4 maanden geleden

Vanaf de eerste dag (2)

Handelingen 9 vers 11

“En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer. En de Heer zei tot Hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.”

Wij hebben opgemerkt dat de nieuwe mens die bij de nieuwe geboorte begint te leven vanaf de eerste dag duidelijke tekenen van leven geeft, wanneer hij niet geremd wordt in zijn ontwikkeling: hij begint zich in de Heer te verblijden en grijpt elke gelegenheid aan om aan de voeten van Jezus te gaan zitten om naar Zijn Woord te luisteren.

Zijn andere kenmerk is ook, dat hij een intieme gebedsgemeenschap onderhoudt met God, de Vader en de Zoon. Wij willen dit nogmaals illustreren met een voorbeeld.

“Zie, hij bidt”

Slechts drie dagen geleden had Saulus een bekering meegemaakt. Was het echt? Ananias, die hem de handen zou opleggen, twijfelde. Was de gewelddadige vervolger van de gemeenten werkelijk een christen geworden?

De Heer bevestigde dit door te zeggen: “Zie, hij bidt!”

Was bidden iets nieuws in het leven van Saulus? Als een ijverige farizeeër had hij toen zeker al veel gebeden verricht!

Zeker, maar waren dit geen gebeden van zelfgerechtigheid? Hoe ver zulke gebeden kunnen gaan, zien we in een duidelijk voorbeeld in Lukas 18 vers 9-14. Die farizeeër gedroeg zich als een pauw die op het rad slaat en de pracht van zijn veren voor ieders ogen ontvouwt. Die man had het genoegen zijn deugden en werken van de wet op te sommen. Hij mag dan gekomen zijn “om te bidden,” maar hij stond niet voor God als een biddende man, maar als een verslaggever van zijn eigen prestaties in eigen kracht.

Maar er was een groot verschil tussen de vorige Saulus en de Saulus die nu in Damaskus aan het bidden was. Op weg naar die stad had hij een complete inzinking gehad. In het licht van Jezus Christus, de verheerlijkte Heer, was het deksel van zijn ogen gehaald, en opeens zag hij zijn hele voorbije leven als slecht en zondig. Hoe volledig en zonder enig voorbehoud veroordeelt hij het nu! Zijn vroegere motieven en doelen in het leven leken hem nu zo verwerpelijk, dat hij drie dagen lang niets kon eten of drinken (vs. 9). Denkend dat hij God diende, had hij Jezus, Gods Zoon, vervolgd door “dreiging en moord” tegen de discipelen van de Heer! Oh, dat kon hij zijn hele leven niet vergeten. Steeds weer sprak en schreef hij erover (zie Hand. 22:1-10; 26:9-15; 1 Kor. 15:9; Gal. 1:13; 1:23; Ef. 3:8; Fil. 3:6; 1 Tim. 1:13).

Saulus met zijn eigen gerechtigheid, met zijn vertrouwen in het vlees – in zijn eigen morele kracht en wijsheid – met zijn religieuze, wettische ijver voor God, deze Saulus was dus ingestort en tot Paulus geworden (de “kleine, geringe”). Hij leefde nu een heel ander leven. Wat hij afbrak, heeft hij nooit meer opgebouwd (Gal. 2:18). Terwijl tot dan toe zijn eigen sterke en energieke persoonlijkheid het uitgangspunt van zijn gedachten en handelingen was geweest, was vanaf dat moment Christus alleen de bron en inhoud van zijn hele leven. Zelf had hij dit nieuwe leven als volgt beschreven: “Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20).

Wat was het gevolg hiervan? Dat hij voortaan in alles afhankelijk was van de Heer en Zijn genade: in eten, drinken en slapen, in het maken van tenten en in de bediening van het Woord aan personen en in de samenkomsten waartoe de Heer hem riep. De nieuwe mens is afhankelijk van de genade van God in Christus Jezus, zowel voor het geringste als voor het grootste.

Maar hoe werd deze genade aan Paulus verleend? “Zie, hij bidt!” Bidden werd voor hem even noodzakelijk als het ademhalen voor het lichaam. Bidden wordt ook wel “de ademhaling van de ziel” genoemd. Hij kwam met openhartigheid voor de troon van de genade om genade te ontvangen en genade te vinden voor tijdige hulp (Hebr. 4:16), voor zichzelf, voor de vele mensen die hij op zijn hart droeg, voor de gemeenten en voor al het werk van de Heer op aarde.

Het is de moeite waard om in zijn brieven de vele verwijzingen naar zijn ononderbroken gebedswandel met God na te gaan. Toen hij alle gelovigen vermaande om “te volharden in het gebed” (Rom. 12:12); “onophoudelijk te bidden” (1 Thess. 5:17); “te volharden in het gebed terwijl u daarin waakzaam bent met dankzegging” (Kol. 4:2), deed hij dat uit eigen dagelijkse en gezegende ervaring. Van hemzelf kon altijd worden gezegd: “Zie, hij bidt!”

Niemand van ons heeft zo’n verleden als Paulus. Wij waren geen ijveraars voor de wet door middel van buigen of barsten. Wij hadden een andere achtergrond.

Maar ook wij waren ooit “in het vlees” en konden God niet behagen (Rom. 8:8,9). Als zodanig waren wij ook geen juiste aanbidders, want de aard van het vlees, hoe vroom het ook lijkt, is arrogantie en hoogmoed – en niet onderwerping en afhankelijkheid van God. In de “gezindheid van het vlees” roept de mens niet om genade en komt hij niet met verzoekschriften en smeekbeden voor de troon van de genade.

Als natuurlijke mensen moesten wij ons daarom ook buigen voor God, ons tot Hem wenden en opnieuw geboren worden uit water en Geest. Hoe dankbaar mogen we God elke dag zijn dat we nu “in Christus” zijn, dat we in Hem alle genade en zegeningen van God, alle bronnen bezitten.

Maar laten we onszelf onderzoeken: Zijn wij zulke bidders als Paulus? Hoe vaak kan de Heer van ons zeggen: “Zie, hij bidt?”

Wat is de reden als dit niet het geval is? O, ongetwijfeld omdat wij dan onder wereldse invloed staan en in ons hart ruimte geven aan het begerige, eigenmachtige, zelfbewuste en hoogmoedige vlees in plaats van aan Christus alleen. Onze geest en ons hart zijn dan niet echt gebroken en verbrijzeld (Ps. 51:19; Jes. 57:15; 66:2).

Als wij dus traag en oppervlakkig zijn in het gebed, is dat een alarmteken van een slechte innerlijke toestand, waaraan wij niet lichtvaardig voorbij moeten gaan, maar waarvan wij ons oprecht moeten bekeren.

Hoe goed is het, dat God in Zijn oneindige Vaderliefde Zijn ogen openhoudt over ieder van ons die tot Zijn “zonen” behoren (Hebr. 12:4-11)! Als wij onszelf nog te weinig kennen, als wij zelf niet weten wat er aan ons christendom mankeert en wat er in ons ontbreekt aan de verwezenlijking van de volmaakte verlossing in Christus – God weet het wel en leidt ons in Zijn feilloze wijsheid verder, misschien door smartelijke tuchtiging, totdat Zijn doel met ons is bereikt: wij moeten “Zijn heiligheid deelachtig worden” in onze praktische toestand, zodat Hij in onze wegen de “vreedzame vrucht van gerechtigheid” vindt. Hoe graag en ijverig zullen we dan Zijn aangezicht zoeken!

Zijn hart verlangt naar gemeenschap met ons. Wat een vreugde is het voor Hem om van jou en mij te kunnen zeggen: “Zie, hij bidt!”

 

www.haltefest.ch;

Jaargang: 1963 – Bladzijde 252; auteur: Uit het ABC van de christen.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW