9 jaar geleden

Vergeving (4)

Deel 4

Het spijt mij

“Mijn verontschuldiging” schijnt het woord het zijn, dat het moeilijkst over de lippen komt. Ieder weet uit ervaring, hoe moeilijk het vanuit menselijk oogpunt is, om vergeving te vragen. In een kleine serie zal het thema van wederzijdse vergeving behandeld worden, dat voor het samenleven als gelovigen zo “van levensbelang” is. In deze bijdrage gaat het om de voorwaarden, die wij aan mensen stellen, die tegen ons gezondigd hebben. Hoeveel belijdenis van zonden, hoeveel berouw moeten zij tonen, opdat wij hen vergeven?

Hoeveel berouw hebben we nodig?

Er zal nauwelijks iemand bestrijden, dat wij elkaar vergeven moeten. Wanneer ons in de praktijk vergeving moeiten geeft, ligt het probleem meestal bij iemand anders: “De andere heeft immers niet om vergeving gevraagd! Hij heeft immers niet werkelijk berouw gehad, heeft mij zijn zonde niet beleden. Tenminste niet volledig. En ook niet oprecht. Maar verbonden met verwijten jegens mij. Het klopt weliswaar – ‘de liefde bedekt een menigte van zonden’ (1 Petr. 4:8), maar alleen wat toegegeven is, kan ook bedekt worden. Een belijdenis moet open zijn, en wel volledig en oprecht. Bovendien – zo snel gaat het niet: ‘Wie zijn overtredingen belijdt en laat, zal barmhartigheid ontvangen (Spr. 28:13) – ik wil ook een volledige correctie van zijn gedrag zien, bekeken over een langere termijn. De weg van berouw is nooit eenvoudig – en ik zou het de andere daarmee ook niet te gemakkelijk maken …”. Zulke of soortgelijke gedachten heeft het gekwetste ego, als iemand hem iets aangedaan heeft – en dat klinkt allemaal zeer “geestelijk”, of …?

Nu is het inderdaad zo, dat volgens Gods maatstaf de schuld tussen mensen door belijdenis en vergeving opgeruimd moet worden. Het is niet genoeg “er eens over gesproken te hebben”. Een schuldbelijdenis is geen lariekoek. Wanneer ik “Sorry” zeg, mag het in sommige, onbeduidende situaties voldoende en toereikend zijn – maar wordt met dit woord eigenlijk een “zonde” beleden? Ik kan ook mijzelf niet “verontschuldigen”. Ik kan om verontschuldiging vragen1 – maar wat God verlangt, is, dat ik mijn zonde concreet noem en belijd. Daarom kan men zich daaraan niet onttrekken. Ik kan ook niet zeggen: “God heeft mij vergeven, dat moet jij ook doen”. De schuld moet in elke betrekking, om welke het gaat, afzonderlijk opgeruimd worden: Tegenover God, tegenover mensen en indien van toepassing ook tegenover de gemeente. Het voorbeeld uit Leviticus 5 maakt duidelijk: De gelovige Israëliet die zich schuldig gemaakt heeft, moet God een schuldoffer brengen (vs. 6), hij moet daarenboven zijn zonde belijden (vs. 5) en tenslotte zijn schuld ook daadwerkelijk weer goed maken en schadevergoeding geven (vs. 16; 6:4,5).

 De sleutel tot reiniging van schuld door vergeving is de zonde(n)belijdenis. Dat betekent, dat men zijn “zonde belijdt”.

Een moeilijke weg

De weg van belijdenis en vergeving is voor beide kanten moeilijk, omdat beiden, zowel belijdenis als ook vergeving, het ego weerstreeft:

  • Een zonde te belijden, legt bloot, dat mijn “schone jasje” een vlek heeft. – Maar kon ik werkelijk ooit beweren, een schoon jasje te hebben? Wij allen struikelen vaak, ook ik, ook de andere.
  • Een zonde te vergeven, betekent, de andere een “schuld” kwijt te schelden, die hij tegenover mij heeft. De andere is niet meer in het ongelijk. Ik ben niet meer het slachtoffer, sta “moreel” niet meer “boven hem”. – Maar is de ander voor de Heer niet precies zoveel waard als ik? Meer nog: De andere toont geestelijke kracht, doordat hij zijn zonde belijdt – dan ben ik aan zet. En is het niet beter, elkaar weer in de ogen te zien, in plaats van op de ander neer te zien?

Het is goed hier twee kanten uit elkaar te houden, namelijk Gods kant en de mijne. Als iemand tegen mij gezondigd heeft, heeft hij ook tegen God gezondigd. Beslissend is uiteindelijk niet mijn, maar Gods kant: De verhouding van de broeder met God is verstoord, hij zal geestelijk lijden. Dat kan mij niet onverschillig zijn, als ik hem werkelijk liefheb. Daarom zal ik mij inspannen, dat de broeder met God in het reine komt. Maar ik ben niet bevoegd om Gods werk te doen in het geweten van de ander. Ik ben niet degene, die de “waardige vrucht van berouw” in de ander tevoorschijn brengt en beoordelen kan. Ik ben niet de tuchtmeester van mijn broeder; ik moet hem niet door zielsoefeningen leiden, louteren en herstellen. Maar ik moet: Vergeven!

Daarom moet ik niet Gods kant met mijn kant vermengen, die mijzelf als “slachtoffer” van de zonde maakt. Ook ik heb weliswaar een zeker “recht” erop, dat de zonde beleden wordt. Maar ik kan van dit “recht” afzien. Zo heeft het onze Redder Zelf gedaan, toen Hij God de Vader bad, hen te vergeven die Hem kruisigden – zonder dat deze mannen ook maar enig berouw betoond hadden (Luk. 23:34)2. Stefanus volgde Zijn voorbeeld op, toen hij gestenigd werd (Hand. 7:60).

Ik moet dus de andere de zware weg niet nog zwaarder maken, doordat ik een uitdrukkelijke, uitgebreide en oprechte belijdenis eis – hoe wenselijk dat allemaal ook is. Misschien geeft mij een vriendelijke geste het signaal dat mijn broeder/zuster het begrepen heeft. En kan al niet een pure gedragsverandering tonen, dat de andere berouw heeft? De zonde van hardheid van het hart en onbarmhartigheid brengt broeders en zusters snel in de loopgraven; bereidheid om te vergeven haalt hen eruit en brengt hen tot het bouwen van bruggen. Het vraagt stappen naar elkaar toe, van beide zijden.

→ Men moet elkaar de belijdenis en de vergeving niet door hoge aanspraken en eisen verzwaren.

De volgende keer: Wat wij van ons Voorbeeld, de Heer Jezus, leren kunnen, als het om vergeving gaat.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT VERTALER:
1. Met de vraag om “verontschuldiging” vraagt men eigenlijk om vergeving. Eigenaardig dat het veel moeilijker valt, dat te formuleren, wat men bedoelt: “Ik vraag u om vergeving”. Daarbij verlangt God eigenlijk geen vraag omvergeving, maar een belijdenis van zonde. Op het belijden moet de andere kant vergeven – daarom moet ik eigenlijk niet extra vragen. Vergeving kan ik in ieder geval niet eisen, maar God verlangt het van de andere zijde, aan wie ik de zonde beleden heb.
2. Deze vergeving heeft geen betrekking op het eeuwig heil, maar daaop, dat God deze mensen niet onmiddellijk om de verschrikkelijk misdaad – de Zoon van God te kruisigen – veroordeelt. De Heer zal deze vraag aan de Vader maar nauwelijks uitgesproken hebben, zonder ook Zelf deze mannen persoonlijk vergeven te hebben.

Thorsten Attendorn

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW