je zult je eens toch moeten buigen voor Jezus.

Wordt vervolgd D.V.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM